Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-04-07
ECLI:NL:RBOVE:2026:1873
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1873 text/xml public 2026-04-10T12:00:18 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-07 ak_25_1733 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1873 text/html public 2026-04-08T13:51:48 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1873 Rechtbank Overijssel , 07-04-2026 / ak_25_1733 Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Boete van € 250,- opgelegd. Geen namelding rechtstreeks aan rVDM gedaan. Beroep ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1733 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres, hierna: [eiseres] (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen) en De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , verweerder, hierna: de minister (gemachtigden: mr. E.J.H. Jansen en mr. B. de Haan). Samenvatting Deze uitspraak gaat over een door de minister aan [eiseres] opgelegde boete van € 250,- voor overtreding van de meststoffenwetgeving. Volgens de minister is in strijd met de regels na het lossen van 25 vrachten dierlijke meststoffen niet tijdig een namelding rechtstreeks aan het digitale systeem real time Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (hierna: rVDM) gedaan. [eiseres] is het niet eens met deze boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht is opgelegd. Het beroep is dus ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 1. Bij besluit van 17 december 2024 heeft de minister een boete ter hoogte van € 250,- aan [eiseres] opgelegd in verband met 25 overtredingen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij dat besluit gebleven. 1.1. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen. [eiseres] en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers 25/1267, 25/1237, 25/1500 en 25/1385. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank Aanleiding 2. [eiseres] is een erkend intermediair en transporteur van dierlijke meststoffen. 2.1. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) heeft als controlerende organisatie één of meer overtredingen gezien. 2.2. Deze overtredingen zijn voor de minister reden geweest voor extra onderzoek. Dit extra onderzoek heeft geleid tot de besluitvorming zoals beschreven onder Procesverloop. Het bestreden besluit 3. De minister heeft aan [eiseres] een boete van € 250,- opgelegd. Bij het vervoer van dierlijke meststoffen moet na het lossen van de vracht binnen zeven dagen een namelding wordt gedaan rechtstreeks aan rVDM en [eiseres] heeft dit niet tijdig gedaan voor 25 vrachten dierlijke mest. Het gaat hierbij om vrachten die op 10 september 2024 en 11 september 2024 zijn gelost. Volgens de minister is er op 10 september 2024 een storing geweest in het rVDM-systeem, maar deze storing is op dezelfde dag opgelost. Daarom is sprake van overtreding van feitcode M324. De minister heeft de boete gematigd met 90% op grond van het boetebeleid. Daarom bedraagt de boete 25 x (€ 100 - 90%) = € 250,-. Overwegingen Relevante bepalingen 4. Op grond van artikel 51, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt bij het vervoer van dierlijke meststoffen gebruik gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld systeem. 4.1. In artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling) is bepaald dat in deze regeling onder rVDM wordt verstaan: systeem voor het vervoer van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het besluit. 4.2. In artikel 69r, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat indien en voor zover sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de software-applicatie, bedoeld in artikel 69m, naar het oordeel van de minister niet toereikend is, de gegevens met betrekking tot het vervoer worden vermeld op een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel. 4.3. Artikel 69u van de Uitvoeringsregeling luidt: 1. Ingeval gebruik is gemaakt van het middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid, doet de vervoerder na afloop van het vervoer een namelding rechtstreeks aan rVDM, bestaande uit een vooraanmelding en een startmelding. (…). 3. De namelding, bedoeld in het eerste lid, vindt uiterlijk plaats: a. binnen zeven dagen na afloop van het vervoer; of b. indien de namelding vanwege het niet beschikbaar zijn van rVDM niet plaats kan vinden binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop rVDM weer beschikbaar is geworden. (…). Overtreding? 5. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, rust op de minister als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat [eiseres] de genoemde bepaling uit de meststoffenwetgeving heeft overtreden en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. 5.1. [eiseres] heeft niet betwist dat zij voor de 25 vrachten papieren vervoersbewijzen dierlijke meststoffen heeft gebruikt. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister afdoende bewijs geleverd dat [eiseres] de meststoffenwetgeving heeft overtreden door voor de 25 vrachten op 10 september 2024 en 11 september 2024 geen namelding rechtstreeks aan rVDM te doen. Dit is een overtreding van artikel 69u, eerste en derde lid, van de Uitvoeringsregeling. Voor zover [eiseres] heeft beoogd te betogen dat verwijtbaarheid ontbreekt, volgt de rechtbank dit betoog niet. De minister heeft uiteengezet dat er weliswaar storingen zijn geweest in het rVDM-systeem op 4 september 2024, 10 september 2024 en 26 september 2024, maar dat deze storingen kortdurend waren en er niet aan in de weg stonden dat [eiseres] uiterlijk binnen zeven dagen na afloop van het vervoer de namelding rechtstreeks aan rVDM kon doen. [eiseres] heeft de juistheid van deze informatie over de storingen in september niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee een feitelijke en juridische grondslag voor de boete aanwezig. Dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, zoals door [eiseres] is betoogd, volgt de rechtbank dan ook niet. Samenloop? 6. [eiseres] heeft betoogd dat zij tweemaal wordt beboet voor dezelfde gestelde misslag. De twee gemaakte verwijten zijn naar haar mening zodanig met elkaar verbonden dat sprake is van een onlosmakelijke samenloop die rechtvaardigt dat maximaal één keer beboet mag worden. 6.1. De rechtbank begrijpt dit betoog zo dat [eiseres] vindt dat het niet gebruiken van rVDM en het niet doen van een namelding rechtstreeks aan rVDM onlosmakelijk met elkaar samenhangen. 6.2. De rechtbank volgt dit betoog van [eiseres] niet. De door [eiseres] aangehaalde andere boete is aan haar opgelegd vanwege het niet gebruiken van rVDM voor 26 vrachten dierlijke meststoffen . De onderhavige boete is opgelegd vanwege het niet binnen zeven dagen na het vervoer van de vrachten doen van een namelding rechtstreeks aan rVDM. Naar het oordeel van de rechtbank hangen deze overtredingen niet zo nauw samen, dat moet worden gezegd dat sprake is van één beboetbaar feit. Het gebruiken van rVDM is een verplichting die al geldt voorafgaand aan het vervoeren van de vrachten. Het doen van een namelding is een verplichting die geldt ná het verrijden van de vracht. De boetes zijn derhalve opgelegd voor twee verschillende handelingen, dan wel het nalaten van verschillende handelingen, die op verschillende momenten moeten plaatsvinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onlosmakelijke samenloop. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1873 text/xml public 2026-04-10T12:00:18 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-04-07 ak_25_1733 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1873 text/html public 2026-04-08T13:51:48 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1873 Rechtbank Overijssel , 07-04-2026 / ak_25_1733 Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Boete van € 250,- opgelegd. Geen namelding rechtstreeks aan rVDM gedaan. Beroep ongegrond. RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/1733 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres, hierna: [eiseres] (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen) en De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , verweerder, hierna: de minister (gemachtigden: mr. E.J.H. Jansen en mr. B. de Haan). Samenvatting Deze uitspraak gaat over een door de minister aan [eiseres] opgelegde boete van € 250,- voor overtreding van de meststoffenwetgeving. Volgens de minister is in strijd met de regels na het lossen van 25 vrachten dierlijke meststoffen niet tijdig een namelding rechtstreeks aan het digitale systeem real time Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (hierna: rVDM) gedaan. [eiseres] is het niet eens met deze boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de boete terecht is opgelegd. Het beroep is dus ongegrond . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 1. Bij besluit van 17 december 2024 heeft de minister een boete ter hoogte van € 250,- aan [eiseres] opgelegd in verband met 25 overtredingen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij dat besluit gebleven. 1.1. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen. [eiseres] en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers 25/1267, 25/1237, 25/1500 en 25/1385. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank Aanleiding 2. [eiseres] is een erkend intermediair en transporteur van dierlijke meststoffen. 2.1. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) heeft als controlerende organisatie één of meer overtredingen gezien. 