Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-05-13
ECLI:NL:RBOVE:2026:2561
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,041 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2561 text/xml public 2026-05-20T18:00:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-13 ak_25_1671 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2561 text/html public 2026-05-13T11:38:28 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2561 Rechtbank Overijssel , 13-05-2026 / ak_25_1671 Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Gewijzigd standpunt van de heffingsambtenaar in beroep van een ongegrond bezwaar naar een niet-ontvankelijk bezwaar. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1671 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR) . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 mei 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft op 24 januari 2025 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. Daarin heeft de heffingsambtenaar zich - anders dan in het besluit op bezwaar - alsnog op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het bezwaar, naar eerst in de beroepsprocedure is gebleken, te laat is ingediend. 1.4. Bij uitspraak van deze rechtbank van 9 september 2025 is het beroep van belanghebbende, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet op tijd is betaald. 1.5. Bij uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2026 is het verzet van belanghebbende gegrond verklaard. De beroepsgronden van belanghebbende zullen in deze uitspraak daarom worden beoordeeld. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en via Teams: [naam] als gemachtigde van de heffingsambtenaar. Feiten 2. Op 24 januari 2025 om 16.56 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Hofstraat te Deventer. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 82,28 opgelegd, bestaande uit € 3,48 aan tariefkosten en € 78,80 aan kosten voor de naheffingsaanslag. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat belanghebbende niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt en niet verschoonbaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De ontvankelijkheid van het bezwaar 4. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift zich alsnog primair op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het te laat is ingediend. Het uitgangspunt hierbij is dat nadat reeds inhoudelijk op het bezwaar is beslist, omstandigheden kunnen blijken waaronder de rechter het alsnog gewijzigde standpunt van de heffingsambtenaar mag honoreren als het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zich hiertegen niet verzetten. 5. Nu belanghebbende, aldus de heffingsambtenaar, vóór de uitspraak op bezwaar niet de juiste of niet de volledige feitelijke informatie aan de heffingsambtenaar heeft verstrekt door eerst in beroep de naheffingsaanslag mee te sturen terwijl de heffingsambtenaar eerder er nog vanuit ging dat belanghebbende niet beschikte over de papieren kennisgeving/naheffingsaanslag onder de ruitenwisser van de auto, is de rechtsvraag of belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar en of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar wegens termijnoverschrijding alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard. 6. Aan een inhoudelijke beoordeling - de vraag of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd - komt de rechtbank eerst toe als blijkt dat het bezwaar (wel) ontvankelijk moet worden verklaard. 7. De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De naheffingsaanslag/kennisgeving is op 24 januari 2025 opgelegd en het bezwaarschrift is op 13 april 2025, buiten de wettelijke termijn van zes weken, ontvangen. 8. Belanghebbende stelt (in het bezwaarschrift) dat hij de aanslag op 4 maart 2025 heeft ontvangen. 9. In het voetspoor van de heffingsambtenaar oordeelt de rechtbank dat met de kennis van alle processtukken in de beroepsprocedure thans moet worden geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Onbetwist staat vast - en belanghebbende heeft dat ter zitting uitdrukkelijk bevestigd - dat hij reeds op of omstreeks 24 januari 2025 beschikte over de naheffingsaanslag onder de ruitenwisser van zijn voertuig, maar dat hij deze eerst in beroep heeft overgelegd. Vanaf dat eerste moment is de bezwaartermijn gaan lopen en niet vanaf de datum waarvan de heffingsambtenaar aanvankelijk veronderstellenderwijs en abusievelijk is uitgegaan, 4 maart 2025, welke datum belanghebbende in zijn bezwaarschrift noemde als eerste datum waarop hij kennis kreeg van het foutief, onbetaald, parkeren van zijn auto. 10. Als een bezwaar te laat is ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. Daarvan kan sprake zijn als bijzondere omstandigheden de indiener hebben verhinderd om tijdig bezwaar te maken. 11. Die omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De door de heffingsambtenaar erkende feitelijke onjuistheden (verkeerd woonadres van belanghebbende, verkeerd kenteken etc.) doen daar niet aan af, nu belanghebbende tijdig bezwaar had kunnen maken voor zover er bij belanghebbende al twijfel zou (kunnen) zijn ontstaan over zijn foutief parkeren. Sterker nog, voor zover de heffingsambtenaar al onjuistheden (verkeerd kenteken) bij het uitschrijven van de kennisgeving (en/of ook nadien) heeft of nadien heeft begaan, had het te meer op de weg van belanghebbende gelegen direct aan de bel te trekken toen hij de kennisgeving onder de ruitenwisser aantrof, al is het maar in eerste instantie met een telefoontje, appje of mail. Wat daar ook van zij, het dossier bevat tal van foto’s van belanghebbendes (onbetaald) geparkeerd staande auto zodat daarover geen misverstand kan bestaan. 12. Al het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is, nu de heffingsambtenaar belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. De enkele stelling dat belanghebbende meende dat hij nog niet op de kennisgeving onder de ruitenwisser van zijn auto had hoeven te reageren, maar kon afwachten, volstaat niet om de verstreken bezwaartermijn veilig te stellen. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van P.P. van Essen - van 't Ende, griffier. griffier rechter Uitgesproken op De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2561 text/xml public 2026-05-20T18:00:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-13 ak_25_1671 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2561 text/html public 2026-05-13T11:38:28 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2561 Rechtbank Overijssel , 13-05-2026 / ak_25_1671 Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Gewijzigd standpunt van de heffingsambtenaar in beroep van een ongegrond bezwaar naar een niet-ontvankelijk bezwaar. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1671 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en de heffingsambtenaar van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR) . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 mei 2025. 1.1. De heffingsambtenaar heeft op 24 januari 2025 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. Daarin heeft de heffingsambtenaar zich - anders dan in het besluit op bezwaar - alsnog op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het bezwaar, naar eerst in de beroepsprocedure is gebleken, te laat is ingediend. 1.4. Bij uitspraak van deze rechtbank van 9 september 2025 is het beroep van belanghebbende, met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet op tijd is betaald. 1.5. Bij uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2026 is het verzet van belanghebbende gegrond verklaard. De beroepsgronden van belanghebbende zullen in deze uitspraak daarom worden beoordeeld. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en via Teams: [naam] als gemachtigde van de heffingsambtenaar. Feiten 2. Op 24 januari 2025 om 16.56 uur stond de auto met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Hofstraat te Deventer. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 82,28 opgelegd, bestaande uit € 3,48 aan tariefkosten en € 78,80 aan kosten voor de naheffingsaanslag. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat belanghebbende niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt en niet verschoonbaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De ontvankelijkheid van het bezwaar 4. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift zich alsnog primair op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het te laat is ingediend. Het uitgangspunt hierbij is dat nadat reeds inhoudelijk op het bezwaar is beslist, omstandigheden kunnen blijken waaronder de rechter het alsnog gewijzigde standpunt van de heffingsambtenaar mag honoreren als het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zich hiertegen niet verzetten. 5. Nu belanghebbende, aldus de heffingsambtenaar, vóór de uitspraak op bezwaar niet de juiste of niet de volledige feitelijke informatie aan de heffingsambtenaar heeft verstrekt door eerst in beroep de naheffingsaanslag mee te sturen terwijl de heffingsambtenaar eerder er nog vanuit ging dat belanghebbende niet beschikte over de papieren kennisgeving/naheffingsaanslag onder de ruitenwisser van de auto, is de rechtsvraag of belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar en of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar wegens termijnoverschrijding alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard. 6. Aan een inhoudelijke beoordeling - de vraag of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd - komt de rechtbank eerst toe als blijkt dat het bezwaar (wel) ontvankelijk moet worden verklaard. 7. De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De naheffingsaanslag/kennisgeving is op 24 januari 2025 opgelegd en het bezwaarschrift is op 13 april 2025, buiten de wettelijke termijn van zes weken, ontvangen. 8. Belanghebbende stelt (in het bezwaarschrift) dat hij de aanslag op 4 maart 2025 heeft ontvangen. 9. In het voetspoor van de heffingsambtenaar oordeelt de rechtbank dat met de kennis van alle processtukken in de beroepsprocedure thans moet worden geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Onbetwist staat vast - en belanghebbende heeft dat ter zitting uitdrukkelijk bevestigd - dat hij reeds op of omstreeks 24 januari 2025 beschikte over de naheffingsaanslag onder de ruitenwisser van zijn voertuig, maar dat hij deze eerst in beroep heeft overgelegd. Vanaf dat eerste moment is de bezwaartermijn gaan lopen en niet vanaf de datum waarvan de heffingsambtenaar aanvankelijk veronderstellenderwijs en abusievelijk is uitgegaan, 4 maart 2025, welke datum belanghebbende in zijn bezwaarschrift noemde als eerste datum waarop hij kennis kreeg van het foutief, onbetaald, parkeren van zijn auto. 10. Als een bezwaar te laat is ingediend, moet het bestuursorgaan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. Daarvan kan sprake zijn als bijzondere omstandigheden de indiener hebben verhinderd om tijdig bezwaar te maken. 11. Die omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De door de heffingsambtenaar erkende feitelijke onjuistheden (verkeerd woonadres van belanghebbende, verkeerd kenteken etc.) doen daar niet aan af, nu belanghebbende tijdig bezwaar had kunnen maken voor zover er bij belanghebbende al twijfel zou (kunnen) zijn ontstaan over zijn foutief parkeren. Sterker nog, voor zover de heffingsambtenaar al onjuistheden (verkeerd kenteken) bij het uitschrijven van de kennisgeving (en/of ook nadien) heeft of nadien heeft begaan, had het te meer op de weg van belanghebbende gelegen direct aan de bel te trekken toen hij de kennisgeving onder de ruitenwisser aantrof, al is het maar in eerste instantie met een telefoontje, appje of mail. Wat daar ook van zij, het dossier bevat tal van foto’s van belanghebbendes (onbetaald) geparkeerd staande auto zodat daarover geen misverstand kan bestaan. 12. Al het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is, nu de heffingsambtenaar belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar. De enkele stelling dat belanghebbende meende dat hij nog niet op de kennisgeving onder de ruitenwisser van zijn auto had hoeven te reageren, maar kon afwachten, volstaat niet om de verstreken bezwaartermijn veilig te stellen. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van P.P. van Essen - van 't Ende, griffier. griffier rechter Uitgesproken op De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.