Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-01-15
ECLI:NL:RBOVE:2026:195
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/2276 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen Grassland B.V., statutair gevestigd in Schoonhoven, eiseres, hierna: Grassland (gemachtigde: [gemachtigde 1]), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid , verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: [gemachtigde 2]). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de toepassing van de (zesde) Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid. Grassland heeft een aanvraag op grond van deze regeling ingediend en een voorschot van € 52.872,- ontvangen. Bij de definitieve vaststelling heeft de minister bepaald dat Grassland recht heeft op een minder groot bedrag dan eerder werd aangenomen. Grassland maakt namelijk onderdeel uit van een groep en bij de bepaling van de definitieve vaststelling moet de omzet van de hele groep worden betrokken. Dit heeft tot gevolg dat Grassland € 29.740,- moet terugbetalen aan ten onrechte ontvangen voorschot. Grassland is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Grassland krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 1. Grassland heeft op 3 november 2023 een aanvraag tot vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de (zesde) Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (hierna: de NOW-6) ingediend. 1.1. Bij besluit van 28 februari 2025 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming voor Grassland op een bedrag van € 23.132,- vastgesteld. Omdat Grassland eerder een voorschot van € 52.872,- heeft ontvangen, moet zij € 29.740,- terugbetalen. 1.2. Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister het bedrag van € 29.740,- ingevorderd. 1.3. Met de beslissing op bezwaar van 17 juli 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van 28 februari 2025 en 6 maart 2025 ongegrond verklaard. 1.4. Grassland heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] en [naam] namens Grassland. Namens de minister is de gemachtigde verschenen. Beoordeling door de rechtbank Bevoegdheid 2. Grassland heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel. De rechtbank heeft pas in een laat stadium van de procedure onderkend dat niet zij, maar de rechtbank Den Haag bevoegd is in deze procedure. De rechtbank heeft daarom partijen gevraagd of zij instemmen met de behandeling van het beroep door de rechtbank Overijssel. Partijen hebben hiermee ingestemd. Nu partijen dat ook wensen, zal de rechtbank in deze zaak daarom uitspraak doen als ware zij bevoegd, waarbij ook artikel 8:117 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is betrokken. Aanleiding 3. Grassland exploiteert hotel De Grote Zwaan in De Lutte. 3.1. Op 14 februari 2022 heeft Grassland een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6 voor de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (achtste aanvraagperiode). 3.2. Op het aanvraagformulier heeft Grassland vermeld dat zij in de periode van januari tot en met maart 2022 een omzetverlies verwacht van 80%. 3.3. Bij besluit van 17 februari 2022 heeft de minister aan Grassland een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-6 voor de achtste aanvraagperiode verleend van € 66.090,-, waarvan een bedrag van € 52.872,- (80%) als voorschot is uitbetaald. 3.4. Vervolgens heeft plaatsgevonden wat onder Procesverloop is beschreven. Het bestreden besluit 4. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat in de aanvraag tot vaststelling was aangegeven dat het bedrijf geen onderdeel is van een groep of concern. Op basis van openbare bronnen, zoals de Kamer van Koophandel en de ontvangen documenten, heeft de minister echter vastgesteld dat Grassland, Guidance Beheer BV, New Financials BV, TEZ Financials BV, Werklift Verhuur BV, Werklif De rechtbank leest dit betoog zo dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister de bepalingen van de NOW-6 noodmaatregel juist heeft toegepast, maar dat Grassland van mening is dat het artikel in de NOW-6, waarin is voorgeschreven dat bij de bepaling van de omzetdaling moet worden uitgegaan van de omzetgegevens van de gehele groep, in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten. 11. De NOW-6 is een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is. Zo'n algemeen verbindend voorschrift kan door de rechter in een zaak over een besluit dat op zo’n voorschrift berust, worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft in de uitspraak van 1 juli 2019 uiteengezet hoe deze toetsing moet worden verricht. 12. Zoals ook volgt uit de uitspraak van 2 juni 2022 van de CRvB , heeft de minister bij de totstandkoming van een subsidieregeling zoals de NOW veel beslissingsruimte. Bovendien is de NOW-regeling het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging om werkgevers, die te maken hebben met een acute terugval in de omzet door vermindering van de bedrijvigheid door bijzondere omstandigheden, die niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zoals door het COVID-19 coronavirus, een tegemoetkoming te bieden in de loonkosten met het doel werkgelegenheid zoveel mogelijk te behouden. Het is verder een noodmaatregel waarbij een zeer groot aantal werkgevers op korte termijn duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. De regeling heeft daardoor noodgedwongen een generiek karakter waarbij niet steeds maatwerk kan worden geboden. Dit betekent dat de intensiteit van de onderhavige toetsing terughoudend is. 13. De rechtbank beziet artikel 5, negende lid, van de NOW-6 tegen de achtergrond dat zou moeten worden voorkomen dat omzetverlies binnen een werkmaatschappij aanleiding vormt voor een NOW-tegemoetkoming terwijl het bredere concern de omzetdaling van die werkmaatschappij kan opvangen zonder in existentiële problemen te komen die zouden kunnen leiden tot een verlies aan arbeidsplaatsen . Bezien tegen die achtergrond is de wijze waarop de minister ten opzichte van Grassland toepassing heeft gegeven aan deze bepaling niet onjuist, ongerechtvaardigd of oneerlijk. Er is daarom geen aanleiding om artikel 5, negende lid, van de NOW-6 in strijd te achten met het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel en om deze bepaling om die reden buiten toepassing te laten. 14. Het beroep van Grassland op schending van het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Grassland heeft gewezen op haar positie ten opzichte van andere (concurrerende) hotels, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Dat andere hotels in aanmerking zijn gekomen voor meer NOW-subsidie ligt voor de hand als zij geen onderdeel uitmaakten van een groep. 15. Het besluit tot vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-6 op een lager bedrag dan bij de subsidieverlening is vastgesteld, berust op een discretionaire bevoegdheid. Bij de toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb moet de minister een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW-subsidie enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor betrokkene anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor betrokkene nadelige gevolgen va