Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-03-10
ECLI:NL:RBOVE:2026:1328
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,190 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 text/xml public 2026-03-24T15:23:45 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-03-10 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0424 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 text/html public 2026-03-12T14:10:13 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 Rechtbank Overijssel , 10-03-2026 / 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Vorderingen van de werknemer tot uitbetaling salaris, wettelijke verhoging en wettelijke rente toegewezen. Vorderingen die zijn gegrond op slecht werkgeverschap worden afgewezen. Ook de vordering van werkgever tot betaling van schadevergoeding door werknemer wordt afgewezen, want onvoldoende onderbouwd en geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Vonnis van 10 maart 2026 in de zaak van [partij A] , wonende in [woonplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij A] , gemachtigde: mr. J.B. de Jong, tegen [partij B] , handelend onder de naam [bedrijf] , wonende in [woonplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij B] , gemachtigde: mr. P. Raven. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2025; - het verwijzingsvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 augustus 2025; - het herstelexploot van 27 augustus 2025; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie; - de aanvullende producties van de zijde van [partij A] ; - de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [partij A] is op 7 januari 2025 in dienst getreden bij [partij B] op basis van een arbeidsovereenkomst voor 24 uur per week, verdeeld over drie dagen, tegen een salaris van € 2.220,00 bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 30 juni 2025. De functie van [partij A] was marketingmedewerker. Zij verzorgde onder andere posts op social media voor klanten. 2.2. [partij A] heeft zich op 8 mei 2025 ziek gemeld. 2.3. [partij B] heeft het salaris over de maand april 2025 op 15 mei 2025 aan [partij A] uitbetaald. 2.4. [partij B] heeft het salaris van mei en juni 2025 niet uitbetaald. 2.5. De arbeidsovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] is per 30 juni 2025 van rechtswege geëindigd. 3 Het geschil in conventie 3.1. [partij A] vordert – na vermindering van eis – dat de kantonrechter [partij B] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om: binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 710,40 aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris van april 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, over het te laat betaalde salaris van april 2025 plus de wettelijke verhoging daarover, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand mei 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan salaris over de maand juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een eindafrekening op te stellen en aan [partij A] te betalen, ter zake van restant vakantiegeld en niet genoten verlofdagen, alsmede de transitievergoeding ex. artikel 7:673 BW; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen; een bedrag van € 2.500,00 bruto wegens slecht werkgeverschap aan [partij A] te betalen; binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis een loonstrook voor april 2025 en voor de vorderingen onder 1, 2, 3, 4 en 6 af te geven, bij gebreke waarvan [partij B] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen; de proceskosten en de nakosten te betalen. 3.2. [partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. in reconventie 3.3. [partij B] vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter [partij A] zal veroordelen om een bedrag van € 23.000,00 aan voorschot op de geleden schade te betalen, de schade verder nader op te maken bij staat, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. [partij A] heeft verweer gevoerd. 4 De beoordeling in conventie en reconventie 4.1. Vanwege de onderlinge samenhang worden de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld. Daarbij zal eerst op de vordering in reconventie worden ingegaan. 4.2. [partij B] heeft in reconventie schadevergoeding van [partij A] gevorderd, omdat hij vindt dat zij door haar opzettelijk, althans bewust roekeloos handelen, bedrijfsschade heeft veroorzaakt. [partij A] kwam vaak te laat, ook bij belangrijke meetings, en liet de posts op social media door AI opstellen, terwijl zij de belangen (de afspraken met klanten) kende. Het werk van [partij A] was onder de maat en niet in lijn met wat zij op grond van haar gestelde werkervaring had moeten leveren. Klanten waren niet tevreden over (het niveau van) het werk van [partij A] . Eén klant heeft geweigerd de facturen te voldoen en is vervolgens naar een concurrent overgestapt. Een andere nieuwe veelbelovende klant is door het tegenvallende werk van [partij A] weer vertrokken. [partij B] stelt dat hij de klanten creditfacturen heeft moeten sturen. Daarnaast stelt hij dat hij door het vertrek van de klanten omzetschade heeft geleden. Door het bewust roekeloze gedrag van [partij A] is zijn bedrijf bijna ten onder gegaan, aldus [partij B] . 