Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-04-21
ECLI:NL:RBOVE:2026:2203
RECHTBANK OVERIJSSEL Team Strafrecht Meervoudige kamer Zittingsplaats Zwolle Parketnummer: 08/351782-24 (P) Datum vonnis: 21 april 2026 Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats], wonende aan de [adres]. 1 Het onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 april 2026. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer] en door mevrouw [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland is aangevoerd. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), dan wel de zware mishandeling van die [slachtoffer], dan wel een poging tot de zware mishandeling van die [slachtoffer]. Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat: zij op of omstreeks 2 november 2024 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) één of meerdere malen in de (onder)buik, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 2 november 2024 te Zwolle aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) steek en/of snijwond in de (onder)buik en/of bloed in de buikholte en/of vrij vocht in de buik en/of een bloeding uit een zijtak van de liesslagader en/of een bloeduitstorting in de buikhuid, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) één of meerdere malen in de (onder)buik, althans het lichaam, te steken en/of te snijden; meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 2 november 2024 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (met kracht) één of meerdere malen in de (onder)buik, althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 3. De bewijsmotivering 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven door hem in de onderbuik te steken. Gelet op het gebruik van een mes en de plek van het steken heeft verdachte bewust het risico genomen dat [slachtoffer] zou kunnen komen te overlijden. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde, nu uit de letselrapportage niet blijkt dat verdachte door het ontstane letsel een aanmerkelijke kans had op overlijden. Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Feiten en omstandigheden [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 2 november 2024 in Zwolle met zijn vriend [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) naar het huis van verdachte is gegaan om bier te drinken en dat [getuige 2] daar ook was. Verdachte wordt uit het niets heel kwaad en schreeuwt dat hij de woning moet verlaten. Dan ziet [slachtoffer] dat verdachte in de keuken staat en een keukenmes van ongeveer 20 centimeter vasthoudt. Ze raakt met het mes met kracht zijn onderbuik en hij ziet direc Het bewezen verklaarde levert op: primair het misdrijf: poging tot doodslag 5 De strafbaarheid van verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit. 6 De op te leggen straf of maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod met [slachtoffer]. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat het geschorst bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit, rekening houdend met de (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf. De raadsman heeft verzocht bij de voorwaardelijke straf de voorwaarden op te leggen zoals de reclassering deze heeft geadviseerd. 6.3 De gronden voor een straf of maatregel Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang. De ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag, door [slachtoffer] te steken met een mes. Verdachte heeft daarmee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Naast het lichamelijke letsel en het grote blijvende litteken dat [slachtoffer] heeft opgelopen, leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Uit de onderbouwing van de schadevordering blijkt dat het incident bij [slachtoffer] emotionele sporen heeft nagelaten. [slachtoffer] voelt zich onveilig en zijn vertrouwen in andere mensen is sterk verminderd. Een feit als dit zorgt bovendien voor maatschappelijke onrust en heeft invloed op het veiligheidsgevoel van de samenleving in het algemeen.. De persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 19 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de pro Justitia rapportage die is opgesteld op 19 maart 2025 door drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psycholoog. De psycholoog beschrijft verdachte als een vrouw met een posttraumatische stressstoornis en de depressieve klachten die daarmee samenhangen. Haar stoornis heeft haar gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed ten tijde van het ten laste gelegde. Doordat [slachtoffer] haar onverwacht aanraakte en er een worsteling ontstond kreeg verdachte een enorm gevoel van angst en paniek en voelde zij zich heel erg bedreigd. Het gezicht van [slachtoffer] leek opeens op een gezicht uit haar dromen en daardoor dacht ze dat hij haar ging vermoorden. Door de stressstoornis kwam een snel opkomend gevoel van bedreigd zijn en een verhoogde alertheid die deed denken aan eerdere traumatische gebeurtenissen. Verdachte kan zich het steken met een mes niet meer bewust herinneren. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde in een (sterk) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog schat het risico op recidive in als laag tot matig en adviseert een ambulante behandeling binnen een forensische context om te werken aan de symptomen die voortvloeien uit de posttraumatische stressstoornis. Ten slotte heeft de Hij heeft tot op heden last van beperkingen in zijn fysieke belastbaarheid. De rechtbank komt op grond van deze onderbouwing tot de vaststelling dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank stelt de immateriële schade, naar billijkheid vast op € 3.000,00. 7.5 De schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 32 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. 8 De toegepaste wettelijke voorschriften De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b en 14c Sr. 9 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring - verklaart bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven; - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij; strafbaarheid feit - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: primair het misdrijf: poging tot doodslag strafbaarheid verdachte - verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezen verklaarde; straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden ; - bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen: - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen: - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: - zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht; - zich ambulant laat behandelen door de forensische polikliniek [locatie 3] of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels en de aanwijzingen die door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven; - meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te monitoren en te beheersen, waarbij de reclassering urine- en ademonderzoek kan gebruiken voor de controle, zo lang de reclassering dit nodig acht; - draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebrach