Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-01-06
ECLI:NL:RBOVE:2026:24
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/367 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats 1] hierna: [eiser] (gemachtigde: mr. J.T. Fuller), en de bewaarder van het kadaster en de openbare registers hierna: de bewaarder Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] , uit [woonplaats 2] , hierna: [derde belanghebbende] (gemachtigde: mr. P. Thole). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn verzoek tot het wijzigen van een gegeven in de basisregistratie kadaster. Het verzoek van [eiser] is door de bewaarder afgewezen en het bezwaar van [eiser] tegen die afwijzing is kennelijk ongegrond verklaard. [eiser] is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek van [eiser] . 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de bewaarder het verzoek van [eiser] kon afwijzen omdat geen gerede twijfel bestaat over de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. [eiser] heeft op 19 april 2024 een verzoek gedaan tot herstel van een gegeven in de basisregistratie kadaster. De bewaarder heeft dit verzoek met het besluit van 24 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op het bezwaar van eiser is de bewaarder bij de afwijzing van het verzoek gebleven en heeft hij het bezwaar van [eiser] kennelijk ongegrond verklaard. 2.1. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De bewaarder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft een aanvullend beroepschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. [eiser] is samen met [naam 1] verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De bewaarder is in persoon van mr. P.A.M. Schamp verschenen en werd vergezeld door landmeetkundig specialist [naam 2] . [derde belanghebbende] heeft niet aan de zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Wat vooraf is gegaan aan de bestreden besluitvorming 3. [eiser] woont aan de [adres] en is eigenaar van het in geding zijnde perceel kadastraal bekend [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 1] . [eiser] heeft eind december 2000 een gedeelte van het perceel, toen geregistreerd als kadastraal bekend [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 2] (hierna: [kadastrale aanduidingen 2] ), met een volgens de akte van levering geschatte grootte van in totaal ongeveer 1489 m2 van zijn vader gekocht. Hij heeft het perceel in eigendom verkregen door het inschrijven van een afschrift van de akte van levering in de openbare registers op 28 december 2000 in het register [register] reeks voormalige bewaring Zwolle. Het door hem verworven perceel is daarna vernummerd tot [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 1] (hierna: [kadastrale aanduidingen 1] ). Het resterende deel van het eerder onder nummer [kadastrale aanduidingen 2] geregistreerde perceel is daarna vernummerd naar [gemeente] , [kadastrale aanduidingen 3] (hierna: [kadastrale aanduidingen 3] ) en is in eigendom gebleven van [eiser] vader. 3.1. Naar aanleiding van de overdracht heeft op 28 februari 2001 een aanwijzing in het veld plaatsgevonden waarbij [eiser] , zijn vader en een medewerker van de bewaarder aanwezig waren. Van de aanwijzing is een relaas van bevindingen door de medewerker van de bewaarder opgemaakt. Deze medewerker heeft vervolgens op basis van het relaas van bevindingen veldwerk verricht waarbij hij de brongegevens, zoals de aanwijzing in het relaas van bevindingen en de akte van levering, heeft verwerkt op een kadastrale tekening. Met de meetgegevens die bij het relaas van bevindingen zijn gegenereerd is dus de schematische gevi De brondocumenten staan volgens de bewaarder niet meer ter discussie omdat [eiser] noch zijn vader daartegen bezwaar hebben gemaakt. Nu er geen discrepantie bestaat tussen de brondocumenten en de gegevens in de basisregistratie kadaster en er aldus geen sprake is van een kennelijke misslag, is er voor de bewaarder geen aanleiding om op grond van artikel 7t van de Kadasterwet de gegevens in de basisregistratie kadaster te herstellen. Toetsingskader 4. Artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet (zoals die wet ten tijde van de bestreden besluitvorming luidde) bepaalt, voor zover hier van belang, dat een belanghebbende, indien hij een gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster kan doen. De bewaarder is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een in de basisregistratie kadaster genoemd gegeven te herstellen. Dat doet de bewaarder op basis van authentieke gegevens. 5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan uit de wetsgeschiedenis van artikel 7t van de Kadasterwet worden afgeleid dat met deze bepaling is beoogd een regeling te bieden voor het op verzoek herstellen van misslagen in de basisregistratie kadaster. Een verzoek tot herstel kan gericht zijn tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig is geschied omdat de bijwerking niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het resultaat, zoals vermeld in de kennisgeving. Het verzoek kan niet gericht zijn tegen het resultaat van de bijwerking, dat aan de belanghebbende is medegedeeld. Daarnaast kan het ook gaan om een discrepantie tussen een brondocument en de basisregistratie kadaster. Het gaat er dan om of de in de basisregistratie kadaster vermelde gegevens berusten op een misslag. Onder een brondocument wordt verstaan een ingeschreven stuk of relaas van bevindingen. Oordeel rechtbank 6. De rechtbank stelt vast dat de vraag moet worden beantwoord of sprake is van een kennelijke misslag, omdat er sprake is van een verschil tussen de gegevens in het brondocument (het relaas van bevindingen van 28 februari 2001) en de gegevens in de basisregistratie kadaster. 