4.3. De kantonrechter stelt voorop dat een werknemer die tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, niet tegenover de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 lid 1 BW). [partij B] moet hier dus stellen dat er sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid bij [partij A] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij B] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [partij A] – op z’n minst – bewust roekeloos heeft gehandeld. [partij B] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [partij A] zich bewust is geweest van het roekeloze karakter van haar handelen. Gesteld noch gebleken is dat hij haar op haar gedrag heeft aangesproken of dat er bijvoorbeeld instructies of vereisten zijn gedeeld waaraan de social mediaposts moesten voldoen. Tot slot heeft [partij B] , ondanks de betwisting van [partij A] , op geen enkele manier onderbouwd dat er klanten zijn vertrokken, dat die klanten zouden zijn vertrokken door het handelen van [partij A] of dat hij zijn klanten creditfacturen heeft moeten sturen. De vordering van [partij B] zal dus worden afgewezen. 4.4. Tussen partijen is verder in geschil of [partij B] het salaris, waar [partij A] op grond van de arbeidsovereenkomst recht op heeft, aan [partij A] moet uitbetalen. Nog daargelaten dat volgens de wet een werkgever slechts onder strikte voorwaarden tijdens het dienstverband zijn vorderingen op een werknemer mag verrekenen met het uit te betalen loon, is hiervoor al geoordeeld dat [partij B] geen (schade)vergoedingsvordering op [partij A] had. Het stond hem dan ook niet vrij om om die reden loon in te houden. Dat [partij B] een andere vordering op [partij A] had, is gesteld, noch gebleken.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 text/xml public 2026-03-24T15:23:45 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-03-10 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0424 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 text/html public 2026-03-12T14:10:13 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 Rechtbank Overijssel , 10-03-2026 / 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Vorderingen van de werknemer tot uitbetaling salaris, wettelijke verhoging en wettelijke rente toegewezen. Vorderingen die zijn gegrond op slecht werkgeverschap worden afgewezen. Ook de vordering van werkgever tot betaling van schadevergoeding door werknemer wordt afgewezen, want onvoldoende onderbouwd en geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Vonnis van 10 maart 2026 in de zaak van [partij A] , wonende in [woonplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij A] , gemachtigde: mr. J.B. de Jong, tegen [partij B] , handelend onder de naam [bedrijf] , wonende in [woonplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij B] , gemachtigde: mr. P. Raven. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2025; - het verwijzingsvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 augustus 2025; - het herstelexploot van 27 augustus 2025; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie; - de aanvullende producties van de zijde van [partij A] ; - de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [partij A] is op 7 januari 2025 in dienst getreden bij [partij B] op basis van een arbeidsovereenkomst voor 24 uur per week, verdeeld over drie dagen, tegen een salaris van € 2.220,00 bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 30 juni 2025. De functie van [partij A] was marketingmedewerker. Zij verzorgde onder andere posts op social media voor klanten. 2.2. [partij A] heeft zich op 8 mei 2025 ziek gemeld. 2.3. [partij B] heeft het salaris over de maand april 2025 op 15 mei 2025 aan [partij A] uitbetaald. 2.4. [partij B] heeft het salaris van mei en juni 2025 niet uitbetaald. 2.5. De arbeidsovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] is per 30 juni 2025 van rechtswege geëindigd. 3 Het geschil in conventie 3.1. [partij A] vordert – na vermindering van eis – dat de kantonrechter [partij B] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om: binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 710,40 aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris van april 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, over het te laat betaalde salaris van april 2025 plus de wettelijke verhoging daarover, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand mei 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan salaris over de maand juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een eindafrekening op te stellen en aan [partij A] te betalen, ter zake van restant vakantiegeld en niet genoten verlofdagen, alsmede de transitievergoeding ex. artikel 7:673 BW; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen; een bedrag van € 2.500,00 bruto wegens slecht werkgeverschap aan [partij A] te betalen; binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis een loonstrook voor april 2025 en voor de vorderingen onder 1, 2, 3, 4 en 6 af te geven, bij gebreke waarvan [partij B] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen; de proceskosten en de nakosten te betalen. 3.2. [partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. in reconventie 3.3. [partij B] vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter [partij A] zal veroordelen om een bedrag van € 23.000,00 aan voorschot op de geleden schade te betalen, de schade verder nader op te maken bij staat, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. [partij A] heeft verweer gevoerd. 