Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-14
ECLI:NL:RBOVE:2026:2043
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,025 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2043 text/xml public 2026-04-17T18:00:13 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-14 ak_24_4227 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2043 text/html public 2026-04-15T10:44:46 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2043 Rechtbank Overijssel , 14-04-2026 / ak_24_4227 Wet waardering onroerende zaken. Beroep tegen twee besluiten van de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat hij uitstel van de betaling had gekregen. Besluiten zien niet op een verzoek om kwijtscheldiing. Beroep ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/4227 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en de heffingsambtenaar van het GBLT, de heffingsambtenaar (gemachtigde : mr. K.M.H. de Boer). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 oktober 2024 en van 1 november 2024. 1.2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 24 februari 2023 voor het belastingjaar 2023 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd ten bedrage van € 1009,08 en hem op 29 juni 2024 een aanmaning gezonden, omdat belanghebbende de aanslag van 24 februari 2023 niet had betaald. Daarbij heeft de heffingsambtenaar € 19,- aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende heeft op 3 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de kosten van de aanmaning. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende met het besluit van 31 oktober 2024 ongegrond verklaard. 1.3. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 24 februari 2024 voor het belastingjaar 2024 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd ten bedrage van € 674,47. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 24 februari 2024. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende met het besluit van 1 november 2024 ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de besluiten van 31 oktober 2024 en van 1 november 2024 op 6 december 2024 beroep ingesteld. Hij heeft op 24 maart 2026 aanvullende gronden van beroep ingediend. 1.5. De heffingsambtenaar heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift ingediend. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 24 februari 2023 voor belastingjaar 2023 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd, onder aanslagnummer [nummer 1]. Belanghebbendes bezwaar is bij besluit van 20 juli 2023 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft wegens niet-betalen van de aanslag € 19,- aanmaningskosten in rekening gebracht en heeft bij besluit van 31 oktober 2024 het bezwaar tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. 3. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 24 februari 2024 voor belastingjaar 2024 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd, onder aanslagnummer [nummer 2]. Belanghebbendes bezwaar is bij besluit van 1 november 2024 ongegrond verklaard. 4. Belanghebbende heeft op 6 december 2024 beroep ingesteld tegen beide besluiten. Het beroepschrift betreft: ‘ afwijzing kwijtschelding aanslagnrs. [nummer 1] en [nummer 2]’. Uit het beroepschrift blijkt dat belanghebbende een langlopend geschil heeft met het GBLT. Hij verzoekt de rechtbank om hem in het gelijk te stellen en het GBLT op te dragen hem kwijtschelding te verlenen. Belastingjaar 2023: aanslagnummer [nummer 1] 5. Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. Belanghebbende gaat in de gronden van zijn beroep niet in op de aanmaningskosten en stelt evenmin dat en waarom de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft een bijlage (bijlage 3) ingediend op grond waarvan hij meent dat hij uitstel van betaling heeft gekregen van het GBLT. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in het bestreden besluit terecht het standpunt inneemt dat belanghebbende met genoemde bijlage niet heeft aangetoond dat hij voor aanslagnummer [nummer 1] uitstel van betaling heeft gekregen. De brief in bijlage 3 ziet immers op aanslagnummer [nummer 3]. Nu belanghebbende niet heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat hij voor aanslagnummer [nummer 1] uitstel van betaling heeft gekregen, heeft de heffingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening gebracht. 5.2. Met zijn beroep verzoekt belanghebbende de rechtbank tevens om het GBLT op te dragen hem kwijtschelding te verlenen. Het bestreden besluit is echter geen besluit dat ziet op een verzoek om kwijtschelding. Louter ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, als het besluit wél een afwijzing van een kwijtscheldingsverzoek had ingehouden, de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen zo’n besluit. Belastingjaar 2024: aanslagnummer [nummer 2] 6. Onder aanslagnummer [nummer 2] is aan belanghebbende opgelegd de aanslag gemeente- en/of waterschapsbelastingen voor belastingjaar 2024. In zijn bezwaarschrift van 25 maart 2024 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om kwijtschelding ingediend. De heffingsambtenaar heeft bij besluit van 1 november 2024 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het verzoek om kwijtschelding heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een kwijtscheldingsformulier gestuurd. 6.1. In beroep verzoekt belanghebbende aan de rechtbank om het GBLT op te dragen hem kwijtschelding te verlenen. Het besluit van 1 november 2024 is echter geen besluit dat ziet op een verzoek om kwijtschelding. Louter ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, als het besluit wél een afwijzing van een kwijtscheldingsverzoek zou betreffen, de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen zo’n besluit. De aanvullende gronden van beroep 7. In de aanvullende gronden van beroep doet eiser een verzoek om uitstel van betaling onder zekerheidsstelling. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt evenmin een vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Timmerman, griffier. griffier rechter Uitgesproken op De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De aanslag van 28 februari 2021 voor het jaar 2021. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1 van de in de Awb opgenomen Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak en artikel 26 van de Invorderingswet 1990.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2043 text/xml public 2026-04-17T18:00:13 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-14 ak_24_4227 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2043 text/html public 2026-04-15T10:44:46 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2043 Rechtbank Overijssel , 14-04-2026 / ak_24_4227 Wet waardering onroerende zaken. Beroep tegen twee besluiten van de heffingsambtenaar. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat hij uitstel van de betaling had gekregen. Besluiten zien niet op een verzoek om kwijtscheldiing. Beroep ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/4227 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende en de heffingsambtenaar van het GBLT, de heffingsambtenaar (gemachtigde : mr. K.M.H. de Boer). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 oktober 2024 en van 1 november 2024. 1.2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 24 februari 2023 voor het belastingjaar 2023 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd ten bedrage van € 1009,08 en hem op 29 juni 2024 een aanmaning gezonden, omdat belanghebbende de aanslag van 24 februari 2023 niet had betaald. Daarbij heeft de heffingsambtenaar € 19,- aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende heeft op 3 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de kosten van de aanmaning. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende met het besluit van 31 oktober 2024 ongegrond verklaard. 1.3. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 24 februari 2024 voor het belastingjaar 2024 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd ten bedrage van € 674,47. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag van 24 februari 2024. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende met het besluit van 1 november 2024 ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de besluiten van 31 oktober 2024 en van 1 november 2024 op 6 december 2024 beroep ingesteld. Hij heeft op 24 maart 2026 aanvullende gronden van beroep ingediend. 1.5. De heffingsambtenaar heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift ingediend. 1.6. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 24 februari 2023 voor belastingjaar 2023 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd, onder aanslagnummer [nummer 1]. Belanghebbendes bezwaar is bij besluit van 20 juli 2023 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft wegens niet-betalen van de aanslag € 19,- aanmaningskosten in rekening gebracht en heeft bij besluit van 31 oktober 2024 het bezwaar tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. 3. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 24 februari 2024 voor belastingjaar 2024 een aanslag gemeente- en waterschapsbelastingen opgelegd, onder aanslagnummer [nummer 2]. Belanghebbendes bezwaar is bij besluit van 1 november 2024 ongegrond verklaard. 4. Belanghebbende heeft op 6 december 2024 beroep ingesteld tegen beide besluiten. Het beroepschrift betreft: ‘ afwijzing kwijtschelding aanslagnrs. [nummer 1] en [nummer 2]’. Uit het beroepschrift blijkt dat belanghebbende een langlopend geschil heeft met het GBLT. Hij verzoekt de rechtbank om hem in het gelijk te stellen en het GBLT op te dragen hem kwijtschelding te verlenen. Belastingjaar 2023: aanslagnummer [nummer 1] 5. Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard. Belanghebbende gaat in de gronden van zijn beroep niet in op de aanmaningskosten en stelt evenmin dat en waarom de heffingsambtenaar het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft een bijlage (bijlage 3) ingediend op grond waarvan hij meent dat hij uitstel van betaling heeft gekregen van het GBLT. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in het bestreden besluit terecht het standpunt inneemt dat belanghebbende met genoemde bijlage niet heeft aangetoond dat hij voor aanslagnummer [nummer 1] uitstel van betaling heeft gekregen. De brief in bijlage 3 ziet immers op aanslagnummer [nummer 3]. Nu belanghebbende niet heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat hij voor aanslagnummer [nummer 1] uitstel van betaling heeft gekregen, heeft de heffingsambtenaar terecht aanmaningskosten in rekening gebracht. 5.2. Met zijn beroep verzoekt belanghebbende de rechtbank tevens om het GBLT op te dragen hem kwijtschelding te verlenen. Het bestreden besluit is echter geen besluit dat ziet op een verzoek om kwijtschelding. Louter ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, als het besluit wél een afwijzing van een kwijtscheldingsverzoek had ingehouden, de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen zo’n besluit. Belastingjaar 2024: aanslagnummer [nummer 2] 6. Onder aanslagnummer [nummer 2] is aan belanghebbende opgelegd de aanslag gemeente- en/of waterschapsbelastingen voor belastingjaar 2024. In zijn bezwaarschrift van 25 maart 2024 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om kwijtschelding ingediend. De heffingsambtenaar heeft bij besluit van 1 november 2024 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het verzoek om kwijtschelding heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een kwijtscheldingsformulier gestuurd. 6.1. In beroep verzoekt belanghebbende aan de rechtbank om het GBLT op te dragen hem kwijtschelding te verlenen. Het besluit van 1 november 2024 is echter geen besluit dat ziet op een verzoek om kwijtschelding. Louter ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, als het besluit wél een afwijzing van een kwijtscheldingsverzoek zou betreffen, de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van een beroep tegen zo’n besluit. De aanvullende gronden van beroep 7. In de aanvullende gronden van beroep doet eiser een verzoek om uitstel van betaling onder zekerheidsstelling. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt evenmin een vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Timmerman, griffier. griffier rechter Uitgesproken op De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De aanslag van 28 februari 2021 voor het jaar 2021. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1 van de in de Awb opgenomen Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak en artikel 26 van de Invorderingswet 1990.