2.2. Deze overtredingen zijn voor de minister reden geweest voor extra onderzoek. Dit extra onderzoek heeft geleid tot de besluitvorming zoals beschreven onder Procesverloop. Het bestreden besluit 3. De minister heeft aan [eiseres] een boete van € 250,- opgelegd. Bij het vervoer van dierlijke meststoffen moet na het lossen van de vracht binnen zeven dagen een namelding wordt gedaan rechtstreeks aan rVDM en [eiseres] heeft dit niet tijdig gedaan voor 25 vrachten dierlijke mest. Het gaat hierbij om vrachten die op 10 september 2024 en 11 september 2024 zijn gelost. Volgens de minister is er op 10 september 2024 een storing geweest in het rVDM-systeem, maar deze storing is op dezelfde dag opgelost. Daarom is sprake van overtreding van feitcode M324. De minister heeft de boete gematigd met 90% op grond van het boetebeleid. Daarom bedraagt de boete 25 x (€ 100 - 90%) = € 250,-. Overwegingen Relevante bepalingen 4. Op grond van artikel 51, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt bij het vervoer van dierlijke meststoffen gebruik gemaakt van een door de minister beschikbaar gesteld systeem. 4.1. In artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling) is bepaald dat in deze regeling onder rVDM wordt verstaan: systeem voor het vervoer van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van het besluit. 4.2. In artikel 69r, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat indien en voor zover sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de software-applicatie, bedoeld in artikel 69m, naar het oordeel van de minister niet toereikend is, de gegevens met betrekking tot het vervoer worden vermeld op een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel. 4.3. Artikel 69u van de Uitvoeringsregeling luidt: 1. Ingeval gebruik is gemaakt van het middel, bedoeld in artikel 69r, eerste lid, doet de vervoerder na afloop van het vervoer een namelding rechtstreeks aan rVDM, bestaande uit een vooraanmelding en een startmelding. (…). 3. De namelding, bedoeld in het eerste lid, vindt uiterlijk plaats: a. binnen zeven dagen na afloop van het vervoer; of b. indien de namelding vanwege het niet beschikbaar zijn van rVDM niet plaats kan vinden binnen de termijn, bedoeld in onderdeel a, binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop rVDM weer beschikbaar is geworden. (…). Overtreding? 5. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast van de overtreding, gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, rust op de minister als het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De minister moet daarom het bewijs leveren dat [eiseres] de genoemde bepaling uit de meststoffenwetgeving heeft overtreden en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. 5.1. [eiseres] heeft niet betwist dat zij voor de 25 vrachten papieren vervoersbewijzen dierlijke meststoffen heeft gebruikt. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister afdoende bewijs geleverd dat [eiseres] de meststoffenwetgeving heeft overtreden door voor de 25 vrachten op 10 september 2024 en 11 september 2024 geen namelding rechtstreeks aan rVDM te doen. Dit is een overtreding van artikel 69u, eerste en derde lid, van de Uitvoeringsregeling. Voor zover [eiseres] heeft beoogd te betogen dat verwijtbaarheid ontbreekt, volgt de rechtbank dit betoog niet. De minister heeft uiteengezet dat er weliswaar storingen zijn geweest in het rVDM-systeem op 4 september 2024, 10 september 2024 en 26 september 2024, maar dat deze storingen kortdurend waren en er niet aan in de weg stonden dat [eiseres] uiterlijk binnen zeven dagen na afloop van het vervoer de namelding rechtstreeks aan rVDM kon doen. [eiseres] heeft de juistheid van deze informatie over de storingen in september niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee een feitelijke en juridische grondslag voor de boete aanwezig. Dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, zoals door [eiseres] is betoogd, volgt de rechtbank dan ook niet. Samenloop? 6. [eiseres] heeft betoogd dat zij tweemaal wordt beboet voor dezelfde gestelde misslag. De twee gemaakte verwijten zijn naar haar mening zodanig met elkaar verbonden dat sprake is van een onlosmakelijke samenloop die rechtvaardigt dat maximaal één keer beboet mag worden. 6.1. De rechtbank begrijpt dit betoog zo dat [eiseres] vindt dat het niet gebruiken van rVDM en het niet doen van een namelding rechtstreeks aan rVDM onlosmakelijk met elkaar samenhangen. 6.2. De rechtbank volgt dit betoog van [eiseres] niet. De door [eiseres] aangehaalde andere boete is aan haar opgelegd vanwege het niet gebruiken van rVDM voor 26 vrachten dierlijke meststoffen . De onderhavige boete is opgelegd vanwege het niet binnen zeven dagen na het vervoer van de vrachten doen van een namelding rechtstreeks aan rVDM. Naar het oordeel van de rechtbank hangen deze overtredingen niet zo nauw samen, dat moet worden gezegd dat sprake is van één beboetbaar feit. Het gebruiken van rVDM is een verplichting die al geldt voorafgaand aan het vervoeren van de vrachten. Het doen van een namelding is een verplichting die geldt ná het verrijden van de vracht. De boetes zijn derhalve opgelegd voor twee verschillende handelingen, dan wel het nalaten van verschillende handelingen, die op verschillende momenten moeten plaatsvinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een onlosmakelijke samenloop. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond.