Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-01-05
ECLI:NL:RBOVE:2026:1823
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,929 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1823 text/xml public 2026-04-07T15:06:47 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-01-05 NL:TZ:2502469:R-RK Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1823 text/html public 2026-04-07T15:06:29 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1823 Rechtbank Overijssel , 05-01-2026 / NL:TZ:2502469:R-RK Toewijzing verzoek Wsnp, afwijzing verzoek eerdere ingangsdatum. RECHTBANK Overijssel Team Insolventie Zittingsplaats Almelo Rekestnummer: NL:TZ:2502469:R-RK Vonnis van maandag 5 januari 2026 op het verzoek van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] verzoeker, hierna te noemen [verzoeker], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Samenvatting [verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af. 1 De procedure 1.1. De procedure bestaat uit: - het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen; - de zitting van maandag 15 december 2025, waarbij aanwezig waren: - [verzoeker]; - [echtgenote], echtgenote van [verzoeker]. 1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen. 3 De beoordeling 3.1. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)). 1.1. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Ook heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. 3.2. [verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 30 januari 2025, het moment waarop [verzoeker] (en [echtgenote]) de schuldregelingsovereenkomst met De Stadsbank hebben ondertekend en omdat gedurende het gehele minnelijke traject sprake is geweest van beslag op de uitkering. 3.3. Op 20 december 2024 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1913) prejudiciële vragen beantwoord over het bepalen van een eerder aanvangsmoment van het Wsnp-traject. De Hoge Raad heeft onder andere bepaald dat een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van een schuldenaar gelegd beslag ook als eerste aflossing kan worden aangemerkt. Bij de beoordeling van een eerder aanvangsmoment is echter ook van belang of de wijze waarop de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject heeft ingespannen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, een eerder aanvangsmoment rechtvaardigt. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Tijdens het minnelijk voortraject geldt onder meer de verplichting dat een schuldenaar geen nieuwe schulden mag maken. 3.4. Uit het verzoekschrift blijkt dat een aantal schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift. Het CJIB heeft een vordering op [verzoeker] van in totaal € 8.514,- bestaande uit onder andere een tweetal strafbeschikkingen van ieder € 700,- die op 3 juli 2024 en 31 augustus 2024 zijn ontstaan. Dit is de reden dat [verzoeker] wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet. De rechtbank is van oordeel dat het laten ontstaan van nieuwe schulden die niet te goeder trouw zijn en waardoor een beroep op de hardheidsclausule noodzakelijk is, een omstandigheid is die maakt dat het bepalen van een eerdere ingangsdatum niet gerechtvaardigd is. De rechtbank wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum af. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats]; wonende te [adres 1] 4.2. stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf 5 januari 2026; 4.3. wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af ; 4.4. benoemt tot rechter-commissaris mr. R.P. van Eerde; 4.5. benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2]; 4.6. geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden; 4.7. bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is; 4.8. stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen. Gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1823 text/xml public 2026-04-07T15:06:47 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-01-05 NL:TZ:2502469:R-RK Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1823 text/html public 2026-04-07T15:06:29 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1823 Rechtbank Overijssel , 05-01-2026 / NL:TZ:2502469:R-RK Toewijzing verzoek Wsnp, afwijzing verzoek eerdere ingangsdatum. RECHTBANK Overijssel Team Insolventie Zittingsplaats Almelo Rekestnummer: NL:TZ:2502469:R-RK Vonnis van maandag 5 januari 2026 op het verzoek van [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] verzoeker, hierna te noemen [verzoeker], tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Samenvatting [verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af. 1 De procedure 1.1. De procedure bestaat uit: - het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen; - de zitting van maandag 15 december 2025, waarbij aanwezig waren: - [verzoeker]; - [echtgenote], echtgenote van [verzoeker]. 1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag. 2 Het verzoek 2.1. [verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen. 3 De beoordeling 3.1. Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)). 1.1. De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Ook heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. 3.2. [verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op 30 januari 2025, het moment waarop [verzoeker] (en [echtgenote]) de schuldregelingsovereenkomst met De Stadsbank hebben ondertekend en omdat gedurende het gehele minnelijke traject sprake is geweest van beslag op de uitkering. 3.3. Op 20 december 2024 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:1913) prejudiciële vragen beantwoord over het bepalen van een eerder aanvangsmoment van het Wsnp-traject. De Hoge Raad heeft onder andere bepaald dat een aflossing aan één of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van een schuldenaar gelegd beslag ook als eerste aflossing kan worden aangemerkt. Bij de beoordeling van een eerder aanvangsmoment is echter ook van belang of de wijze waarop de schuldenaar zich tijdens het minnelijke voortraject heeft ingespannen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, een eerder aanvangsmoment rechtvaardigt. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Tijdens het minnelijk voortraject geldt onder meer de verplichting dat een schuldenaar geen nieuwe schulden mag maken. 3.4. Uit het verzoekschrift blijkt dat een aantal schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift. Het CJIB heeft een vordering op [verzoeker] van in totaal € 8.514,- bestaande uit onder andere een tweetal strafbeschikkingen van ieder € 700,- die op 3 juli 2024 en 31 augustus 2024 zijn ontstaan. Dit is de reden dat [verzoeker] wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet. De rechtbank is van oordeel dat het laten ontstaan van nieuwe schulden die niet te goeder trouw zijn en waardoor een beroep op de hardheidsclausule noodzakelijk is, een omstandigheid is die maakt dat het bepalen van een eerdere ingangsdatum niet gerechtvaardigd is. De rechtbank wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum af. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats]; wonende te [adres 1] 4.2. stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf 5 januari 2026; 4.3. wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af ; 4.4. benoemt tot rechter-commissaris mr. R.P. van Eerde; 4.5. benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2]; 4.6. geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden; 4.7. bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is; 4.8. stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen. Gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. Hoger beroep Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.