Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-07
ECLI:NL:RBOVE:2026:1875
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1875 text/xml public 2026-04-10T12:00:03 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-07 11977481 \ CV EXPL 25-3468 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1875 text/html public 2026-04-08T10:46:45 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1875 Rechtbank Overijssel , 07-04-2026 / 11977481 \ CV EXPL 25-3468 Eiseres vordert betaling van € 9.735,- van gedaagde, primair omdat zij dat hebben afgesproken, subsidiair als schadevergoeding. Gedaagde doet een beroep op verrekening en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter wijst de vordering van eiseres toe. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 11977481 \ CV EXPL 25-3468 Vonnis van 7 april 2026 in de zaak van [eiseres] B.V. , te [vestigingsplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] of de [eiseres] gemachtigde: mr. A. Hoekman, tegen [gedaagde] B.V. , te [vestigingsplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend zonder gemachtigde. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 november 2025 met producties 1 tot en met 11; de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 3; de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, en het bericht van 23 februari 2026 met producties 12 tot en met 14 van [eiseres]. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026 in Almelo, waarbij namens [eiseres] de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) is verschenen, samen met zijn echtgenote (mevrouw [naam 2]) en de gemachtigde van [eiseres]. Namens [gedaagde] is de heer [naam 3] verschenen. In de zittingsaantekeningen zijn de spreekaantekeningen van (de gemachtigde van) [eiseres] opgenomen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De samenvatting [eiseres] vordert betaling van € 9.735,- van [gedaagde], primair omdat zij dat hebben afgesproken, subsidiair als schadevergoeding. [gedaagde] doet een beroep op verrekening en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. 3 De feiten 3.1. [naam 1] is (was) met zijn bedrijf genaamd [bedrijf] B.V. (verder: de BV) actief in de fotografie. Hij houdt de aandelen in [eiseres] B.V., die op haar beurt de aandelen van de BV houdt. In de [eiseres] heeft [naam 1] onder andere zijn pensioen- en stamrechtverplichting ondergebracht. 3.2. In 2013 heeft [naam 1] de (fotografie)activiteiten van de BV voortgezet in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] (verder ook: de eenmanszaak). Daarbij is ook de bankrekening van [eiseres] te naam gesteld van [naam 1] in privé. De BV is niet opgeheven. 3.3. [gedaagde] heeft in de periode van 2013 tot en met 2021 in opdracht van de [eiseres] en de eenmanszaak verschillende (administratieve) werkzaamheden verricht, bestaande uit onder meer het opstellen van jaarrekeningen en het verrichten van fiscale aangiften. 3.4. In 2019 heeft de Belastingdienst contact opgenomen met [naam 1] omdat (onder meer) de belastingaangiftes die [gedaagde] namens de [eiseres] en de eenmanszaak had ingediend niet klopten, onder meer vanwege de wijziging in de tenaamstelling van de bankrekening en omdat er geen aangifte voor een fiscale eenheid was gedaan. De Belastingdienst was kortgezegd van oordeel dat de tenaamstellingswijziging heeft geleid tot afkoop van de in de [eiseres] ondergebrachte pensioen- en stamrechtverplichting ten behoeve van [naam 1]. Daarom heeft de Belastingdienst verschillende naheffingsaanslagen, verzuimboetes en boeterentes opgelegd. 3.5. Daarop heeft [naam 1] een fiscalist ([naam 4]) ingeschakeld om financieel onderzoek te doen naar de boekhouding van de [eiseres], de BV en de eenmanszaak. Deze fiscalist heeft ook het contact met de Belastingdienst overgenomen van [gedaagde] 3.6. [naam 1] en de [eiseres] enerzijds en de Belastingdienst anderzijds hebben in 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij – kortgezegd – hebben afgesproken dat de Belastingdienst onder een aantal voorwaarden afstand zou doen van haar recht om navorderingsaanslagen op te leggen. 3.7. Vervolgens heeft de gemachtigde van de [eiseres] [gedaagde] bij brief van 12 april 2023 aansprakelijk gesteld voor de financiële schade, omdat zij tekort was geschoten in de administratie- en fiscale werkzaamheden. De schade bestaat volgens de gemachtigde uit het vervallen van de pensioenkorting, de verzuimboeten van de Belastingdienst, de kosten van de fiscalist en de juridische kosten van de gemachtigde van [eiseres], tot dat moment begroot op € 48.645,02. 3.8. [gedaagde] heeft op 16 juni 2023 haar aansprakelijkheid voor de vervallen pensioenkorting en de kosten voor de fiscalist en de gemachtigde betwist, onder meer omdat zij het niet eens was met de door de gemachtigde geschetste gang van zaken. Ten aanzien van de verzuimboeten heeft [gedaagde] geschreven dat zij niet schuldvrij is en wel wilde meewerken met compensatie. Daarbij heeft zij verzocht om een specificatie van het bedrag aan de verzuimboeten. 3.9. De gemachtigde van [eiseres] heeft bij brief van 7 augustus 2023 (kortgezegd) de totale schade gespecificeerd en het volgende voorgesteld: [afbeelding] 3.10. Bij brief van 5 september 2023 heeft [gedaagde] – kort samengevat – opnieuw haar aansprakelijkheid betwist en voorgesteld om alleen het bedrag aan verzuimboeten van € 9.735,- tegen finale kwijting aan de [eiseres] te betalen. 3.11. De gemachtigde van [eiseres] heeft bij e-mailbericht van 3 november 2023 aan [gedaagde] geschreven dat de [eiseres] akkoord zou gaan met betaling van € 9.735,- aan verzuimboeten, maar dat [gedaagde] ook de juridische kosten van de gemachtigde van de [eiseres] zou moeten voldoen, tot dat moment begroot op € 8.000,-. 3.12. Op 12 december 2023 heeft [gedaagde] gereageerd dat zij zich niet aansprakelijk acht voor de juridische kosten. Daarnaast heeft zij het volgende geschreven: [afbeelding] 3.13. Op 27 december 2023 heeft de gemachtigde van [eiseres] geschreven dat deze akkoord kon gaan met betaling van € 9.735,- door [gedaagde] tegen finale kwijting over en weer, binnen een week te betalen, en dat partijen na betaling niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben. 3.14. [gedaagde] heeft niet meer gereageerd en heeft niet betaald. 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.735,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten. Zij legt primair aan de vordering ten grondslag dat een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan zij nakoming (betaling) vordert. Subsidiair vordert [eiseres] schadevergoeding van [gedaagde] bestaande uit de verzuimboetes, omdat zij bepaalde belastingaangiftes niet juist en/of niet tijdig heeft ingediend. 4.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar heeft toegezegd het bedrag van € 9.735,- te betalen, maar dat partijen op 5 oktober 2022 hebben afgesproken dat zij de verzuimboeten hebben verrekend met onbetaalde facturen. Daarom hoeft [gedaagde] niet meer te betalen. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Nakoming overeenkomst 5.1. De kantonrechter stelt vast dat partijen op 27 december 2023 overeenstemming hebben bereikt (een overeenkomst hebben gesloten) over betaling van een bedrag van € 9.735,- door [gedaagde] aan [eiseres]. Het aanbod van [gedaagde] (zie rechtsoverweging 3.12) heeft de gemachtigde van [eiseres] heeft op 27 december 2023 (zie rechtsoverweging 3.13) aanvaard. [gedaagde] heeft niet betaald. De vordering tot betaling ligt daarom in beginsel voor toewijzing gereed, op grond van de primaire grondslag (nakoming). Verrekening 5.2. De kantonrechter gaat voorbij aan het verrekeningsverweer van [gedaagde] nu de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 Burgerlijk Wetboek (BW)).
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1875 text/xml public 2026-04-10T12:00:03 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-07 11977481 \ CV EXPL 25-3468 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1875 text/html public 2026-04-08T10:46:45 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1875 Rechtbank Overijssel , 07-04-2026 / 11977481 \ CV EXPL 25-3468 Eiseres vordert betaling van € 9.735,- van gedaagde, primair omdat zij dat hebben afgesproken, subsidiair als schadevergoeding. Gedaagde doet een beroep op verrekening en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter wijst de vordering van eiseres toe. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 11977481 \ CV EXPL 25-3468 Vonnis van 7 april 2026 in de zaak van [eiseres] B.V. , te [vestigingsplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] of de [eiseres] gemachtigde: mr. A. Hoekman, tegen [gedaagde] B.V. , te [vestigingsplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], procederend zonder gemachtigde. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 november 2025 met producties 1 tot en met 11; de conclusie van antwoord met bijlagen 1 tot en met 3; de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, en het bericht van 23 februari 2026 met producties 12 tot en met 14 van [eiseres]. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026 in Almelo, waarbij namens [eiseres] de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) is verschenen, samen met zijn echtgenote (mevrouw [naam 2]) en de gemachtigde van [eiseres]. Namens [gedaagde] is de heer [naam 3] verschenen. In de zittingsaantekeningen zijn de spreekaantekeningen van (de gemachtigde van) [eiseres] opgenomen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De samenvatting [eiseres] vordert betaling van € 9.735,- van [gedaagde], primair omdat zij dat hebben afgesproken, subsidiair als schadevergoeding. [gedaagde] doet een beroep op verrekening en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. 3 De feiten 3.1. [naam 1] is (was) met zijn bedrijf genaamd [bedrijf] B.V. (verder: de BV) actief in de fotografie. Hij houdt de aandelen in [eiseres] B.V., die op haar beurt de aandelen van de BV houdt. In de [eiseres] heeft [naam 1] onder andere zijn pensioen- en stamrechtverplichting ondergebracht. 3.2. In 2013 heeft [naam 1] de (fotografie)activiteiten van de BV voortgezet in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] (verder ook: de eenmanszaak). Daarbij is ook de bankrekening van [eiseres] te naam gesteld van [naam 1] in privé. De BV is niet opgeheven. 3.3. [gedaagde] heeft in de periode van 2013 tot en met 2021 in opdracht van de [eiseres] en de eenmanszaak verschillende (administratieve) werkzaamheden verricht, bestaande uit onder meer het opstellen van jaarrekeningen en het verrichten van fiscale aangiften. 3.4. In 2019 heeft de Belastingdienst contact opgenomen met [naam 1] omdat (onder meer) de belastingaangiftes die [gedaagde] namens de [eiseres] en de eenmanszaak had ingediend niet klopten, onder meer vanwege de wijziging in de tenaamstelling van de bankrekening en omdat er geen aangifte voor een fiscale eenheid was gedaan. De Belastingdienst was kortgezegd van oordeel dat de tenaamstellingswijziging heeft geleid tot afkoop van de in de [eiseres] ondergebrachte pensioen- en stamrechtverplichting ten behoeve van [naam 1]. Daarom heeft de Belastingdienst verschillende naheffingsaanslagen, verzuimboetes en boeterentes opgelegd. 3.5. Daarop heeft [naam 1] een fiscalist ([naam 4]) ingeschakeld om financieel onderzoek te doen naar de boekhouding van de [eiseres], de BV en de eenmanszaak. Deze fiscalist heeft ook het contact met de Belastingdienst overgenomen van [gedaagde] 3.6. [naam 1] en de [eiseres] enerzijds en de Belastingdienst anderzijds hebben in 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin zij – kortgezegd – hebben afgesproken dat de Belastingdienst onder een aantal voorwaarden afstand zou doen van haar recht om navorderingsaanslagen op te leggen. 3.7. Vervolgens heeft de gemachtigde van de [eiseres] [gedaagde] bij brief van 12 april 2023 aansprakelijk gesteld voor de financiële schade, omdat zij tekort was geschoten in de administratie- en fiscale werkzaamheden. De schade bestaat volgens de gemachtigde uit het vervallen van de pensioenkorting, de verzuimboeten van de Belastingdienst, de kosten van de fiscalist en de juridische kosten van de gemachtigde van [eiseres], tot dat moment begroot op € 48.645,02. 3.8. [gedaagde] heeft op 16 juni 2023 haar aansprakelijkheid voor de vervallen pensioenkorting en de kosten voor de fiscalist en de gemachtigde betwist, onder meer omdat zij het niet eens was met de door de gemachtigde geschetste gang van zaken. Ten aanzien van de verzuimboeten heeft [gedaagde] geschreven dat zij niet schuldvrij is en wel wilde meewerken met compensatie. Daarbij heeft zij verzocht om een specificatie van het bedrag aan de verzuimboeten. 3.9. De gemachtigde van [eiseres] heeft bij brief van 7 augustus 2023 (kortgezegd) de totale schade gespecificeerd en het volgende voorgesteld: [afbeelding] 3.10. Bij brief van 5 september 2023 heeft [gedaagde] – kort samengevat – opnieuw haar aansprakelijkheid betwist en voorgesteld om alleen het bedrag aan verzuimboeten van € 9.735,- tegen finale kwijting aan de [eiseres] te betalen. 3.11. De gemachtigde van [eiseres] heeft bij e-mailbericht van 3 november 2023 aan [gedaagde] geschreven dat de [eiseres] akkoord zou gaan met betaling van € 9.735,- aan verzuimboeten, maar dat [gedaagde] ook de juridische kosten van de gemachtigde van de [eiseres] zou moeten voldoen, tot dat moment begroot op € 8.000,-. 3.12. Op 12 december 2023 heeft [gedaagde] gereageerd dat zij zich niet aansprakelijk acht voor de juridische kosten. Daarnaast heeft zij het volgende geschreven: [afbeelding] 3.13. Op 27 december 2023 heeft de gemachtigde van [eiseres] geschreven dat deze akkoord kon gaan met betaling van € 9.735,- door [gedaagde] tegen finale kwijting over en weer, binnen een week te betalen, en dat partijen na betaling niets meer van elkaar te vorderen zouden hebben. 3.14. [gedaagde] heeft niet meer gereageerd en heeft niet betaald. 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.735,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten. Zij legt primair aan de vordering ten grondslag dat een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan zij nakoming (betaling) vordert. Subsidiair vordert [eiseres] schadevergoeding van [gedaagde] bestaande uit de verzuimboetes, omdat zij bepaalde belastingaangiftes niet juist en/of niet tijdig heeft ingediend. 4.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar heeft toegezegd het bedrag van € 9.735,- te betalen, maar dat partijen op 5 oktober 2022 hebben afgesproken dat zij de verzuimboeten hebben verrekend met onbetaalde facturen. Daarom hoeft [gedaagde] niet meer te betalen. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Nakoming overeenkomst 5.1. De kantonrechter stelt vast dat partijen op 27 december 2023 overeenstemming hebben bereikt (een overeenkomst hebben gesloten) over betaling van een bedrag van € 9.735,- door [gedaagde] aan [eiseres]. Het aanbod van [gedaagde] (zie rechtsoverweging 3.12) heeft de gemachtigde van [eiseres] heeft op 27 december 2023 (zie rechtsoverweging 3.13) aanvaard. [gedaagde] heeft niet betaald. De vordering tot betaling ligt daarom in beginsel voor toewijzing gereed, op grond van de primaire grondslag (nakoming). Verrekening 5.2. De kantonrechter gaat voorbij aan het verrekeningsverweer van [gedaagde] nu de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 Burgerlijk Wetboek (BW)).