Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-09
ECLI:NL:RBOVE:2026:1923
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,957 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1923 text/xml public 2026-04-14T12:00:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-09 ak_25_3653 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1923 text/html public 2026-04-09T14:13:02 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1923 Rechtbank Overijssel , 09-04-2026 / ak_25_3653 Beroep niet tijdig beslissen. Verweerder heeft inmiddels een besluit genomen. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank is van oordeel dat de proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt redelijkerwijs niet nodig waren voor de behandeling van zijn beroep. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/3653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder. Procesverloop 1.1 Op 10 juli 2025 heeft eiser bij verweerder een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Hierin vraagt eiser om de ‘openbaarmaking van alle beschikbare documenten, rapporten en gegevens met betrekking tot schade aan landbouwhuisdieren door predatoren, voorgevallen binnen de provincie Overijssel in de periode van 1 januari 2015 tot heden’. Daarbij heeft eiser gespecificeerd aangegeven om welke informatie hij verzoekt. 1.2 Op 7 november 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek. 1.3 Op 16 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn Woo-verzoek (hierna: het beroep niet tijdig beslissen). 1.4 Verweerder heeft op 8 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Daarin is onder meer aangegeven dat verweerder om meerdere redenen nog hoogstens twaalf weken nodig heeft om een volledig besluit te kunnen nemen op het Woo-verzoek. 1.5 Naar aanleiding van het verweerschrift heeft de rechtbank besloten om in deze zaak een zitting te houden. Bij brieven van 15 januari 2026 heeft de rechtbank dat aan partijen meegedeeld. 1.6 Op 16 maart 2026 heeft verweerder een besluit genomen op eisers Woo-verzoek. In dat besluit heeft verweerder de door eiser gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. 1.7 Naar aanleiding van het besluit van 16 maart 2026 heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met eiser over de zitting, die gepland stond op 20 maart 2026. Eiser heeft in dat telefoongesprek meegedeeld dat hij wilde dat die zitting doorging. 1.8 Op 20 maart 2026 heeft de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen op zitting behandeld. Hierbij was eiser aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2]. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten Beoordeling door de rechtbank Het beroep niet tijdig beslissen 2.1 De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen, omdat hij inmiddels heeft wat hij met dat beroep kon bereiken, namelijk een besluit op zijn Woo-verzoek. Ter zitting heeft eiser ook aangegeven dat het hem in deze zaak voornamelijk nog gaat om het krijgen van een vergoeding van het griffierecht en om het krijgen van een proceskostenvergoeding. Wel acht hij ook van belang dat de rechtbank toch nog uitspraak doet in deze zaak, omdat het meer dan acht maanden heeft geduurd totdat verweerder een besluit op zijn Woo-verzoek heeft genomen. Vanwege het ontbreken van procesbelang, zal de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren. 2.2 Verder heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij bij verweerder bezwaar gaat maken tegen het besluit op zijn Woo-verzoek. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek had hij daartegen geen gronden bij de rechtbank ingediend. Voor een verwijzing van de beslissing op het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 maart 2026, zoals bedoeld in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bestaat dan ook geen aanleiding. Vergoeding van het griffierecht en verzoek om proceskostenvergoeding 3.1 Niet in geschil is dat verweerder te laat op het Woo-verzoek heeft beslist en dat eiser het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. In het begeleidend schrijven bij de toezending van het besluit van 16 maart 2026 aan de rechtbank heeft verweerder ook aangegeven bereid te zijn om een proceskostenvergoeding te betalen. Ook heeft verweerder in dat schrijven gesteld, met het oog op de zitting die was gepland op 20 maart 2026, dat er in deze zaak geen procesbelang meer is. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit betekent dat hij van mening is dat het griffierecht aan eiser moet worden vergoed en ook de proceskosten die hij in het kader van het beroep niet tijdig beslissen heeft gemaakt tot aan het besluit van 16 maart 2026. Omdat na dat besluit in deze zaak het procesbelang van eiser is komen te vervallen, komen de kosten voor het bijwonen van de zitting volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking. 3.2 Nu eiser het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld, zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. 3.3 Eiser heeft gevraagd om een proceskostenvergoeding, bestaande uit een vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op 20 maart 2026 en uit een vergoeding van verletkosten die hij heeft gemaakt vanwege het bijwonen van de zitting. De reiskosten bedragen volgens eiser € 45,92. De verletkosten heeft eiser bepaald op basis van een tijdsbesteding van 4,5 uur voor het bijwonen van de zitting en een uurtarief van € 89,-. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij freelancer is en iets heeft moeten afzeggen voor het bijwonen van de zitting. 3.4 De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de hoogte van het door hem gehanteerde uurtarief niet heeft onderbouwd. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dat is een tarief van € 9,- per uur. Gelet hierop en op wat eiser heeft gevraagd, gaat het om een bedrag aan proceskostenvergoeding van in totaal € 86,42 (€ 45,92 + 4,5 x € 9,-). 3.5 De rechtbank overweegt dat gemaakte proceskosten doorgaans voor vergoeding in aanmerking komen als die redelijkerwijs nodig waren voor de behandeling van het beroep. De proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Enkele dagen voor de zitting was echter al duidelijk dat die niet meer nodig was, omdat verweerder inmiddels een besluit op het Woo-verzoek had genomen, zodat eiser met het beroep niet tijdig beslissen had bereikt wat hij daarmee kon bereiken. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat de proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt redelijkerwijs niet nodig waren voor de behandeling van zijn beroep. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet meer voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder hoeft de proceskosten van eiser dus niet te vergoeden en de rechtbank zal het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wijst de rechtbank af. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; wijst eisers verzoek om een proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1923 text/xml public 2026-04-14T12:00:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-09 ak_25_3653 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1923 text/html public 2026-04-09T14:13:02 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1923 Rechtbank Overijssel , 09-04-2026 / ak_25_3653 Beroep niet tijdig beslissen. Verweerder heeft inmiddels een besluit genomen. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank is van oordeel dat de proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt redelijkerwijs niet nodig waren voor de behandeling van zijn beroep. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/3653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser, en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder. Procesverloop 1.1 Op 10 juli 2025 heeft eiser bij verweerder een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Hierin vraagt eiser om de ‘openbaarmaking van alle beschikbare documenten, rapporten en gegevens met betrekking tot schade aan landbouwhuisdieren door predatoren, voorgevallen binnen de provincie Overijssel in de periode van 1 januari 2015 tot heden’. Daarbij heeft eiser gespecificeerd aangegeven om welke informatie hij verzoekt. 1.2 Op 7 november 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek. 1.3 Op 16 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn Woo-verzoek (hierna: het beroep niet tijdig beslissen). 1.4 Verweerder heeft op 8 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Daarin is onder meer aangegeven dat verweerder om meerdere redenen nog hoogstens twaalf weken nodig heeft om een volledig besluit te kunnen nemen op het Woo-verzoek. 1.5 Naar aanleiding van het verweerschrift heeft de rechtbank besloten om in deze zaak een zitting te houden. Bij brieven van 15 januari 2026 heeft de rechtbank dat aan partijen meegedeeld. 1.6 Op 16 maart 2026 heeft verweerder een besluit genomen op eisers Woo-verzoek. In dat besluit heeft verweerder de door eiser gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. 1.7 Naar aanleiding van het besluit van 16 maart 2026 heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met eiser over de zitting, die gepland stond op 20 maart 2026. Eiser heeft in dat telefoongesprek meegedeeld dat hij wilde dat die zitting doorging. 1.8 Op 20 maart 2026 heeft de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen op zitting behandeld. Hierbij was eiser aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2]. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten Beoordeling door de rechtbank Het beroep niet tijdig beslissen 2.1 De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen, omdat hij inmiddels heeft wat hij met dat beroep kon bereiken, namelijk een besluit op zijn Woo-verzoek. Ter zitting heeft eiser ook aangegeven dat het hem in deze zaak voornamelijk nog gaat om het krijgen van een vergoeding van het griffierecht en om het krijgen van een proceskostenvergoeding. Wel acht hij ook van belang dat de rechtbank toch nog uitspraak doet in deze zaak, omdat het meer dan acht maanden heeft geduurd totdat verweerder een besluit op zijn Woo-verzoek heeft genomen. Vanwege het ontbreken van procesbelang, zal de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren. 2.2 Verder heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij bij verweerder bezwaar gaat maken tegen het besluit op zijn Woo-verzoek. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek had hij daartegen geen gronden bij de rechtbank ingediend. Voor een verwijzing van de beslissing op het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 maart 2026, zoals bedoeld in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bestaat dan ook geen aanleiding. Vergoeding van het griffierecht en verzoek om proceskostenvergoeding 3.1 Niet in geschil is dat verweerder te laat op het Woo-verzoek heeft beslist en dat eiser het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. In het begeleidend schrijven bij de toezending van het besluit van 16 maart 2026 aan de rechtbank heeft verweerder ook aangegeven bereid te zijn om een proceskostenvergoeding te betalen. Ook heeft verweerder in dat schrijven gesteld, met het oog op de zitting die was gepland op 20 maart 2026, dat er in deze zaak geen procesbelang meer is. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit betekent dat hij van mening is dat het griffierecht aan eiser moet worden vergoed en ook de proceskosten die hij in het kader van het beroep niet tijdig beslissen heeft gemaakt tot aan het besluit van 16 maart 2026. Omdat na dat besluit in deze zaak het procesbelang van eiser is komen te vervallen, komen de kosten voor het bijwonen van de zitting volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking. 3.2 Nu eiser het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld, zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. 3.3 Eiser heeft gevraagd om een proceskostenvergoeding, bestaande uit een vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op 20 maart 2026 en uit een vergoeding van verletkosten die hij heeft gemaakt vanwege het bijwonen van de zitting. De reiskosten bedragen volgens eiser € 45,92. De verletkosten heeft eiser bepaald op basis van een tijdsbesteding van 4,5 uur voor het bijwonen van de zitting en een uurtarief van € 89,-. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij freelancer is en iets heeft moeten afzeggen voor het bijwonen van de zitting. 3.4 De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de hoogte van het door hem gehanteerde uurtarief niet heeft onderbouwd. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dat is een tarief van € 9,- per uur. Gelet hierop en op wat eiser heeft gevraagd, gaat het om een bedrag aan proceskostenvergoeding van in totaal € 86,42 (€ 45,92 + 4,5 x € 9,-). 3.5 De rechtbank overweegt dat gemaakte proceskosten doorgaans voor vergoeding in aanmerking komen als die redelijkerwijs nodig waren voor de behandeling van het beroep. De proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Enkele dagen voor de zitting was echter al duidelijk dat die niet meer nodig was, omdat verweerder inmiddels een besluit op het Woo-verzoek had genomen, zodat eiser met het beroep niet tijdig beslissen had bereikt wat hij daarmee kon bereiken. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat de proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt redelijkerwijs niet nodig waren voor de behandeling van zijn beroep. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet meer voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder hoeft de proceskosten van eiser dus niet te vergoeden en de rechtbank zal het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. Conclusie en gevolgen 4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wijst de rechtbank af. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; wijst eisers verzoek om een proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier.