Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-05-07
ECLI:NL:RBOVE:2026:2457
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,245 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2457 text/xml public 2026-05-14T18:00:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-07 AK_25_3293 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2457 text/html public 2026-05-08T11:26:43 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2457 Rechtbank Overijssel , 07-05-2026 / AK_25_3293 Bbz 2004. Afwijzing aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud en een bedrijfskrediet. Eiser is al gedurende de maximale termijn van 12 maanden algemene bijstand verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Beroep ongegrond. aRECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/3293 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college gemachtigde: mr. L.J. Luigies. Procesverloop 1.1 Bij besluit van 3 juli 2025 heeft het college eisers aanvraag om bijstand voor zelfstandigen afgewezen. 1.2 Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. 1.3 Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser is met berichtgeving niet verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiser is in de KvK ingeschreven met de Vennootschap onder firma (V.o.f.) [bedrijf 1]. Hij heeft op 15 mei 2025 bijstand aangevraagd voor zelfstandigen in de vorm van bijstand voor levensonderhoud en een bedrijfskrediet van aanvankelijk € 100.000.- en later € 150.000,-. Hierop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. Standpunten van partijen Standpunt van het college 3.1 Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op basis van de beschikbare gegevens geen reële inschatting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf kan worden gemaakt en de levensvatbaarheid van het bedrijf wel een voorwaarde is voor het verstrekken van een bedrijfskrediet. Uit de gegevens die beschikbaar zijn blijkt dat eisers bedrijf al veel langer in de problemen is. Ten opzichte van de eerdere kredietaanvraag is er niets in positieve zin veranderd. Niet in de situatie, maar ook niet in eisers houding. Over de jaren die wel bekend zijn, namelijk 2016, 2017, 2021 en 2022, is de bedrijfsvoering verlieslatend geweest. Het jaar 2020 is niet gecontroleerd, maar op basis van hetgeen eiser zelf heeft aangegeven moet het inkomen maximaal nihil zijn geweest anders bestond er geen recht op Tozo. Op basis van alle feiten en omstandigheden concludeert het college dat eisers bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar is, omdat de exploitatie al jaren verlieslatend is, het (zakelijke) eigen vermogen sterk negatief is en eiser geen relevante bewijsstukken inlevert die een positiever beeld schetsen. 3.2 Ten aanzien van de bijstand voor levensonderhoud heeft het college vastgesteld dat eiser al de volledige termijn voor een gevestigde ondernemer heeft doorlopen. Verdere verlenging van de uitkering is, los van de levensvatbaarheid, niet aan de orde. Van externe omstandigheden van tijdelijk aard, die aanleiding zouden kunnen zijn voor verlenging van de maximale duur van ten hoogste 12 maanden, is in eisers geval geen sprake. De oorzaak van de behoefte aan bijstand ligt in eisers geval in de combinatie van marktomstandigheden en bedrijfsvoering, maar niet aan externe omstandigheden. Standpunt van eiser 4.1 Eiser heeft, samengevat, aangevoerd dat zijn broer, mede vennoot, in 2013 in een burn out terecht kwam. De AOV-verzekeraar keerde geen ziekengeld uit. Het is wel gelukt om zijn salaris volledig door te betalen zonder in de schulden terecht te komen. De coronamaatregelen legden daarna extra druk op de onderneming. Een éénmalige Tozo-lening van € 10.000,- was onvoldoende om alle lasten op te vangen, waardoor het eigen vermogen nog verder werd aangetast. Daardoor konden de binnengekomen opdrachten niet meer worden voorgefinancierd en in behandeling worden genomen. Deze situatie speelt nu helaas nog steeds en heeft ertoe geleid, dat het bedrijf nog niet op eigen benen kan staan. 4.2 In het kader van de Bbz-aanvraag heeft de gemeente onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf 2] naar de levensvatbaarheid van het bedrijf. Het rapport was incompleet, bevatte feitelijke fouten en ongefundeerde aannames en liet belangrijke oorzaken van de financiële terugval buiten het rapport. Het bureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd beschikte aantoonbaar niet over de benodigde kennis van de zorgmarkt. Na ontvangst van het rapport is het door eiser gecorrigeerd en bij de gemeente opnieuw ingediend. De gemeente gaf echter aan het rapport niet te willen wijzigen en bleef in alle besluitvorming naar het oorspronkelijke rapport verwijzen. De conclusies in het rapport zijn niet herleidbaar tot solide gegevens en sluiten onvoldoende aan bij de gangbare economische of bedrijfskundige normen. Het rapport laat niet zien op basis van welke criteria de beoordeling is uitgevoerd, noch in hoeverre deze criteria aansluiten bij gangbare markt- en sectorstandaarden. De belangrijkste oorzaken, namelijk doorbetaling van salaris van een zieke vennoot en de gevolgen van de daaropvolgende coronapandemie, zijn niet in het rapport terug te vinden. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met de motiverings- en zorgvuldigheidseisen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4.3 Na de afwijzing van de Bbz-aanvraag werd eiser geadviseerd een bijstandsaanvraag met een participatiehypotheek in te dienen. Daarbij is hij niet door de gemeente geïnformeerd over de gevolgen of beperkingen van deze constructie. Hoewel de overwaarde op eisers woning voldoende was en eiser bereid was deze als zekerheid in te brengen, werd dit niet geaccepteerd. Een regulier overbruggingskrediet had eiser in staat gesteld zijn inkomstenstroom vanaf 2023 te herstellen en binnenkomende opdrachten voor de financieren. Eiser wil geen participatiehypotheek tekenen, gelet op de negatieve gevolgen. De rechtbank heeft in het vonnis vastgesteld dat de bijstandsuitkering op grond van de PW terecht is beëindigd, omdat eiser niet wilde stoppen met het bedrijf en geen participatiehypotheek wilde ondertekenen. De andere feiten, zoals het beoordelingsrapport, werd totaal niet besproken. 4.4 Ten slotte heeft eiser een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel in artikel 3:4 van de Awb. Het besluit heeft aanzienlijke gevolgen voor het bedrijf. Een dergelijk ingrijpend besluit mag niet gebaseerd worden op en lichtgewicht, ondeugdelijk of marktondeskundig advies. De verhouding tussen het gebruikte onderzoek en de zwaarte van de gevolgen is niet evenredig. Dit levert strijd op met artikel 3:4 van de Awb. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat hij op dit moment zijn hypotheek (€ 523,-) en vaste lasten niet meer kan betalen, geen liquiditeit meer heeft om binnenkomende orders voor te schieten en binnenkort zijn faillissement aan kan vragen als de situatie niet verandert. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het niet toekennen van zijn aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud en een bedrijfskrediet in het kader van het Bbz. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet slaagt en overweegt hiertoe als volgt. Bijstand voor levensonderhoud 5.1 Algemene bijstand kan worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Dat staat in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbz 2004. 5.2 Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt op grond van artikel 18 van de Bbz 2004 gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2457 text/xml public 2026-05-14T18:00:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-07 AK_25_3293 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2457 text/html public 2026-05-08T11:26:43 2026-05-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2457 Rechtbank Overijssel , 07-05-2026 / AK_25_3293 Bbz 2004. Afwijzing aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud en een bedrijfskrediet. Eiser is al gedurende de maximale termijn van 12 maanden algemene bijstand verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Beroep ongegrond. aRECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/3293 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college gemachtigde: mr. L.J. Luigies. Procesverloop 1.1 Bij besluit van 3 juli 2025 heeft het college eisers aanvraag om bijstand voor zelfstandigen afgewezen. 1.2 Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dit besluit gebleven. 1.3 Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser is met berichtgeving niet verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Eiser is in de KvK ingeschreven met de Vennootschap onder firma (V.o.f.) [bedrijf 1]. Hij heeft op 15 mei 2025 bijstand aangevraagd voor zelfstandigen in de vorm van bijstand voor levensonderhoud en een bedrijfskrediet van aanvankelijk € 100.000.- en later € 150.000,-. Hierop heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. Standpunten van partijen Standpunt van het college 3.1 Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op basis van de beschikbare gegevens geen reële inschatting van de levensvatbaarheid van eisers bedrijf kan worden gemaakt en de levensvatbaarheid van het bedrijf wel een voorwaarde is voor het verstrekken van een bedrijfskrediet. Uit de gegevens die beschikbaar zijn blijkt dat eisers bedrijf al veel langer in de problemen is. Ten opzichte van de eerdere kredietaanvraag is er niets in positieve zin veranderd. Niet in de situatie, maar ook niet in eisers houding. Over de jaren die wel bekend zijn, namelijk 2016, 2017, 2021 en 2022, is de bedrijfsvoering verlieslatend geweest. Het jaar 2020 is niet gecontroleerd, maar op basis van hetgeen eiser zelf heeft aangegeven moet het inkomen maximaal nihil zijn geweest anders bestond er geen recht op Tozo. Op basis van alle feiten en omstandigheden concludeert het college dat eisers bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar is, omdat de exploitatie al jaren verlieslatend is, het (zakelijke) eigen vermogen sterk negatief is en eiser geen relevante bewijsstukken inlevert die een positiever beeld schetsen. 3.2 Ten aanzien van de bijstand voor levensonderhoud heeft het college vastgesteld dat eiser al de volledige termijn voor een gevestigde ondernemer heeft doorlopen. Verdere verlenging van de uitkering is, los van de levensvatbaarheid, niet aan de orde. Van externe omstandigheden van tijdelijk aard, die aanleiding zouden kunnen zijn voor verlenging van de maximale duur van ten hoogste 12 maanden, is in eisers geval geen sprake. De oorzaak van de behoefte aan bijstand ligt in eisers geval in de combinatie van marktomstandigheden en bedrijfsvoering, maar niet aan externe omstandigheden. Standpunt van eiser 4.1 Eiser heeft, samengevat, aangevoerd dat zijn broer, mede vennoot, in 2013 in een burn out terecht kwam. De AOV-verzekeraar keerde geen ziekengeld uit. Het is wel gelukt om zijn salaris volledig door te betalen zonder in de schulden terecht te komen. De coronamaatregelen legden daarna extra druk op de onderneming. Een éénmalige Tozo-lening van € 10.000,- was onvoldoende om alle lasten op te vangen, waardoor het eigen vermogen nog verder werd aangetast. Daardoor konden de binnengekomen opdrachten niet meer worden voorgefinancierd en in behandeling worden genomen. Deze situatie speelt nu helaas nog steeds en heeft ertoe geleid, dat het bedrijf nog niet op eigen benen kan staan. 4.2 In het kader van de Bbz-aanvraag heeft de gemeente onderzoek laten uitvoeren door [bedrijf 2] naar de levensvatbaarheid van het bedrijf. Het rapport was incompleet, bevatte feitelijke fouten en ongefundeerde aannames en liet belangrijke oorzaken van de financiële terugval buiten het rapport. Het bureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd beschikte aantoonbaar niet over de benodigde kennis van de zorgmarkt. Na ontvangst van het rapport is het door eiser gecorrigeerd en bij de gemeente opnieuw ingediend. De gemeente gaf echter aan het rapport niet te willen wijzigen en bleef in alle besluitvorming naar het oorspronkelijke rapport verwijzen. De conclusies in het rapport zijn niet herleidbaar tot solide gegevens en sluiten onvoldoende aan bij de gangbare economische of bedrijfskundige normen. Het rapport laat niet zien op basis van welke criteria de beoordeling is uitgevoerd, noch in hoeverre deze criteria aansluiten bij gangbare markt- en sectorstandaarden. De belangrijkste oorzaken, namelijk doorbetaling van salaris van een zieke vennoot en de gevolgen van de daaropvolgende coronapandemie, zijn niet in het rapport terug te vinden. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met de motiverings- en zorgvuldigheidseisen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 4.3 Na de afwijzing van de Bbz-aanvraag werd eiser geadviseerd een bijstandsaanvraag met een participatiehypotheek in te dienen. Daarbij is hij niet door de gemeente geïnformeerd over de gevolgen of beperkingen van deze constructie. Hoewel de overwaarde op eisers woning voldoende was en eiser bereid was deze als zekerheid in te brengen, werd dit niet geaccepteerd. Een regulier overbruggingskrediet had eiser in staat gesteld zijn inkomstenstroom vanaf 2023 te herstellen en binnenkomende opdrachten voor de financieren. Eiser wil geen participatiehypotheek tekenen, gelet op de negatieve gevolgen. De rechtbank heeft in het vonnis vastgesteld dat de bijstandsuitkering op grond van de PW terecht is beëindigd, omdat eiser niet wilde stoppen met het bedrijf en geen participatiehypotheek wilde ondertekenen. De andere feiten, zoals het beoordelingsrapport, werd totaal niet besproken. 4.4 Ten slotte heeft eiser een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel in artikel 3:4 van de Awb. Het besluit heeft aanzienlijke gevolgen voor het bedrijf. Een dergelijk ingrijpend besluit mag niet gebaseerd worden op en lichtgewicht, ondeugdelijk of marktondeskundig advies. De verhouding tussen het gebruikte onderzoek en de zwaarte van de gevolgen is niet evenredig. Dit levert strijd op met artikel 3:4 van de Awb. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat hij op dit moment zijn hypotheek (€ 523,-) en vaste lasten niet meer kan betalen, geen liquiditeit meer heeft om binnenkomende orders voor te schieten en binnenkort zijn faillissement aan kan vragen als de situatie niet verandert. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het niet toekennen van zijn aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud en een bedrijfskrediet in het kader van het Bbz. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet slaagt en overweegt hiertoe als volgt. Bijstand voor levensonderhoud 5.1 Algemene bijstand kan worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Dat staat in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbz 2004. 5.2 Aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, wordt op grond van artikel 18 van de Bbz 2004 gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand verleend.
