Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-04-14
ECLI:NL:RBOVE:2026:2029
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1414 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], ([eiser]) en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de minister), Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) , gemachtigde: mr. G.J.M. Naber. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een basisbeurs en aanvullende beurs voor de door haar gevolgde wo-master Public Administration. [eiser] heeft de vierjarige voltijds hbo-bachelor Bestuurskunde / Overheidsmanagement gevolgd en afgerond. Voor die opleidingsperiode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2024 heeft zij studiefinanciering ontvangen in de vorm van een prestatiebeurs. 1.1. Vanaf 1 september 2024 is [eiser] gestart met de éénjarige voltijdse opleiding wo-master Public Administration aan de universiteit Twente. [eiser] heeft op 30 januari 2024 een basisbeurs en aanvullende beurs aangevraagd voor deze wo-master. 1.2. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.3. [eiser] heeft op 18 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 17 juni 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 1 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft de zitting van 5 september 2025 uitgesteld, omdat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een min of meer vergelijkbare kwestie uitspraak ging doen. Het ging daarbij om een door de DUO ingesteld hoger beroep tegen de uitspraak van 3 december 2024 van de rechtbank Midden-Nederland. 1.5. De CRvB heeft op 16 september 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft deze uitspraak aan partijen toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. 1.6. [eiser] heeft in haar reactie van 10 november 2025 zes bijlagen opgestuurd. De minister heeft in zijn reactie verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. 1.7. De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van de minister. Ook de stiefvader van [eiser] was aanwezig. Standpunt van de minister 2. Volgens de minister kan voor de wo-master geen prestatiebeurs meer worden toegekend, omdat de maximale periode van vier jaren al aan [eiser] is toegekend bij de voltijds hbo-bachelor van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2024. Vanaf 1 september 2024 bestond er alleen nog recht op een lening. Dat dit zo is volgt uit het wettelijk stelsel van studiefinanciering waarin de wetgever bewuste keuzes heeft gemaakt, zoals de CRvB ook in de uitspraak van 16 september 2025 heeft geoordeeld. Standpunten van [eiser] 3. [eiser] stelt dat de minister een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen de situatie van een hbo-bachelor gevolgd door een hbo-master en de situatie van een hbo-bachelor gevolgd door een wo-master. Ook stelt zij dat de combinatie van een hbo-bachelor en een wo-master gelijke behandeling verdient. [eiser] vindt dit discriminerend en ook in strijd met het doel en strekking van de Wet op het hoger onderwijs en wettenschappelijk onderzoek (WHW). 3.1. [eiser] stelt dat het gemaakte onderscheid niet overeenkomt met het beleid van de minister, dat is gericht op gelijke kansen en op de mogelijkheid om van het hbo door te stromen naar het wo. Volgens [eiser] zou de maatschappij dan ook het beste profiteren van de kwaliteiten van afgestudeerde studenten. Ondanks dit beleid blijkt echter uit niets dat stappen worden gezet voor vernieuwing van het stelsel. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] zes bijlagen overgelegd met een verslag van het commissiedebat van 2 juni 2025 van de Tweede Kamer, het rapport: Verkenning studiefinanciering 2024, een onderzoeksrapport met bijbehorend persbericht en verkiezingsprogramma’s uit 2025 van de VVD en GL-PVDA. 3.2. Ook stelt [eiser] dat de overwegingen Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: wettelijk kader Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) Artikel 1.1. Begripsbepalingen In deze wet wordt verstaan onder: (…) e. initieel onderwijs: hoger onderwijs als bedoeld in artikel 7.3a; (…) Artikel 6.2. Onderwijsaanbod 1. Het instellingsbestuur legt het voornemen tot: het verzorgen van een nieuwe opleiding; het samenvoegen van bestaande opleidingen; of het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c, ter instemming aan Onze Minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Onze Minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c oordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding. (…) Artikel 7.3a. Associate degree-, bachelor- en masteropleidingen 1. Binnen het wetenschappelijk onderwijs worden onderscheiden: bacheloropleidingen, en masteropleidingen, volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder a. 2. Binnen het hoger beroepsonderwijs worden onderscheiden: associate degree-opleidingen, bacheloropleidingen, en masteropleidingen volgend op de bacheloropleidingen, bedoeld onder b. Artikel 7.5. Reguliere studielast opleidingen 1. Onverminderd de artikelen 7.5a tot en met 7.5d bedraagt de studielast van: een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 180 studiepunten; een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs 60 studiepunten; een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs 240 studiepunten; een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs 60 studiepunten; en en associate degree-opleiding 120 studiepunten. (…) Artikel 7.5a. Bijzondere studielast van opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs De studielast van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs: tot leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs in vakken van voortgezet onderwijs bedraagt ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten. Het instellingsbestuur bepaalt binnen die bandbreedte de studielast van de opleiding; voor het beroep van wijsgeer van een bepaald wetenschapsgebied bedraagt 120 studiepunten; voor het beroep van arts, dierenarts, apotheker, tandarts en klinisch technoloog bedraagt 180 studiepunten; en geneeskunde, klinisch onderzoeker bedraagt 240 studiepunten. Artikel 7.5b. Bijzondere studielast van opleidingen in het hoger beroepsonderwijs 1. De studielast van een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs: op het gebied van de kunst bedraagt een door het instellingsbestuur te bepalen studielast van ten minste 60 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten; tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in algemene vakken bedraagt 90 studiepunten; tot advanced nurse practitioner bedraagt 120 studiepunten; tot physician assistant bedraagt 150 studiepunten; en op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten. (…) Wet studiefinanciering 2000 Artikel 5.2. Vorm en duur studiefinanciering 1. De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt eenmalig aan een ho-student verstrekt gedurende 4 jaar, vermeerderd met: eenmalig het aantal maanden dat het resultaat is van het aantal studiepunten, genoemd in de artikelen 7.5, eerste l