Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-04-20
ECLI:NL:RBOVE:2026:2143
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/407 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: J.R. Beukema), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: J. van Dalfsen), en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV naar aanleiding van de melding van eiser dat hij zich toegenomen arbeidsongeschikt acht in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV stelt dat er geen sprake is van een relevante toename. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft een aantal eigen deskundigen ingeschakeld om zijn standpunt te onderbouwen. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de medische informatie zoals door eiser in beroep overgelegd onvoldoende heeft weerlegd. Eiser heeft met deze informatie voldoende twijfel gezaaid over de juistheid van het medisch oordeel van het UWV. Eiser krijgt gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft zich op 28 maart 2023 bij het UWV gemeld in het kader van een herbeoordeling vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 20 maart 2023Bij besluit van 31 juli 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid is gewijzigd en thans 52,59% bedraagt. Hij krijgt vanaf 31 augustus 2023 een vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), waarbij hij is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.Eiser heeft tegen dit besluit op 30 augustus 2023 een bezwaarschrift ingediend. Met het bestreden besluit van 4 december 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser is vanaf 1 augustus 2008 gedurende 39,77 uur per week werkzaam geweest als [functie] in dienst van Akzo Nobel Car Refinishes. Op 2 september 2019 was hij betrokken bij een verkeersongeval waarbij hij stilstond met zijn auto en van achteren is aangereden. Eiser heeft zich op 3 september 2019 ziekgemeld. Op 3 juni 2021 heeft eiser een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eiser met een besluit van 8 november 2021 een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend met ingang van 31 augustus 2021. Eiser is voor 50,36% arbeidsongeschikt geacht. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar heeft het UWV bij besluit van 15 maart 2022 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. In verband met het einde van eisers loongerelateerde WGA-uitkering heeft het UWV bij besluit van 23 mei 2023 eisers uitkering met ingang van 31 augustus 2023 voortgezet als WGA-vervolguitkering. Eiser is daarbij (vooralsnog) ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder het kopje “procesverloop". Standpunt van het UWV 4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen sprake is van een medisch te objectiveren verslechtering. De belastbaarheid van eiser is nog steeds gelijk aan de belastbaarheid zoals die is vastgesteld op 12 oktober 2021 en is neergelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van die datum. Volgens de verzekeringsarts geldt deze belastbaarheid zowel op 20 maart Hierin worden bij eiser afwijkingen gevonden op het gebied van verdelen aandacht en volhouden van aandacht, concentratie gedurende de dag en tempo. In reactie op de vraag in hoeverre het aannemelijk is te achten dat de door de NPO onderzoeker geconstateerde problematiek ook van toepassing was op datum in geding (28 maart 2023) is het volgende geantwoord: “ Dat is mijns inziens zeer aannemelijk: alle gegevens overziend kan worden gesteld dat er bij betrokkene sinds het ongeval in september 2019 en tot op heden sprake is van een combinatie van aanhoudende pijnklachten, cognitieve klachten en energetische klachten. Een multidisciplinair revalidatietraject in 2020 heeft wel geleid tot meer inzicht en een betere energieverdeling, maar niet tot merkbare verbeteringen op functioneel niveau ”.Voorts heeft eiser een rapportage en een aanvullende rapportage van neuroloog Niewold overgelegd van februari en augustus 2025 waaruit aanvullende beperkingen volgen. 11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op de resultaten van het NPO gereageerd bij rapportage van 1 oktober 2024. Hij heeft daarbij aangegeven dat de uitkomst van het NPO geen reden is om de door de primaire verzekeringsarts opgestelde en de door hem bevestigde FML te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarom ook geen reden om alsnog een urenbeperking toe te kennen. In de rapportage van 13 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich nogmaals op het standpunt gesteld dat een verslechtering van eisers medische klachten niet is geobjectiveerd. Medische beoordeling. 12.1 De rechtbank is van oordeel dat de medische beoordeling zoals door het UWV vastgesteld in het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank is van oordeel dat de informatie uit het NPO en de rapportages van Niewold onvoldoende door het UWV zijn weerlegd in de aanvullende medische rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2024 en 13 mei 2025. Hierdoor bestaat twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het UWV. 12.2 De rechtbank wijst er daarbij ten eerste op dat een NPO van belang kan zijn om het cognitief functioneren volledig in kaart te brengen. Dit wordt door het UWV blijkens rechtspraak ook erkend. Volgens vaste rechtspraak hebben cognitieve tekorten die bij een NPO worden vastgesteld, voor de beantwoording van de vraag of voor de toepassing van de arbeidsongeschiktheidswetten sprake is van relevante arbeidsbeperkingen, slechts betekenis indien die cognitieve tekorten in een medisch-specialistisch rapport kunnen worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. Niet in geschil is dat bij eiser sprake is van klachten die het gevolg zijn van een whiplashtrauma, zijnde een medisch vastgestelde stoornis. Aan de bevindingen van de het NPO is te weinig waarde toegekend omdat de klachten van eiser te herleiden zijn tot dit whiplashtrauma. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.Gesteld noch gebleken uit het NPO is dat sprake zou zijn van aggraveren of onderpresteren. Er is daarom geen reden om op voorhand vanwege die reden de resultaten terzijde te schuiven.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat de uitkomsten van het NPO in grote lijnen consistent moeten zijn met het dagelijks functioneren van de onderzochte persoon. De rechtbank constateert dat daar sprake van is, gelet op eisers dagverhaal en de andere beschikbare medische informatie.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat gebleken is dat eiser 's ochtends aanzienlijk beter presteerde dan ’s middags tijdens het NPO. Hij stelt zich vervolgens op het standpunt dat dit niet het geval zou zijn geweest wanneer er organische schade aan het verminderde presteren ten grondslag ligt. Niewold heeft echter een andere verklaring gegeven voor dit verminderde presteren; namelijk dat door de slaapproblematiek van eiser 's nachts er overdag slaapbehoefte is en in de middag vermoeidheid ontstaat. Deze vermoeidheid wordt mede in de hand gewerkt door toenemende