Volledig
Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard. 5.3 Volgens vaste rechtspraak is bij de beantwoording van die vraag de Memorie van Toelichting (MvT) van belang. In de MvT is opgemerkt dat een langere uitkeringsperiode dan 12 maanden zou gaan in de richting van een inkomensgarantie, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt dat, behalve wanneer het ouderen betreft, alleen een uitkering aan zelfstandigen kan worden verleend bij tijdelijke inkomensproblemen. Verlenging van genoemde termijn met ten hoogste twee jaar is alleen mogelijk als de noodzaak voortkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard. Verlenging is dus niet mogelijk indien de oorzaken van de bijstandsbehoefte in de wijze van bedrijfsvoering zijn gelegen. 5.4 Vastgesteld moet worden dat eiser al gedurende de maximale termijn van 12 maanden algemene bijstand is verleend op grond van de Bbz 2004 is verleend. Uit het aangevoerde komen geen externe omstandigheden van tijdelijke aard naar voren, die maken dat het college langer algemene bijstand had moeten verstrekken. De omstandigheden die speelden ten tijde van de eerdere Bbz-aanvraag en PW-aanvraag laat de rechtbank hierbij buiten beschouwen, aangezien in dit beroep alleen de Bbz-aanvraag van 15 mei 2025 ter beoordeling voorligt. 5.5 Gelet op het voorgaande heeft het college op goede gronden geweigerd eiser nogmaals algemene bijstand als bedoeld in artikel 18 van de Bbz 2004 te verlenen. Het bedrijfskrediet 5.6 Levensvatbaar is het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. 5.7 Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval dus op 3 juli 2025. 5.8 Het ligt op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. 5.9 Het college heeft eiser op 12 juni 2025 verzocht de volgende gegevens te verstrekken: - recente bankafschriften van alle privérekeningen, - u heeft aangegeven dat u geen jaarrekeningen heeft over de jaren 2023 en 2024, daarom ontvang ik graag uw eigen administratie over die jaren en het jaar 2025, - kentekenbewijs motorvoertuig(en) (privé), - overzicht aandelen, obligaties en overige waardepapieren, - lijfrentepolissen, koopsompolissen, levensverzekeringen, pensioenvoorzieningen etc. en - overzicht schulden. Op 19 juni 2025 heeft het college eisers antwoord ontvangen. Daarbij waren niet alle gegevens bijgevoegd. Met name waren de jaarrekeningen over de jaren 2023 en 2024 of de eigen administratie over die jaren en het jaar 2025 niet bijgevoegd. 5.10 Vastgesteld moet worden dat vanwege het ontbreken van de jaarrekeningen over de jaren 2023 en 2024 of een eigen administratie over die jaren en het jaar 2025 de levensvatbaarheid van eisers bedrijf niet kan worden vastgesteld. Het college heeft op basis van de gegevens die al aanwezig waren uit het verleden ingeschat dat het bedrijf niet levensvatbaar is. Gelet op de voorgeschiedenis, zoals die naar voren komt uit het bestreden besluit, acht ook de rechtbank het niet aannemelijk dat eisers bedrijf levensvatbaar is. Er is verlies gedraaid en er is geen omzet geweest. Gelet hierop en gelet op het ontbreken van de jaarrekeningen of een eigen administratie, heeft het college geen aanleiding hoeven zien nog een andere deskundige in te schakelen. Wat eiser heeft aangevoerd kan niet slagen, want dit doet niet af aan het feit dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Hierin is hij niet geslaagd. 5.11 Gelet op het voorgaande heeft het college op goede gronden geweigerd eiser een bedrijfskrediet te verlenen. De evenredigheid 5.12 Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank laat hierbij zwaar wegen dat eiser, zoals eerder overwogen, niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Nu dat niet is gebeurd heeft het college in de omstandigheid dat de weigering van het bedrijfskrediet mogelijk tot het faillissement van eisers bedrijf zal leiden geen reden hoeven zien om hem toch een krediet te verstrekken. Er is daarom geen aanleiding te concluderen dat het besluit van het college onevenredig is. Conclusie en gevolgen 6. De rechtbank concludeert dat het college eisers Bbz-aanvraag terecht en op goede gronden heeft afgewezen. 7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 8. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7458. Kamerstukken II 1991/92, 22 545, nr. 3, p. 114. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194.
Volledig
Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard. 5.3 Volgens vaste rechtspraak is bij de beantwoording van die vraag de Memorie van Toelichting (MvT) van belang. In de MvT is opgemerkt dat een langere uitkeringsperiode dan 12 maanden zou gaan in de richting van een inkomensgarantie, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt dat, behalve wanneer het ouderen betreft, alleen een uitkering aan zelfstandigen kan worden verleend bij tijdelijke inkomensproblemen. Verlenging van genoemde termijn met ten hoogste twee jaar is alleen mogelijk als de noodzaak voortkomt uit externe omstandigheden van tijdelijke aard. Verlenging is dus niet mogelijk indien de oorzaken van de bijstandsbehoefte in de wijze van bedrijfsvoering zijn gelegen. 5.4 Vastgesteld moet worden dat eiser al gedurende de maximale termijn van 12 maanden algemene bijstand is verleend op grond van de Bbz 2004 is verleend. Uit het aangevoerde komen geen externe omstandigheden van tijdelijke aard naar voren, die maken dat het college langer algemene bijstand had moeten verstrekken. De omstandigheden die speelden ten tijde van de eerdere Bbz-aanvraag en PW-aanvraag laat de rechtbank hierbij buiten beschouwen, aangezien in dit beroep alleen de Bbz-aanvraag van 15 mei 2025 ter beoordeling voorligt. 5.5 Gelet op het voorgaande heeft het college op goede gronden geweigerd eiser nogmaals algemene bijstand als bedoeld in artikel 18 van de Bbz 2004 te verlenen. Het bedrijfskrediet 5.6 Levensvatbaar is het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. 5.7 Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval dus op 3 juli 2025. 5.8 Het ligt op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. 5.9 Het college heeft eiser op 12 juni 2025 verzocht de volgende gegevens te verstrekken: - recente bankafschriften van alle privérekeningen, - u heeft aangegeven dat u geen jaarrekeningen heeft over de jaren 2023 en 2024, daarom ontvang ik graag uw eigen administratie over die jaren en het jaar 2025, - kentekenbewijs motorvoertuig(en) (privé), - overzicht aandelen, obligaties en overige waardepapieren, - lijfrentepolissen, koopsompolissen, levensverzekeringen, pensioenvoorzieningen etc. en - overzicht schulden. Op 19 juni 2025 heeft het college eisers antwoord ontvangen. Daarbij waren niet alle gegevens bijgevoegd. Met name waren de jaarrekeningen over de jaren 2023 en 2024 of de eigen administratie over die jaren en het jaar 2025 niet bijgevoegd. 5.10 Vastgesteld moet worden dat vanwege het ontbreken van de jaarrekeningen over de jaren 2023 en 2024 of een eigen administratie over die jaren en het jaar 2025 de levensvatbaarheid van eisers bedrijf niet kan worden vastgesteld. Het college heeft op basis van de gegevens die al aanwezig waren uit het verleden ingeschat dat het bedrijf niet levensvatbaar is. Gelet op de voorgeschiedenis, zoals die naar voren komt uit het bestreden besluit, acht ook de rechtbank het niet aannemelijk dat eisers bedrijf levensvatbaar is. Er is verlies gedraaid en er is geen omzet geweest. Gelet hierop en gelet op het ontbreken van de jaarrekeningen of een eigen administratie, heeft het college geen aanleiding hoeven zien nog een andere deskundige in te schakelen. Wat eiser heeft aangevoerd kan niet slagen, want dit doet niet af aan het feit dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Hierin is hij niet geslaagd. 5.11 Gelet op het voorgaande heeft het college op goede gronden geweigerd eiser een bedrijfskrediet te verlenen. De evenredigheid 5.12 Eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank laat hierbij zwaar wegen dat eiser, zoals eerder overwogen, niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Nu dat niet is gebeurd heeft het college in de omstandigheid dat de weigering van het bedrijfskrediet mogelijk tot het faillissement van eisers bedrijf zal leiden geen reden hoeven zien om hem toch een krediet te verstrekken. Er is daarom geen aanleiding te concluderen dat het besluit van het college onevenredig is. Conclusie en gevolgen 6. De rechtbank concludeert dat het college eisers Bbz-aanvraag terecht en op goede gronden heeft afgewezen. 7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 8. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7458. Kamerstukken II 1991/92, 22 545, nr. 3, p. 114. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:194.