Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-04-23
ECLI:NL:RBOVE:2026:2278
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/2587 uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen landbouwbedrijf [eiseres] (hierna: de maatschap), uit [woonplaats], eiseres, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister), (gemachtigde: mr. M. Leegsma en mr. B. de Haan). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete op grond van de Meststoffenwet die de minister aan de maatschap heeft opgelegd. De maatschap is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de maatschap de gebruiksnormen op grond van de Meststoffenwet heeft overschreden en dat de minister de maatschap hiervoor een bestuurlijke boete mocht opleggen. De maatschap is er niet in geslaagd om tegenbewijs te leveren. De maatschap krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2.1. Bij besluit van 27 maart 2025 heeft de minister aan de maatschap een bestuurlijke boete van in totaal € 58.959,30 opgelegd vanwege overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke mest, de stikstofgebruiksnorm, de fosfaatgebruiksnorm, het verwerken van onvoldoende fosfaat voor de eigen mestverwerkingsplicht en het niet naar waarheid verstrekken van gevraagde gegevens. Met het bestreden besluit van 28 augustus 2025 op het bezwaar van de maatschap heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [naam 1] namens de maatschap, vergezeld van [naam 2] en bijgestaan door [gemachtigde] en namens de minister mr. M. Leegsma en mr. B. de Haan. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3.1. De maatschap exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [adres]. Het bedrijf is een melkveehouderij. 3.2. De minister heeft op grond van de Meststoffenwet voor het jaar 2022 een derogatievergunning verleend voor het gebruiken van meer mest op de bij de maatschap in gebruik zijnde percelen. Op 29 februari 2024 heeft bij de maatschap een controle plaatsgevonden door toezichthouders van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) . Bij deze controle is gecontroleerd op naleving van de gebruiksnormen en derogatievoorwaarden. Naar aanleiding van deze controle is een rapport opgesteld. 3.3. Naar aanleiding van dit rapport is op 6 juni 2024 een voornemen tot intrekking van de derogatievergunning voor 2022 en tot oplegging van een bestuurlijke boete op grond van de Meststoffenwet uitgebracht. Tegen dit voornemen is op 25 juni 2024 een zienswijze ingediend. Deze is nog dezelfde dag aangevuld met een berekening Bedrijfsspecifieke Excretie (hierna: BEX). 3.4. Bij het besluit van 27 maart 2025 heeft de minister de derogatievergunning voor 2022 ingetrokken en een bestuurlijke boete van in totaal € 58.959,30 opgelegd aan de maatschap. De maatschap heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 30 juni 2025 heeft de gemachtigde van de maatschap een aangepaste BEX ingebracht. Bij het bestreden besluit van 28 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar van de maatschap ongegrond verklaard. Inhoudelijke beoordeling 4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 51 van de Meststoffenwet kan de minister een bestuurlijke boete opleggen vanwege overtreding van de in dat artikel genoemde bepalingen van de Meststoffenwet. Op gr De maatschap heeft bij de minister op 25 juni 2024 een berekening bedrijfsspecifieke excretie (hierna: BEX) ingediend. Op 30 juni 2025 heeft de maatschap een aangepaste BEX ingebracht. Volgens de minister schieten de door de maatschap overgelegde berekeningen tekort. Naar aanleiding van de stelling van de maatschap dat de minister de aangepaste BEX had moeten accepteren, oordeelt de rechtbank dat de minister deze laatste BEX buiten beschouwing heeft mogen laten. Zo is in dit verband van belang dat sprake is van een onrealistisch hoge opbrengst aan snijmais per hectare. De stelling van de maatschap dat de grote hoeveelheid snijmais het gevolg is van een niet schriftelijk vastgelegde overeenkomst met een landbouwer, aan wie de maatschap mest levert en in ruil daarvoor mais ontvangt, blijkt niet uit de administratie van de maatschap. Het had op de weg van de maatschap gelegen om bewijsstukken met betrekking tot deze transactie te bewaren. Ook wekt de in de administratie vermelde hoeveelheid krachtvoer per einde kalenderjaar, te weten 1.000 kg, bevreemding nu uit de administratie van de maatschap tevens blijkt dat op 30 december 2022 nog 20.000 kg krachtvoer is geleverd. Het is ongeloofwaardig dat de door de maatschap gehouden runderen in de zeer korte tijd van 30 december 2022 tot het einde van de dag daarna 19.000 kg krachtvoer hebben opgegeten. Verder is sprake van een onwaarschijnlijk groot verschil tussen enerzijds de omvang van een graskuil op het perceel van de maatschap zoals deze door Eurofins is bepaald en anderzijds een luchtfoto van enkele maanden daarvoor. Het verschil tussen de door Eurofins bepaalde lengte van 21,5 meter en de lengte van 32,5 meter op de luchtfoto waar de minister zich op heeft gebaseerd is zo groot dat dit niet verklaarbaar is. De verklaring op de zitting van [naam 2] over de breedte, de hoogte en de hellinghoek van de zijkanten van de kuilbult, doet niet af aan het opmerkelijk verschil in lengte. Gelet op het geheel van deze omstandigheden heeft de minister de door de maatschap ingebrachte (aangepaste) BEX buiten beschouwing mogen laten. 4.9. Naar aanleiding van de stelling van de maatschap dat de minister de gebruiksruimte niet correct heeft bepaald door geen rekening te houden met een paardenbak van 0,94 ha. groot, overweegt de rechtbank dat onder gebruiksruimte wordt verstaan: de effectieve oppervlakte aan landbouwgrond. Omdat de paardenbak niet wordt gebruikt als voedingsbodem voor planten, heeft de minister de paardenbak terecht buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de gebruiksruimte van de maatschap. 4.10. De rapporten waarnaar de maatschap in de gronden van het beroep heeft verwezen, hebben een algemeen karakter en bevatten geen bedrijfsspecifieke gegevens. Ook verder heeft de maatschap geen bedrijfsspecifieke gegevens aangedragen waarmee aannemelijk is gemaakt dat de in het Uitvoeringsbesluit opgenomen forfaitaire normen in dit geval niet representatief zijn.. Hetzelfde geldt voor wat de maatschap heeft aangevoerd over gasvormige verliezen bij graasdieren. Niet is aangetoond dat de gasvormige verliezen bij het bedrijf van de maatschap groter zijn dan waarmee in de wettelijke forfaits rekening is gehouden. 4.11. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de maatschap de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, de gebruiksnorm voor stikstof en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden en daarmee heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7 van de Meststoffenwet. De minister was daarom bevoegd om de maatschap een bestuurlijke boete op te leggen. 4.12. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoogte van de boete in overeenstemming met het bepaalde in paragraaf 2 van titel 2 van hoofdstuk VIII van de Meststoffenwet heeft mogen bepalen. Er zijn geen gronden voor matiging van de opgelegde boete door de maatschap naar voren gebracht. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegd