Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-23
ECLI:NL:RBOVE:2026:2315
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,003 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2315 text/xml public 2026-04-30T18:00:23 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-23 346127 KG RK 26-159 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Wraking NL Zwolle Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2315 text/html public 2026-04-24T13:47:07 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2315 Rechtbank Overijssel , 23-04-2026 / 346127 KG RK 26-159 Wraking. De verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter in een eerdere zaak een uitspraak gedaan die niet zag op de inhoud van de zaak. Zij heeft daarmee volgens verzoeker geweigerd een beslissing te nemen over al hetgeen is gevorderd of verzocht en daardoor heeft zij in strijd met de wet gehandeld. De rechter stelt dat het wrakingsverzoek ongegrond is. Uit het feit dat zij in een eerdere zaak heeft geoordeeld dat het beroep van verzoeker ongegrond was en dat in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 dezelfde procespartijen betrokken zijn, kan niet worden afgeleid dat zij vooringenomen is. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. De wrakingskamer verklaart het verzoek ongegrond. beslissing RECHTBANK Wrakingskamer Zittingplaats Zwolle zaaknummer: 346127 KG RK 26-159 van 23 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats], verzoeker tot wraking. 1 De procedure 1.1. Op 19 maart 2026 heeft verzoeker een verzoek tot wraking gedaan van mr. E.C. Rozeboom, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak, geregistreerd onder ZWO 25/1653. 1.2. Verzoeker heeft op 26 maart 2026 verzocht om toezending van het proces-verbaal van de zitting en een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek ingediend. 1.3. Mr. Rozeboom heeft niet berust in de wraking en heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. 1.4. Op 24 maart 2026 zijn het proces-verbaal van het wrakingsverzoek en de reactie van mr. Rozeboom op het wrakingsverzoek aan verzoeker toegezonden. De verzending van deze stukken en de brief van verzoeker van 26 maart 2026 hebben elkaar gekruist. 1.5. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van verzoeker op 20 april 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: - verzoeker, vergezeld door [naam 1]; - mr. Rozeboom; - namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen: [naam 2] en [naam 3]. 2 De feiten 2.1. In het verleden heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen (hierna: het college) verzoeker opgedragen om mest en voerresten te verwijderen van zijn bedrijf, omdat die stoffen niet correct waren opgeslagen. Verzoeker heeft het college met een beroep op het gelijkheidsbeginsel vervolgens verzocht om ook handhavend op te treden tegen de opslag van (onder meer) mest op een ander perceel in de gemeente. Het college heeft verzoeker op 14 februari 2022 laten weten geen beslissing te zullen nemen op zijn verzoek tot handhaving, omdat verzoeker geen belang heeft bij een besluit op dat handhavingsverzoek, nu verzoeker geen last heeft van die mestopslag. Nadat verzoeker daartegen bezwaar had gemaakt, heeft het college bij besluit van 18 juli 2024 het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat het college volgens de Algemene wet bestuursrecht niet verplicht is om het bezwaar inhoudelijk te behandelen en te beoordelen. 2.2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juli 2024. Op 3 april 2025 heeft mr. Rozeboom dit beroep, geregistreerd onder ZWO 24/3158, ter zitting behandeld. Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft zij geoordeeld dat het college terecht heeft besloten om het handhavingsverzoek en het bezwaarschrift van verzoeker niet inhoudelijk te beoordelen en zij heeft het beroep van verzoeker daarom ongegrond verklaard. 2.3. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 heeft verzoeker gevraagd om een andere rechter, daarbij verwijzend naar de zaak met kenmerk ZWO 24/3158. 2.4. Mr. Rozeboom heeft het verzoek van verzoeker opgevat als een verzoek zich te verschonen in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653. Op 6 maart 2026 heeft de griffier in een brief aan verzoeker laten weten dat elke zaak door de behandelend rechter op zijn eigen merites wordt beoordeeld, dat mr. Rozeboom geen reden ziet om zich te verschonen en dat zij geen verschoningsverzoek zal indienen. 2.5. Op de zitting van 19 maart 2026 heeft verzoeker mr. Rozeboom vervolgens gewraakt. 3 Het wrakingsverzoek 3.1. Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. 3.2. In de zaak geregistreerd onder ZWO 24/3158 heeft mr. Rozeboom een uitspraak gedaan die niet zag op de inhoud van de zaak. Zij heeft daarmee volgens verzoeker geweigerd een beslissing te nemen over al hetgeen is gevorderd of verzocht en daardoor heeft zij in strijd met de wet gehandeld. 3.3. In de zaak geregistreerd onder ZWO 25/1653 is opnieuw een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan de orde en zijn dezelfde partijen, verzoeker en het college, betrokken. 4 Het standpunt van mr. Rozeboom 4.1. Mr. Rozeboom stelt dat het wrakingsverzoek ongegrond is. Uit het feit dat zij in een eerdere zaak heeft geoordeeld dat het beroep van verzoeker ongegrond was en dat in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 dezelfde procespartijen betrokken zijn, kan niet worden afgeleid dat zij vooringenomen is. 5 De beoordeling 5.1. De wrakingskamer moet oordelen of de rechter partijdig is of dat de rechter die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat een rechter vanwege zijn/haar aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij/zij vooringenomen is. 4.2 De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit partijdigheid of vooringenomenheid van mr. Rozeboom of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.3. Verzoeker baseert zijn vrees voor vooringenomenheid op de uitspraak van 14 mei 2025 van mr. Rozeboom in de zaak met kenmerk ZWO 24/3158. Verzoeker is van mening dat mr. Rozeboom in die zaak een uitspraak heeft gedaan die in strijd met de wet is. Bij verzoeker bestaat de vrees dat mr. Rozeboom opnieuw een, in zijn ogen, onjuiste beslissing zal nemen, omdat het in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 om dezelfde partijen gaat en, naar de mening van verzoeker, hetzelfde belang aan de orde is. De vermeende onjuistheid van de beslissing van 14 mei 2025 kan op zichzelf geen grond voor wraking opleveren. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van beslissingen die de rechter eerder heeft genomen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2020 heeft overwogen, moet een wrakingsgrond zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter van wie wraking is verzocht. Een vermeend onjuiste beslissing van de rechter kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek, indien die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden opgevat dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2315 text/xml public 2026-04-30T18:00:23 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-23 346127 KG RK 26-159 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Wraking NL Zwolle Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2315 text/html public 2026-04-24T13:47:07 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2315 Rechtbank Overijssel , 23-04-2026 / 346127 KG RK 26-159 Wraking. De verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter in een eerdere zaak een uitspraak gedaan die niet zag op de inhoud van de zaak. Zij heeft daarmee volgens verzoeker geweigerd een beslissing te nemen over al hetgeen is gevorderd of verzocht en daardoor heeft zij in strijd met de wet gehandeld. De rechter stelt dat het wrakingsverzoek ongegrond is. Uit het feit dat zij in een eerdere zaak heeft geoordeeld dat het beroep van verzoeker ongegrond was en dat in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 dezelfde procespartijen betrokken zijn, kan niet worden afgeleid dat zij vooringenomen is. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. De wrakingskamer verklaart het verzoek ongegrond. beslissing RECHTBANK Wrakingskamer Zittingplaats Zwolle zaaknummer: 346127 KG RK 26-159 van 23 april 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats], verzoeker tot wraking. 1 De procedure 1.1. Op 19 maart 2026 heeft verzoeker een verzoek tot wraking gedaan van mr. E.C. Rozeboom, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak, geregistreerd onder ZWO 25/1653. 1.2. Verzoeker heeft op 26 maart 2026 verzocht om toezending van het proces-verbaal van de zitting en een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek ingediend. 1.3. Mr. Rozeboom heeft niet berust in de wraking en heeft schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. 1.4. Op 24 maart 2026 zijn het proces-verbaal van het wrakingsverzoek en de reactie van mr. Rozeboom op het wrakingsverzoek aan verzoeker toegezonden. De verzending van deze stukken en de brief van verzoeker van 26 maart 2026 hebben elkaar gekruist. 1.5. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van verzoeker op 20 april 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen: - verzoeker, vergezeld door [naam 1]; - mr. Rozeboom; - namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen: [naam 2] en [naam 3]. 2 De feiten 2.1. In het verleden heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaksbergen (hierna: het college) verzoeker opgedragen om mest en voerresten te verwijderen van zijn bedrijf, omdat die stoffen niet correct waren opgeslagen. Verzoeker heeft het college met een beroep op het gelijkheidsbeginsel vervolgens verzocht om ook handhavend op te treden tegen de opslag van (onder meer) mest op een ander perceel in de gemeente. Het college heeft verzoeker op 14 februari 2022 laten weten geen beslissing te zullen nemen op zijn verzoek tot handhaving, omdat verzoeker geen belang heeft bij een besluit op dat handhavingsverzoek, nu verzoeker geen last heeft van die mestopslag. Nadat verzoeker daartegen bezwaar had gemaakt, heeft het college bij besluit van 18 juli 2024 het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat het college volgens de Algemene wet bestuursrecht niet verplicht is om het bezwaar inhoudelijk te behandelen en te beoordelen. 2.2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juli 2024. Op 3 april 2025 heeft mr. Rozeboom dit beroep, geregistreerd onder ZWO 24/3158, ter zitting behandeld. Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft zij geoordeeld dat het college terecht heeft besloten om het handhavingsverzoek en het bezwaarschrift van verzoeker niet inhoudelijk te beoordelen en zij heeft het beroep van verzoeker daarom ongegrond verklaard. 2.3. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 heeft verzoeker gevraagd om een andere rechter, daarbij verwijzend naar de zaak met kenmerk ZWO 24/3158. 2.4. Mr. Rozeboom heeft het verzoek van verzoeker opgevat als een verzoek zich te verschonen in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653. Op 6 maart 2026 heeft de griffier in een brief aan verzoeker laten weten dat elke zaak door de behandelend rechter op zijn eigen merites wordt beoordeeld, dat mr. Rozeboom geen reden ziet om zich te verschonen en dat zij geen verschoningsverzoek zal indienen. 2.5. Op de zitting van 19 maart 2026 heeft verzoeker mr. Rozeboom vervolgens gewraakt. 3 Het wrakingsverzoek 3.1. Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. 3.2. In de zaak geregistreerd onder ZWO 24/3158 heeft mr. Rozeboom een uitspraak gedaan die niet zag op de inhoud van de zaak. Zij heeft daarmee volgens verzoeker geweigerd een beslissing te nemen over al hetgeen is gevorderd of verzocht en daardoor heeft zij in strijd met de wet gehandeld. 3.3. In de zaak geregistreerd onder ZWO 25/1653 is opnieuw een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan de orde en zijn dezelfde partijen, verzoeker en het college, betrokken. 4 Het standpunt van mr. Rozeboom 4.1. Mr. Rozeboom stelt dat het wrakingsverzoek ongegrond is. Uit het feit dat zij in een eerdere zaak heeft geoordeeld dat het beroep van verzoeker ongegrond was en dat in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 dezelfde procespartijen betrokken zijn, kan niet worden afgeleid dat zij vooringenomen is. 5 De beoordeling 5.1. De wrakingskamer moet oordelen of de rechter partijdig is of dat de rechter die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat een rechter vanwege zijn/haar aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij/zij vooringenomen is. 4.2 De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit partijdigheid of vooringenomenheid van mr. Rozeboom of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kunnen worden afgeleid. Daartoe wordt als volgt overwogen. 4.3. Verzoeker baseert zijn vrees voor vooringenomenheid op de uitspraak van 14 mei 2025 van mr. Rozeboom in de zaak met kenmerk ZWO 24/3158. Verzoeker is van mening dat mr. Rozeboom in die zaak een uitspraak heeft gedaan die in strijd met de wet is. Bij verzoeker bestaat de vrees dat mr. Rozeboom opnieuw een, in zijn ogen, onjuiste beslissing zal nemen, omdat het in de zaak met kenmerk ZWO 25/1653 om dezelfde partijen gaat en, naar de mening van verzoeker, hetzelfde belang aan de orde is. De vermeende onjuistheid van de beslissing van 14 mei 2025 kan op zichzelf geen grond voor wraking opleveren. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van beslissingen die de rechter eerder heeft genomen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2020 heeft overwogen, moet een wrakingsgrond zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter van wie wraking is verzocht. Een vermeend onjuiste beslissing van de rechter kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek, indien die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden opgevat dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.