4 De beoordeling in conventie en reconventie 4.1. Vanwege de onderlinge samenhang worden de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld. Daarbij zal eerst op de vordering in reconventie worden ingegaan. 4.2. [partij B] heeft in reconventie schadevergoeding van [partij A] gevorderd, omdat hij vindt dat zij door haar opzettelijk, althans bewust roekeloos handelen, bedrijfsschade heeft veroorzaakt. [partij A] kwam vaak te laat, ook bij belangrijke meetings, en liet de posts op social media door AI opstellen, terwijl zij de belangen (de afspraken met klanten) kende. Het werk van [partij A] was onder de maat en niet in lijn met wat zij op grond van haar gestelde werkervaring had moeten leveren. Klanten waren niet tevreden over (het niveau van) het werk van [partij A] . Eén klant heeft geweigerd de facturen te voldoen en is vervolgens naar een concurrent overgestapt. Een andere nieuwe veelbelovende klant is door het tegenvallende werk van [partij A] weer vertrokken. [partij B] stelt dat hij de klanten creditfacturen heeft moeten sturen. Daarnaast stelt hij dat hij door het vertrek van de klanten omzetschade heeft geleden. Door het bewust roekeloze gedrag van [partij A] is zijn bedrijf bijna ten onder gegaan, aldus [partij B] . 4.3. De kantonrechter stelt voorop dat een werknemer die tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, niet tegenover de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 lid 1 BW). [partij B] moet hier dus stellen dat er sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid bij [partij A] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij B] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [partij A] – op z’n minst – bewust roekeloos heeft gehandeld. [partij B] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [partij A] zich bewust is geweest van het roekeloze karakter van haar handelen. Gesteld noch gebleken is dat hij haar op haar gedrag heeft aangesproken of dat er bijvoorbeeld instructies of vereisten zijn gedeeld waaraan de social mediaposts moesten voldoen. Tot slot heeft [partij B] , ondanks de betwisting van [partij A] , op geen enkele manier onderbouwd dat er klanten zijn vertrokken, dat die klanten zouden zijn vertrokken door het handelen van [partij A] of dat hij zijn klanten creditfacturen heeft moeten sturen. De vordering van [partij B] zal dus worden afgewezen. 4.4. Tussen partijen is verder in geschil of [partij B] het salaris, waar [partij A] op grond van de arbeidsovereenkomst recht op heeft, aan [partij A] moet uitbetalen. Nog daargelaten dat volgens de wet een werkgever slechts onder strikte voorwaarden tijdens het dienstverband zijn vorderingen op een werknemer mag verrekenen met het uit te betalen loon, is hiervoor al geoordeeld dat [partij B] geen (schade)vergoedingsvordering op [partij A] had. Het stond hem dan ook niet vrij om om die reden loon in te houden. Dat [partij B] een andere vordering op [partij A] had, is gesteld, noch gebleken.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 text/xml public 2026-05-20T10:02:09 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-03-10 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Civiel recht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0424 TRA 2026/48 met annotatie van E. van Vliet http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 text/html public 2026-03-12T14:10:13 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1328 Rechtbank Overijssel , 10-03-2026 / 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Vorderingen van de werknemer tot uitbetaling salaris, wettelijke verhoging en wettelijke rente toegewezen. Vorderingen die zijn gegrond op slecht werkgeverschap worden afgewezen. Ook de vordering van werkgever tot betaling van schadevergoeding door werknemer wordt afgewezen, want onvoldoende onderbouwd en geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 11879373 \ CV EXPL 25-2750 Vonnis van 10 maart 2026 in de zaak van [partij A] , wonende in [woonplaats 1] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij A] , gemachtigde: mr. J.B. de Jong, tegen [partij B] , handelend onder de naam [bedrijf] , wonende in [woonplaats 2] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [partij B] , gemachtigde: mr. P. Raven. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juni 2025; - het verwijzingsvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 6 augustus 2025; - het herstelexploot van 27 augustus 2025; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie; - de aanvullende producties van de zijde van [partij A] ; - de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. [partij A] is op 7 januari 2025 in dienst getreden bij [partij B] op basis van een arbeidsovereenkomst voor 24 uur per week, verdeeld over drie dagen, tegen een salaris van € 2.220,00 bruto per maand. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 30 juni 2025. De functie van [partij A] was marketingmedewerker. Zij verzorgde onder andere posts op social media voor klanten. 2.2. [partij A] heeft zich op 8 mei 2025 ziek gemeld. 2.3. [partij B] heeft het salaris over de maand april 2025 op 15 mei 2025 aan [partij A] uitbetaald. 2.4. [partij B] heeft het salaris van mei en juni 2025 niet uitbetaald. 2.5. De arbeidsovereenkomst tussen [partij A] en [partij B] is per 30 juni 2025 van rechtswege geëindigd. 