6.1. [eiser] betwist niet de juistheid van de aanwijs en de inhoud van het relaas van bevindingen van 28 februari 2001. De rechtbank stelt daarom vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het relaas van bevindingen van 28 februari 2001 een juiste weergave vormt van de aanwijzingen die door [eiser] en zijn vader zijn gedaan, te weten: “verlengde kant muur, 1.50//schuur; 0,6//raster”. 6.2. In beroep betoogt [eiser] – samengevat – dat de inhoud van het relaas van bevindingen onjuist is geïnterpreteerd en verwerkt in de basisregistratie kadaster. Door de onjuiste lezing door de bewaarder van het relaas van bevindingen is er volgens [eiser] sprake van een verschil tussen de gegevens in het brondocument (het relaas van bevindingen) en de gegevens in de basisregistratie kadaster. Ter zitting heeft hij aan de hand van de tekening uitgelegd wat volgens hem de juiste uitleg van die gegevens zou moeten zijn. Hij wijt de onjuiste lezing van het brondocument aan het feit dat tussen het moment van het opmaken van het relaas van bevindingen en het veldwerk veel tijd is verstreken en voorts aan het feit dat zijn vader en hij niet aanwezig zijn geweest bij het veldwerk dat op 1 mei 2001 heeft plaatsgevonden. Hij is van mening dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet eerder heeft gewezen op de discrepantie omdat de bijwerking in de basisregistratie kadaster hem niet eerder ter kennis is gebracht. [eiser] stelt dat een juiste lezing van het relaas van bevindingen ertoe leidt dat de erfgrens niet door maar rondom het hoofdgebouw loopt dat ten tijde van de aanwijs aanwezig was. 6.3. De bewaarder heeft dit betwist en toegelicht dat geen t Omdat het de rechtbank niet is gebleken dat [deskundige] een misslag heeft gemaakt bij de inmeting van de grens tussen de percelen met nummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] overeenkomstig de aanwijs, slaagt het betoog van [eiser] niet. 6.8. Ook de stelling van [eiser] dat de bedoeling van zijn vader en hem anders is geweest, leidt niet tot de conclusie dat daarom het relaas van bevindingen onjuist is gelezen. Immers is niet gebleken dat die bedoeling, voor zover die zo is geweest als [eiser] heeft gesteld, ook duidelijk is of kan zijn geweest voor [deskundige]. Ook de verwijzing van [eiser] naar het aankoopbedrag van het perceel in relatie tot de waarde van het totale perceel leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van een evidente onjuiste lezing van het relaas van bevindingen door [deskundige] en de bewaarder. Voor [deskundige] en de bewaarder hoeven die feiten niet kenbaar dan wel relevant te zijn geweest laat staan de beweegredenen om die aankoopsom overeen te komen. 6.9. De rechtbank komt het geheel overziende tot het oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond dat er sprake is geweest van een onjuiste lezing van de aanwijs en [deskundige] daarop een misslag heeft begaan bij de inmeting van de kadastrale grenzen. De bewaarder heeft daarop kunnen overgaan tot bijwerking van de basisregistratie kadaster. Daaruit volgt dat de bewaarder terecht heeft geconcludeerd dat er geen discrepantie bestaat tussen het relaas van bevindingen en er ook geen sprake is geweest van een kennelijke misslag. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bewaarder terecht het verzoek van [eiser] om herstel van een gegeven in de basisregistratie kadaster heeft afgewezen. 6.10. De rechtbank overweegt voorts nog dat de bewaarder ter zitting heeft toegelicht dat na afloop van de aanwijzing aan [eiser] en zijn vader een kennisgeving van de aanwijzing, vergezeld met het relaas van bevindingen, is toegezonden. Een kadastrale kaart is niet aan [eiser] gestuurd. Vanwege het tijdsverloop en het verstrijken van de bewaartermijn kan thans ook niet meer achterhaald worden of [eiser] destijds een afschrift van de kadastrale kaart heeft ontvangen. Dit laat onverlet dat [eiser] destijds uit zichzelf om inzage had kunnen vragen en vervolgens bezwaar had kunnen maken tegen het besluit tot bijwerking van de kadastrale registratie. Dat [eiser] niet zelf bij de bewaarder het resultaat van de aanwijzing heeft opgevraagd, komt voor zijn rekening en risico. Tenslotte heeft [eiser] in beroep toegelicht dat [derde belanghebbende] in 2014 een grensreconstructie heeft verzocht voor de erfgrenzen tussen de percelen met perceelnummers [kadastrale aanduidingen 1] en [kadastrale aanduidingen 3] . Voor zover [eiser] toen geen kennis heeft genomen of gekregen van de intekening van de kadastrale grenzen, heeft hij daarvan in elk geval kennis wel kennis kunnen nemen toen hij in 2016 door [derde belanghebbende] in een civiele procedure is gedagvaard. [eiser] had eerder op de hoogte moeten en kunnen zijn van het resultaat van de aanwijzing om daartegen (verschoonbaar) rechtsmiddelen tegen aan te wenden. Nu hij dit niet heeft gedaan, is het besluit tot aanwijzing onherroepelijk geworden en kan de inhoud daarvan in deze procedure niet meer ter discussie staan. Het beroep slaagt ook daarom niet. Kon de bewaarder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en daarom afzien van horen? 7. [eiser] voert in beroep aan dat de bewaarder hem ten onrechte niet heeft gehoord naar aanleiding van zijn bezwaar. Volgens [eiser] waren zijn bezwaren voor de bewaarder blijkbaar niet goed duidelijk. Hij had daarom gehoord moeten worden in bezwaar vóórdat de bewaarder op zijn bezwaar kon beslissen. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de bewaarder van het horen van [eiser] heeft mogen afzien. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het b