Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-01-21
ECLI:NL:RBOVE:2026:232
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1181 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats], hierna: [eiser] (gemachtigde: mr. ing. M.J.M. Blankvoort MBA), en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle hierna: het college (gemachtigde: mr. S. Raab). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde partij A] en [derde partij B] uit [vestigingsplaats], hierna: [derde partij] (gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college heeft verleend aan [derde partij] voor het legaliseren van een opgericht bijgebouw. [eiser] is het niet eens met deze omgevingsvergunning en heeft daartegen beroep ingesteld. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning kon verlenen. Anders dan [eiser] betoogt is de behandeling van het bezwaar op de hoorzitting niet in strijd met de goede procesorde en heeft het college volledig op de aangevoerde bezwaargronden beslist. Het college heeft onderzocht of vergunningverlening in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor zover [eiser] betoogt dat het uitgevoerde bodemonderzoek gebrekkig is en het bijgebouw wordt opgericht in strijd met de geldende geluidzone, stuiten deze beroepsgronden af op het relativiteitsvereiste. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft met het besluit van 6 augustus 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een bijgebouw in de tuin bij de woning van [derde partij] aan de [adres partij B]. Met het bestreden besluit van 11 maart 2025 heeft het college het bezwaar van [eiser] gedeeltelijk gegrond verklaard, de omgevingsvergunning herroepen voor zover betreft het voorschrift uit bijlage 1 onder punt 3 van de omgevingsvergunning en deze aangevuld, en de omgevingsvergunning voor het overige in stand gelaten met een aangevulde motivering. 2.1. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [derde partij] hebben een schriftelijke reactie ingebracht. [eiser] heeft een nader stuk ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college vergezeld door [naam] en [derde partij] met hun gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. [eiser] woont op het adres [adres eiser]. Vanuit zijn woning heeft hij zicht op het perceel van [derde partij] , die wonen aan de [adres partij B]. Zij hebben in 2023 twee bouwwerken op hun perceel opgericht: een bouwwerk met een plat dak en een bouwwerk met een zadeldak. [eiser] kan zich niet verenigen met de komst van deze bouwwerken en heeft daarom het college verzocht om handhavend op te treden, nu de bouwwerken volgens hem illegaal zijn opgericht. Ten aanzien van het bouwwerk met een plat dak heeft het college handhavend optreden geweigerd, omdat - kort gezegd - het bouwwerk vergunningsvrij zou zijn. Het beroep van [eiser] in die procedure, met zaaknummer ZWO 24/4237, is gelijktijdig op zitting behandeld. De onderhavige zaak gaat over het bouwwerk met zadeldak. 3.1. Ten aanzien van het bouwwerk met zadeldak heeft het college op 19 maart 2024 aan [derde partij] het voornemen bekend gemaakt om handhavend op te treden. Volgens het college hebben [derde partij] een activiteit verricht zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen en het afwijken van het omgevingsplan zoals is bedoeld in de Omgevingswet (Ow). 3.2. Op 19 maart 2024 hebben [derde partij] een aanvraag ingediend om het bouwwerk met zadeldak te legaliseren. Op 6 augustus 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend. [eiser] het stedenbouwkundig beeld; b. de woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de parkeergelegenheid; e. de sociale veiligheid; f. de milieusituatie; g. de groenstructuur; en h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 6.4. Het college heeft van deze afwijkingsbevoegdheid gebruik gemaakt en in het bouwplanadvies beoordeeld of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hiervoor genoemde criteria. Het college heeft per onderdeel beoordeeld of medewerking kan worden verleend aan de ontwikkeling en geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als de vergunning onder voorwaarden wordt gegeven én een tuininrichtingsplan wordt uitgewerkt en ingediend. Aldus heeft het college, anders dan [eiser] betoogt, naar het oordeel van de rechtbank wel beoordeeld of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.5. Voor zover [eiser] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voldaan, volgt de rechtbank dat betoog niet. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. De rechtbank stelt vast dat [eiser] alleen heeft gesteld dat het college heeft verzuimd om bij de verlening van de omgevingsvergunning te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en geen concrete bezwaren heeft aangedragen ten aanzien van de criteria die het college heeft beoordeeld of ten aanzien van de beoordeling van die criteria. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende gesteld waarom het besluit van het college onvoldoende zou zijn gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt daarom niet. (c) Bodemkwaliteit 7. [eiser] betoogt dat het college het uitgevoerde bodemonderzoek van Hunneman Milieu - Advies B.V. en het advies van Omgevingsdienst IJsselland niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen omdat de onderzoeken gebrekkig zijn. Volgens [eiser] is de begrenzing van de onderzoeklocatie te klein vastgesteld. Gelet op de aanwezigheid in het verleden van het tankstation en onduidelijkheid over de aanwezigheid van ondergrondse tanks was een ruimere onderzoekslocatie noodzakelijk, aldus [eiser] . 7.1. Het college voert aan dat [eiser] geen tegenrapport heeft ingebracht waaruit de ondeugdelijkheid van het bodemonderzoek, dan wel het advies van de Omgevingsdienst IJsselland blijkt. Het college stelt dat er daarom geen aanleiding is om niet van de adviezen uit te gaan. Daarnaast stelt het college dat [eiser] zich beroept op een norm die de belangen beschermen van de gebruikers van het gebouw en niet van [eiser] . Om die reden staat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg aan vernietiging van het besluit, aldus het college. 7.2. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt. 7.3. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht een beroep doet op dit artikel. De rechtbank overweegt daartoe dat het (historisch) vooronderzoek bodem, vanwege de aanleiding en de aard van het onderzoek, is uitgevoerd ter bescherming van de belangen van [derde partij] als bewoners van het perceel en