Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-05-08
ECLI:NL:RBOVE:2026:2474
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2474 text/xml public 2026-05-15T18:00:16 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-08 ak_25_244 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2474 text/html public 2026-05-08T12:15:41 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2474 Rechtbank Overijssel , 08-05-2026 / ak_25_244 Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Deze zes-weken termijn is een termijn van openbare orde. De rechtspraak over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding houdt in dat rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan/moet het gaan om persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van een naaste of om externe omstandigheden/calamiteiten. De rechtbank stelt voorop dat de overschrijding van de bezwaartermijn aanzienlijk is. Van belanghebbende mocht ondanks haar zwangerschap en ervaren stress op 14 oktober 2024 en kennelijk nadien worden verwacht dat zij het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag binnen de bezwaartermijn van zes weken kon indienen. Het bezwaarschrift van belanghebbende is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/244 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en het hoofd van de afdeling Juridische Zaken van de gemeente Zwolle, de heffingsambtenaar. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende naar aanleiding van een haar op 14 oktober 2024 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelastingen. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij besluit van 8 januari 2025 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 ter zitting behandeld. Belanghebbende is ter zitting verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich vooraf afgemeld. Feiten 1. Op 14 oktober 2024 om 15:44 uur stond de auto van belanghebbende ([kenteken]) op een ‘betaald parkeren plek’ aan de Vermeerstraat te Zwolle. Tijdens een controle werd vastgesteld dat de auto niet voor een parkeerrecht was aangemeld. De controleur heeft daarop een naheffingsaanslag parkeerbelastingen onder de ruitenwisser van de auto achtergelaten. 2. Belanghebbende heeft op 2 januari 2025 een bezwaarschrift ingediend. Beoordeling 3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de kennisgeving op 14 oktober 2024 heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat belanghebbende op 2 januari 2025, na het verstrijken van de wettelijke zes-weken termijn, een bezwaarschrift heeft ingediend. 4. De rechtbank moet beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Alleen indien de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zal zij inhoudelijk beoordelen of de naheffingsaanslag terecht is. De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift Standpunten 5. Belanghebbende voert aan dat zij als gevolg van een hectische periode niet binnen 6 weken een bezwaarschrift heeft ingediend, dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en de naheffingsaanslag parkeerbelasting moet worden vernietigd. Zij was op 14 oktober 2024 hoogzwanger en moest met spoed naar een verloskundigen-praktijk aan de Vermeerstraat om een hartfilmpje laten maken. Door stress is ze vergeten parkeergeld te betalen. Gelukkig was alles goed maar niet lang na de geboorte van haar kind werd haar dochter aanvankelijk in het ziekenhuis opgenomen. Redelijkerwijs kan haar niet worden verweten dat zij de bezwaartermijn heeft overschreden. 6. De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een toestand van overmacht waardoor de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar moet worden geacht. Dat belanghebbende op 14 oktober 2024 stressvolle momenten heeft doorgemaakt en dat de periode nadien wellicht hectisch was, maakt niet dat zij geen bezwaarschrift binnen zes weken kon indienen. Oordeel rechtbank 7. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Deze zes-weken termijn is een termijn van openbare orde. 8. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb begint de zes-weken termijn voor het indienen van bezwaar met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van het tweede lid is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits niet later dan een week na afloop van de termijn ontvangen. 9. De zes weken termijn is in dit geval verstreken op 25 november 2024. Belanghebbende heeft op 2 januari 2025, ruim vijf weken later, het bezwaarschrift ingediend. 10. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding). Daarbij moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift (of een beroepschrift) niet aan de indiener kan worden toegerekend. 11. De rechtspraak over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding houdt in dat rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden . Bij bijzondere omstandigheden kan/moet het gaan om persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van een naaste of om externe omstandigheden/calamiteiten. Daarnaast kan het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift niet aan de indiener worden toegerekend als hem/haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. 12. De rechtbank stelt voorop dat de overschrijding van de bezwaartermijn aanzienlijk is. 13. Belanghebbende heeft geen redenen of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Van belanghebbende mocht ondanks haar zwangerschap en ervaren stress op 14 oktober 2024 en kennelijk nadien worden verwacht dat zij het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag binnen de bezwaartermijn van zes weken kon indienen. Feiten of omstandigheden in verband waarmee moet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in staat was om binnen die termijn bezwaar te maken, zijn gesteld noch gebleken. 14. Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden niet toe. 15. Louter ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat een naheffingsaanslag parkeerbelastingen niet een boete betreft maar een belastingaanslag. De aanwezigheid van opzet of schuld of verwijtbaarheid speelt geen rol. Van een toestand van overmacht is geen sprake. De stelling van belanghebbende dat zij op 14 oktober 2024 door stress een door haar erkende vergissing heeft begaan door haar auto abusievelijk niet aan te melden voor een parkeerrecht is nog afgezien van het feit dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard niet relevant. 16. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is ongegrond. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2474 text/xml public 2026-05-15T18:00:16 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-08 ak_25_244 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2474 text/html public 2026-05-08T12:15:41 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2474 Rechtbank Overijssel , 08-05-2026 / ak_25_244 Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Deze zes-weken termijn is een termijn van openbare orde. De rechtspraak over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding houdt in dat rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan/moet het gaan om persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van een naaste of om externe omstandigheden/calamiteiten. De rechtbank stelt voorop dat de overschrijding van de bezwaartermijn aanzienlijk is. Van belanghebbende mocht ondanks haar zwangerschap en ervaren stress op 14 oktober 2024 en kennelijk nadien worden verwacht dat zij het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag binnen de bezwaartermijn van zes weken kon indienen. Het bezwaarschrift van belanghebbende is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Beroep ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/244 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en het hoofd van de afdeling Juridische Zaken van de gemeente Zwolle, de heffingsambtenaar. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende naar aanleiding van een haar op 14 oktober 2024 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelastingen. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij besluit van 8 januari 2025 primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 ter zitting behandeld. Belanghebbende is ter zitting verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich vooraf afgemeld. Feiten 1. Op 14 oktober 2024 om 15:44 uur stond de auto van belanghebbende ([kenteken]) op een ‘betaald parkeren plek’ aan de Vermeerstraat te Zwolle. Tijdens een controle werd vastgesteld dat de auto niet voor een parkeerrecht was aangemeld. De controleur heeft daarop een naheffingsaanslag parkeerbelastingen onder de ruitenwisser van de auto achtergelaten. 2. Belanghebbende heeft op 2 januari 2025 een bezwaarschrift ingediend. Beoordeling 3. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de kennisgeving op 14 oktober 2024 heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat belanghebbende op 2 januari 2025, na het verstrijken van de wettelijke zes-weken termijn, een bezwaarschrift heeft ingediend. 4. De rechtbank moet beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Alleen indien de rechtbank van oordeel is dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zal zij inhoudelijk beoordelen of de naheffingsaanslag terecht is. De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift Standpunten 5. Belanghebbende voert aan dat zij als gevolg van een hectische periode niet binnen 6 weken een bezwaarschrift heeft ingediend, dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en de naheffingsaanslag parkeerbelasting moet worden vernietigd. Zij was op 14 oktober 2024 hoogzwanger en moest met spoed naar een verloskundigen-praktijk aan de Vermeerstraat om een hartfilmpje laten maken. Door stress is ze vergeten parkeergeld te betalen. Gelukkig was alles goed maar niet lang na de geboorte van haar kind werd haar dochter aanvankelijk in het ziekenhuis opgenomen. Redelijkerwijs kan haar niet worden verweten dat zij de bezwaartermijn heeft overschreden. 6. De heffingsambtenaar stelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een toestand van overmacht waardoor de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar moet worden geacht. Dat belanghebbende op 14 oktober 2024 stressvolle momenten heeft doorgemaakt en dat de periode nadien wellicht hectisch was, maakt niet dat zij geen bezwaarschrift binnen zes weken kon indienen. Oordeel rechtbank 7. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Deze zes-weken termijn is een termijn van openbare orde. 8. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb begint de zes-weken termijn voor het indienen van bezwaar met ingang van de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van het tweede lid is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits niet later dan een week na afloop van de termijn ontvangen. 9. De zes weken termijn is in dit geval verstreken op 25 november 2024. Belanghebbende heeft op 2 januari 2025, ruim vijf weken later, het bezwaarschrift ingediend. 10. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding). Daarbij moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift (of een beroepschrift) niet aan de indiener kan worden toegerekend. 11. De rechtspraak over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding houdt in dat rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden . Bij bijzondere omstandigheden kan/moet het gaan om persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van een naaste of om externe omstandigheden/calamiteiten. Daarnaast kan het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift niet aan de indiener worden toegerekend als hem/haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. 12. De rechtbank stelt voorop dat de overschrijding van de bezwaartermijn aanzienlijk is. 13. Belanghebbende heeft geen redenen of omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Van belanghebbende mocht ondanks haar zwangerschap en ervaren stress op 14 oktober 2024 en kennelijk nadien worden verwacht dat zij het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag binnen de bezwaartermijn van zes weken kon indienen. Feiten of omstandigheden in verband waarmee moet worden geoordeeld dat belanghebbende niet in staat was om binnen die termijn bezwaar te maken, zijn gesteld noch gebleken. 14. Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden niet toe. 15. Louter ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat een naheffingsaanslag parkeerbelastingen niet een boete betreft maar een belastingaanslag. De aanwezigheid van opzet of schuld of verwijtbaarheid speelt geen rol. Van een toestand van overmacht is geen sprake. De stelling van belanghebbende dat zij op 14 oktober 2024 door stress een door haar erkende vergissing heeft begaan door haar auto abusievelijk niet aan te melden voor een parkeerrecht is nog afgezien van het feit dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard niet relevant. 16. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond. Conclusie en gevolgen 17. Het beroep is ongegrond. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug.