Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-04-23
ECLI:NL:RBOVE:2026:2257
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Almelo Parketnummer: 08.027596.25 en 08.155607.22 (gev.ttz) (P) Datum vonnis: 23 april 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] , nu verblijvende in P.I. [verblijfplaats] . 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 mei 2025, 5 augustus 2025, 27 oktober 2025, 22 januari 2026 en van 09 april 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat in Maastricht, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangevoerd. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 08.027596.25 brand heeft gesticht; 08.155607.22 meerdere ruiten heeft vernield, beschadigd, dan wel onbruikbaar heeft gemaakt. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: 08.027596.25 hij op of omstreeks 1 januari 2025 aan het pand [adres 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp liggend voor de schuurdeur, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de schuur en/of de barberschop gevestigd in het pand en/of het vijftal (bewoonde) kamers boven het pand en de goederen in de schuur en/of barberschop en/of de (bewoonde) kamers, en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van de bovenliggende kamers en/of omliggende woningen, te duchten was; 08.155607.22 hij op of omstreeks 22 juni 2022 te Enschede opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [stichting] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/ofweggemaakt. 3 De bewijsmotivering 08.027596.25 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 1 januari 2025 omstreeks 4:50 uur staat een schuur aan de [adres 1] in brand. [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) is eigenaar van dit pand. De brand is metershoog en bevindt zich ter hoogte van de brandtrappen die leiden naar de kamers gelegen boven het pand. Op het moment dat verbalisanten ter plaatse komen, is de bovenkant van de schuurdeur volledig doorgebrand, zodat zij de schuur in kunnen kijken. Voor de deur van de schuur ligt een stapel brandend hout die op dat moment zwart en verkoold was. In de schuur stonden goederen die aan het branden waren. Door de brandweer wordt de brand geblust. De kamers gelegen boven het pand worden verhuurd aan verschillende personen. Uit screenshots van videobeelden blijkt dat om 04:43:29 uur geen brand zichtbaar is en dat een fiets in beeld komt. Om 04:47:29 uur is een flikkerende licht te zien van een brand die aan het ontstaan is. De fiets is verdwenen. Om 04:47:38 uur is te zien dat het licht intenser is geworden, doordat de brand feller is geworden. De tijdlijn voorafgaand aan de brand is als volgt. Op 31 december 2024 om 18:14 uur stuurt verdachte via de telefoonapplicatie Snapchat het volgende bericht aan [gebruikersnaam 1] : “Eeey maatje vraagje heb jij war benzinbbe?” In de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025, voorafgaand aan de brand, was verdachte in de directe 3.3.1 Bewijsoverwegingen en conclusie De rechtbank acht de verklaring van verdachte, die erop neerkomt dat hij niet betrokken is geweest bij de brandstichting, niet geloofwaardig. Uit de verklaring van [slachtoffer 3] leidt de rechtbank af dat verdachte kort voor de brand berichten heeft gestuurd naar hem met dreigende teksten, tevens belt hij meerdere keren naar het telefoonnummer van [slachtoffer 3] waarbij er geen gesprek tot stand komt. Kort daarna was er brand aan het pand van [slachtoffer 3] . Een paar dagen daarvoor heeft verdachte [naam 3] gewaarschuwd en gezegd dat hij misschien op Nieuwjaarsnacht vast zou komen te zitten. Ook leidt de rechtbank uit de telefoongegevens van verdachte, alsmede uit de verschillende afgelegde verklaringen, af dat verdachte zich ten tijde van de brand in de directe nabijheid van de [adres 1] bevond, hetgeen door verdachte ter terechtzitting is bevestigd. De rechtbank heeft geen redenen om de twijfelen aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [naam 8] en [naam 1] over verdachte en hecht daarbij waarde aan de omstandigheid dat deze getuigen spontaan op 21 januari 2025 deze verklaringen tegenover de politie hebben afgelegd en die later opnieuw hebben bevestigd bij de politie. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat verdachte tegen hen heeft gezegd dat hij de brand heeft gesticht. Beide getuigen zijn gehoord door de rechter-commissaris en zijn daar teruggekomen op hun eerdere verklaringen. De rechtbank zal deze verklaringen terzijde schuiven en de verklaringen van [naam 8] en [naam 1] die zij hebben afgelegd ten overstaan van de politie gebruiken voor het bewijs. Deze verklaringen zijn gedetailleerd en in lijn met de verklaringen die door de getuigen uit eigen beweging ter plaatse zijn afgelegd. De rechtbank heeft ook geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 7] over het verloop van de avond/nacht en de gebeurtenissen. Ook hecht de rechtbank waarde aan de omstandigheid dat verdachte na de tweede brand aan de [adres 1] aan twee personen heeft geschreven dat hij het dit keer niet heeft gedaan en dit keer geen flauw benul heeft. Voor deze belastende omstandigheden heeft verdachte geen enkele redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. De eerst ter terechtzitting afgelegde en daardoor niet verifieerbare verklaring van verdachte dat andere personen verantwoordelijk zijn voor de brandstichting en dat verdachte die nacht rondom de [adres 1] was om drugs te dealen acht de rechtbank ongeloofwaardig. Voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte de brand heeft gesticht. Gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander Door de politie werd tijdens de brand bij de schuurdeur een stapel hout aangetroffen die volgens een huurder van één van de kamers er niet eerder lag. Dit hout was volledig zwart en verkoold was, terwijl de voordeur nog brandde. Gelet hierop, gaat de rechtbank uit van een door verdachte aangestoken brand, waarbij de brandhaard is begonnen bij de stapel hout. Hiermee heeft verdachte zich opzettelijk schuldig gemaakt aan brandstichting. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de brand op een andere wijze is ontstaan dan door de brandstichting. De rechtbank acht bewezen dat door de brandstichting gemeen gevaar voor de in de schuur aanwezige goederen is ontstaan. In de schuur van [naam 4] zijn meerdere goederen aangetroffen die door de brandstichting (gedeeltelijk) zijn verbrand. Verder was het mogelijk dat de brand had kunnen uitbreiden, zich had kunnen ontwikkelen en of had kunnen overslaan naar de kamers boven het pand. De rechtbank is van oordeel dat ook sprake is geweest van levensgevaar voor personen. Redengevend hiervoor is onder meer dat de brandstichting is gepleegd bij een schuur in de directe nabijheid van bewoonde kamers boven het pand. Gelet op het tijdsverloop van de brand – uit camerabeelde 3.7 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen en in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat: 08.027596.25 hij op of omstreeks 1 januari 2025 aan het pand [adres 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans , opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp liggend voor de schuurdeur, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten de schuur en/of de barberschop gevestigd in het pand en het vijftal (bewoonde) kamers boven het pand en de goederen in de schuur en/of barberschop , en - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners van de bovenliggende kamers en/of omliggende woningen , te duchten was; 08.155607.22 hij op of omstreeks 22 juni 2022 te Enschede opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan het [stichting] , in elk geval aan een ander toebehoorden heeft vernield. , beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 157 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op: 08.027596.25 het misdrijf: Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; 08.155607.22 het misdrijf: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen. 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft in de zaak met parketnummer 08.027596.25 - gelet op de bepleite vrijspraak - primair geen strafmaatverweer gevoerd. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde straf van de officier van justitie te fors is en heeft de raadsman verwezen naar verschillende uitspraken van de rechtbank Overijssel in soortgelijke zaken waar lagere straffen werden opgelegd. In de zaak met parketnummer 08.155607.22 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat gezien artikel 6 EVRM er geen reden is om te komen tot een strafoplegging, althans geen substantiële straf zou moeten worden opgelegd. Ook is er geen reden voor extra straftoevoeging indien in de zaak met parketnummer 08.027596.25 een bewezenverklaring zou volgen. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De aard en ernst van de feiten Verdachte heeft in de vroege ochtend van 1 januari 2025 brand gesticht aan een schuur bij een pand. Boven het pand bevonden zich kamers die bewoond werden. Verdachte wist dat Een opname in een verslavingskliniek ( [locatie 1] ) in het kader van bijzondere voorwaarden verliep aanvankelijk goed, maar betrokkene hield zijn abstinentie niet vol. Ambulante hulpverlening kwam structureel niet goed van de grond bij betrokkene doordat hij afspraken niet na kwam en middelen bleef gebruiken. Betrokkene was in 2022 en 2023 regelmatig in beeld bij de politie. Hij was dan veelal onder invloed van middelen. In november 2022 sloot hij een klinische traumabehandeling positief af, waar hij alvorens een detoxopname moest ondergaan. Zijn klachten kwamen echter weer terug na een vechtpartij in september 2023, waarna betrokkene terugviel in het gebruik van GHB. In december 2023 werd betrokkene opgenomen bij het penitentiair ziekenhuis als detox van GHB, alvorens hij naar de EZV werd overgeplaatst. In januari 2024 hield betrokkene zich niet aan schorsingsvoorwaarden en vertoonde zelfbepalend, maar ook verward gedrag. Nadat betrokkene in juni 2024 uit detentie kwam, werd melding gemaakt over betrokkene omdat hij wederom vreemd en paranoïde gedrag vertoonde. Gedurende het onderhavige onderzoek is een beeld ontstaan van een man die ondanks zijn roerige jeugd zijn best doet om opgewekt te blijven en positief in het leven te staan, maar die bij (milde) tegenslag, onbegrip of indien (negatief) verrast al snel zijn emoties niet meer de baas is en dan afhankelijk raakt van externe regulering zoals de groepsleiding. Onderzoeker komt uit op ten minste een stoornis in het gebruik van meerdere middelen (GHB en cannabis). ADHD, een PTSS en een persoonlijkheidsstoornis kunnen niet met zekerheid worden vastgesteld of uitgesloten. Concluderend vertoont betrokkene antisociaal, maar vooral toenemend zorgelijk gedrag, lijdt hij aan een stoornis in het gebruik van ten minste GHB en cannabis en disfunctioneert hij inmiddels op alle levensgebieden. Het rapport, voor zover inhoudende beantwoording van de vraagstelling door de psycholoog en de psychiater gezamenlijk: Betrokkene heeft geen medewerking heeft verleend aan het PBC-onderzoek. Hierdoor bleef het onderhavige onderzoek zeer beperkt. Door zijn gebrek aan medewerking blijven belangrijke diagnostische vragen onbeantwoord. Niettemin is op basis van dossierinformatie en de beperkte informatie afkomstig van betrokkene een patroon zichtbaar van ernstig middelengebruik, met ten minste een GHB- en cannabisafhankelijkheid. Middelengebruik staat naar het zich laat aanzien centraal in zijn functioneren. Duidelijk is wel dat er sprake is van langdurig en overmatig middelengebruik vanaf de adolescentie, met periodes van onttrekkingsverschijnselen. Getuigenverklaringen en eerdere (reclasserings)rapportages wijzen op middelen geïnduceerde psychotische symptomen, waaronder een verstoorde realiteitstoetsing en impulsief, agressief gedrag, vooral in het kader van GHB-gebruik. Ten aanzien van cannabis blijkt uit vrijwel iedere detentieperiode dat hij positief test, waaronder bij binnenkomst in het PBC. Samengenomen is er van afstand beschouwend in ieder geval sprake van ernstige verslavingsproblematiek, waarbij GHB- en cannabisgebruik op de voorgrond staan. Classificerend kan in ieder geval worden vastgesteld dat sprake is van een stoornis in het gebruik van GHB en een stoornis in het gebruik van cannabis. Door de duurzame aard van deze verslavingen is aannemelijk dat zij ook bestonden in de periode van het hem ten laste gelegde. Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 19 februari 2026. Dit rapport houdt – voor zover van belang – het volgende in. Betrokkene kent een uitgebreide justitiële documentatie met een delictpatroon aan geweldsdelicten. Vanwege het zorgelijke delictpatroon en het gedrag van betrokkene wordt hij besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis Twente. Op basis van zijn delictverleden ziet de reclassering onverminderd hoge risico's op recidive en letsel, zoals wij dit in mei 2024 ook omschreven in een reclasseringsadvies: deze risico's kunnen in Is sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens? De rechtbank constateert op basis van de hiervoor genoemde rapportages die over verdachte zijn opgemaakt, dat bij verdachte reeds jaren sprake is van hardnekkige verslavingsproblematiek, waarbij GHB- en cannabisgebruik op de voorgrond staan. Verdachte is tot op heden niet succesvol behandeld hiervoor. Sinds 2016 probeert verdachte af te kicken van drugs, de jaren daarna valt verdachte echter steeds weer terug in middelengebruik. Behandeling en hulpverlening komen niet van de grond. Verdachte is regelmatig in beeld bij de politie en er worden zorgelijke signalen gezien op het gebied van agressie- en emotiehantering, middelengebruik en eerdere perioden van realiteitstoetsingsproblematiek, mogelijk in samenhang met middelengebruik. In vrijwel iedere detentieperiode test verdachte positief op het gebruik van cannabis, waaronder ook bij binnenkomst in het PBC. De rechtbank komt op grond van het rapport van de psychiater en de psycholoog en hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft geconstateerd tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van een langdurige en ernstige stoornis in het gebruik van GHB en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. Ook tijdens het begaan van de brandstichting bestonden deze stoornissen. De rechtbank neemt de conclusies van de onderzoekers op dit punt over. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank een verband vast tussen de gelijktijdigheid van de stoornis en het delict. Verpleging van overheidswege Vastgesteld wordt dat de bewezen verklaarde brandstichting een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr, waarvoor de maatregel terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat bij verdachte sprake is van een langdurig patroon van antisociaal gedrag, reeds vanaf jonge leeftijd, zoals dat onder andere blijkt uit zijn strafblad. Verdachte laat daarmee zien niet in staat te zijn zich aan de wet (en sociale normen) te houden. Hij vertoont gedrag dat zich kenmerkt door prikkelbaarheid of agressiviteit, zoals blijkt uit herhaaldelijke geweldsdelicten. Ondanks veroordelingen recidiveert verdachte. Verdachte disfunctioneert inmiddels op alle levensgebieden en laat het beeld zien van een man met psychische en sociale kwetsbaarheid, die moeite heeft om zonder intensieve begeleiding stabiel en abstinent te blijven. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Op basis van het delictverleden ziet de reclassering onverminderd hoge risico's op recidive en letsel. Op basis van de justitiële documentatie van verdachte ziet de rechtbank ook een risico in verharding en verergering van de delicten die verdachte pleegt. Deze risico's kunnen in een ambulant kader niet afdoende gewaarborgd worden. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. Een langdurige klinische opname gericht op trauma en verslaving wordt als enige resterende en meest passende optie gezien. Verdachte is niet bereid mee te werken aan recente diagnostiek voor vrijwillige hulpverlening of een forensische behandeling in een ambulant kader. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van recidivegevaar. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde brandstichting en hetgeen is gebleken over de persoon van de verdachte, uit veiligheidsoogpunt voor anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het niet verantwoord is dat verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. De behandeling moet erop gericht zijn om dit gevaar weg te nemen of in belangrijke mate te reduceren. In de volhardende weigering van verdachte om zijn medewerking te verlenen aan onderzoek naar zijn persoon en zijn volhardende ontkenning van het bewezenverklaarde feit (brandstichting), de persoon van verdachte en zijn justitiële voorgeschiedenis, daaronde Ten aanzien van de vordering van [stichting] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen aangezien de gevorderde schade niet is onderbouwd. 7.4 Het oordeel van de rechtbank [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] Volgens artikel 51f Sv kan alleen degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich voegen als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding indienen. De benadeelde partij kan volgens artikel 51a Sv alleen ontvankelijk zijn als (onder meer) aan de voorwaarde wordt voldaan dat aan de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat door het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 08.027596.25, geen rechtstreekse schade is toegebracht aan de benadeelde partij. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet gebaseerd op de brand van 1 januari 2025, maar op één van de latere branden die maand. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. [naam 4] en [stichting] De rechtbank is van oordeel dat gevorderde schade onvoldoende is komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de gevorderde schade alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. 8 De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37b en 58 Sr. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; strafbaarheid feiten - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 08.027596.25 het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; 08.155607.22 het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen; strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren ; - bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; maatregel - gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd ; schadevergoeding - bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; - bepaalt dat de benadeelde partij [naam 4] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; - bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; - bepaalt dat de benadeelde partij [stichting] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dit vonni Ik werd op 3 januari gebeld door de buurman van nummer [nummer 1] van dit pand. Ik hoorde hem zeggen dat hij rookschade had en dat de brandweer zijn deur had moeten forceren om binnen te komen. Er was bij hem geen brand geweest maar wel veel rook. Ik ben naar mijn pand gegaan en zag ik via de achterkant van het pand dat er brandschade was in de garage. Deze garage is verhuurd aan [naam 4] . Toen ik hem belde hierover bleek hij al op de hoogte. Ik zag dat de binnenkant van de garage helemaal zwart was en de achterdeur was geforceerd. 5 Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 3] van 15 januari 2025, pagina 58, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van slachtoffer: Ik kan u vertellen dat ik via de Whatsapp bedreigd ben door [verdachte] . De politie heeft reeds screenshots van dit gesprek gemaakt. Deze berichten zijn van 1 januari omstreeks 4:30 uur. Ze komen van het nummer [telefoonnummer] . Kort na de bedreigingen van [verdachte] is er brand gesticht bij een schuur van een pand van mij aan de [adres 2] . [afbeelding] [afbeelding] 6 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 11 februari 2025 , pagina’s 178 en 83, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisant: Betreft: Analyse toestel Samsung verdachte [verdachte] , [gebruikersnaam 2] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] [afbeelding] 7 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 22 januari 2025, pagina 68, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever: Ik woon aan de [adres 1] . Dit betreft kamerverhuur. Achter het pand staat een garage. De garage is van [slachtoffer 3] . Het pand is ook van hem. Ik huur het van hem. Op 31 december 2024, omstreeks 23:00 uur, vertrok ik op de fiets naar mijn vriendin om oudjaarsavond uit te zitten. Omstreeks 5:00 uur kwam ik terug. Ik zag toen dat er twee agenten bij de garage stonden. Ik zag hoge vlammen bij de garage weg komen. Eén van de agenten hield mij tegen, ik mocht niet bij de garage komen. De agent zei tegen mij dat iemand een matras in de brand had gestoken en tegen de deur had gelegd. De deur is het meest brandbare punt van de garage, de rest is steen. Uiteindelijk heeft de brandweer het vuur geblust. Ik heb toen gekeken. Er is veel materiele schade. Drie draagbalken zijn aangetast door het vuur. Een Aprillia-scooter, gereedschappen, onderdelen van een auto en een stappelaar zijn allemaal beschadigd. 8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] , van 29 januari 2025, pagina’s 76 en 78, voor zover inhoudende als verklaring van getuige: V: Je hebt aangifte gedaan van brandstichting. Waar was je zelf met oud en nieuw? A: Ik was bij mijn vriendin. V: Er zijn een aantal mensen die zeggen dat jij daar ook was om 12 uur in de nacht. A: Dat kan ik niet zijn geweest. Ik ben er wel in het begin van de avond geweest rond een uur of 7. V: Er zijn ook mensen die [naam 9] en [verdachte] hebben gezien. A: Ja dat kan die zaten bij elkaar op de slaapkamer. V: Van wanneer zijn die beelden? A: Die foto waar je twee personen op ziet staan (1 op een step en 1 andere met een witte capuchon) dat tijdstip is 03.53 uur. Die beelden heb ik van [naam 10] gekregen. Deze foto is bij ons in het steegje. 9 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 11 februari 2025 , pagina’s 82 en 83, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant: In proces-verbaal voorzien van proces-verbaalnummer: 25 (Getuigenverklaring van [naam 4] ) wordt over een screenshot gesproken welke hij via whatsapp ontvangen heeft van de heer [naam 11] . Toen ik telefonisch contact had opgenomen met [naam 11] hoorde ik hem zeggen dat hij de screenshot op woensdag 1 januari 2025 om 19.45 uur naar getuige [naam 4] had gestuurd middels whatsapp. Ik hoorde dat hij het screenshot had genomen van de bewegende RING-deurbelcamera. Ook Ik schat dat het tussen 01.00 en 02.00 uur moet zijn geweest, maar daar kan ik was naast zitten. We liepen toen naar beneden. Ik pakte toen mijn step en hij pakte toen zijn fiets. Hij zei toen dat hij nog iets moest doen. Ik ben toen gestept naar een hoek in die steeg en heb even op hem gewacht. Dat was om de hoek in die andere steeg. Ik kan mij ook nog herinneren dat ik het geluid hoorde van een raam die kapot werd geslagen of geschopt. Op een gegeven moment kwam [verdachte] er aan gefietst en zei dat ik moest steppen.V: Was hij in paniek of iets dergelijks?A: Nee, dat niet maar het was wel aan hem te merken dat hij haast had. Toen we op de fiets zaten werd hij nog gebeld door die [naam 9] . [verdachte] zei mij even later dat [naam 9] had gezegd dat het mooi blauw stond en dat het mooi aan de gang was. Ik vermoedde al wel dat er brand was gesticht. 14 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] , van 5 februari 2025, pagina’s 134 t/m , voor zover inhoudende als verklaring van getuige: O: We willen je een foto tonen. Foto uit [bestandsnaam]V: Wie zijn dit?A: De rechter (de man met de capuchon) ben ik en de man die mijn step vast heeft is [verdachte] . Ik zie duidelijk dat dit mijn jas is met de capuchon.V: Waar herken je [verdachte] aan?A: Ik weet dat ik dat ben dus die andere moet [verdachte] ! zijn. Ik heb daar met niemand andersgelopen. Maar als ik [verdachte] zou moeten herkennen op deze foto kan ik dat niet Ik weet gewoon zeker dat hij het is, niemand anders was met ons in die steeg.V: Dit zijn beelden van oud en nieuw.A: KloptV: [verdachte] komt daarna en zegt kom wegwezen.A: Ja hij zei iets in de trend van het is hier mooi bezig. Hij was aan het bellen. 15 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 11 februari 2025 , pagina’s 107 en 83, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisant: Van 21 januari 2025 op 22 januari 2025, was ik, verbalisant, in de nachtelijke uren, werkzaam bij de brandstichting aan de [adres 1] . Ik zag dat aan de overzijde van de weg een aantal mannen bij elkaar stonden. Een van die mannen herkende ik als [naam 1] . Bij hem stonden onder andere de eigenaar van het voornoemde pand [slachtoffer 3] en een man die mij later opgaf te zijn [naam 8] . Aldaar gaf hij aan dat hij wist dat [verdachte] de branden had gesticht Dit had [verdachte] zelf tegen hem gezegd. Even later kwam er een man bij mij staan die opgaf te zijn [naam 8] . Hij verklaarde dat hij getuige was geweest van de zojuist gepleegd brandstichting. Ook had [verdachte] tegen hem en [naam 1] gezegd dat hij de eerste brand, betreffende het schuurtje van het pand, had gesticht 16 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 8] , van 22 januari 2025, pagina’s 124 t/m 130, voor zover inhoudende als verklaring van getuige: A: Toen hebben [naam 1] en ik beiden gezegd we gaan babbelen. En daarvoor zit ik nu aan te geven dat [verdachte] degene is die de brand heeft gesticht, alle vier de keren. Vanaf de eerste brand wist ik dus al dat [verdachte] de dader was. Dat wist ik al een hele tijd.Hij heeft dit zelf tegen me gezegd. En ook tegen [naam 1] en ook nog tegen anderenV: Wat kun je precies vertellen over hoe jij weet dat het [verdachte] is die de dader van de branden is?A: Het complete plaatje. Hij heeft zelfs in mijn eigen huis aan mij verkondigd dat hij dit heeft gedaan. Hij doet er ook nog stoer om, dat hij dit heeft gedaan.V: Weet je nog precies wat hij gezegd heeft?A: Alle details niet, maar wel dat hij gezegd Ik heb dat spul daar in brand gestoken. Dat krijgen ze ervan als je met mij lopen fucken.O: Klopt het dan dat [verdachte] het jouw na de eerste en tweede brand heeft verteld. En na de derde en vierde?A: Het klopt. Bij de eerste en tweede brand heeft hij dit zelf verteld. V: Kun je me vertellen over de eerste brand? Wat je daar op dat filmpje hebt gezien?A: De eerste keer zag ik dat hij iets spoot, ik zag dat hij het aanstak en dat hij daarna nog een keer spoot met een bepaalde vloeistof.