3 Het geschil in conventie 3.1. [partij A] vordert – na vermindering van eis – dat de kantonrechter [partij B] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om: binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 710,40 aan wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris van april 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, over het te laat betaalde salaris van april 2025 plus de wettelijke verhoging daarover, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand mei 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan salaris over de maand juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een eindafrekening op te stellen en aan [partij A] te betalen, ter zake van restant vakantiegeld en niet genoten verlofdagen, alsmede de transitievergoeding ex. artikel 7:673 BW; binnen twee dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen; een bedrag van € 2.500,00 bruto wegens slecht werkgeverschap aan [partij A] te betalen; binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis een loonstrook voor april 2025 en voor de vorderingen onder 1, 2, 3, 4 en 6 af te geven, bij gebreke waarvan [partij B] een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen; de proceskosten en de nakosten te betalen. 3.2. [partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. in reconventie 3.3. [partij B] vordert in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter [partij A] zal veroordelen om een bedrag van € 23.000,00 aan voorschot op de geleden schade te betalen, de schade verder nader op te maken bij staat, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. [partij A] heeft verweer gevoerd. 4 De beoordeling in conventie en reconventie 4.1. Vanwege de onderlinge samenhang worden de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk behandeld. Daarbij zal eerst op de vordering in reconventie worden ingegaan. 4.2. [partij B] heeft in reconventie schadevergoeding van [partij A] gevorderd, omdat hij vindt dat zij door haar opzettelijk, althans bewust roekeloos handelen, bedrijfsschade heeft veroorzaakt. [partij A] kwam vaak te laat, ook bij belangrijke meetings, en liet de posts op social media door AI opstellen, terwijl zij de belangen (de afspraken met klanten) kende. Het werk van [partij A] was onder de maat en niet in lijn met wat zij op grond van haar gestelde werkervaring had moeten leveren. Klanten waren niet tevreden over (het niveau van) het werk van [partij A] . Eén klant heeft geweigerd de facturen te voldoen en is vervolgens naar een concurrent overgestapt. Een andere nieuwe veelbelovende klant is door het tegenvallende werk van [partij A] weer vertrokken. [partij B] stelt dat hij de klanten creditfacturen heeft moeten sturen. Daarnaast stelt hij dat hij door het vertrek van de klanten omzetschade heeft geleden. Door het bewust roekeloze gedrag van [partij A] is zijn bedrijf bijna ten onder gegaan, aldus [partij B] . 4.3. De kantonrechter stelt voorop dat een werknemer die tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, niet tegenover de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid (artikel 7:661 lid 1 BW). [partij B] moet hier dus stellen dat er sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid bij [partij A] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij B] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [partij A] – op z’n minst – bewust roekeloos heeft gehandeld. [partij B] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [partij A] zich bewust is geweest van het roekeloze karakter van haar handelen. Gesteld noch gebleken is dat hij haar op haar gedrag heeft aangesproken of dat er bijvoorbeeld instructies of vereisten zijn gedeeld waaraan de social mediaposts moesten voldoen. Tot slot heeft [partij B] , ondanks de betwisting van [partij A] , op geen enkele manier onderbouwd dat er klanten zijn vertrokken, dat die klanten zouden zijn vertrokken door het handelen van [partij A] of dat hij zijn klanten creditfacturen heeft moeten sturen. De vordering van [partij B] zal dus worden afgewezen. 4.4. Tussen partijen is verder in geschil of [partij B] het salaris, waar [partij A] op grond van de arbeidsovereenkomst recht op heeft, aan [partij A] moet uitbetalen. Nog daargelaten dat volgens de wet een werkgever slechts onder strikte voorwaarden tijdens het dienstverband zijn vorderingen op een werknemer mag verrekenen met het uit te betalen loon, is hiervoor al geoordeeld dat [partij B] geen (schade)vergoedingsvordering op [partij A] had. Het stond hem dan ook niet vrij om om die reden loon in te houden. Dat [partij B] een andere vordering op [partij A] had, is gesteld, noch gebleken.
Volledig
Als [partij B] ontevreden was over het werk van [partij A] , had het op zijn weg gelegen om met [partij A] in gesprek te gaan, duidelijke instructies te geven, afspraken te maken en daarvan verslag te leggen. Bij het uitblijven van verbetering had [partij B] een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen starten. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door [partij B] aangevoerde gedragingen van [partij A] , wat daar ook van zij, juridisch gezien geen reden om het salaris niet uit te betalen. [partij A] heeft dus recht op salaris tot het einde van het dienstverband. De vorderingen tot betaling van het salaris van mei en juni 2025 zullen dan ook worden toegewezen. 4.5. Omdat [partij B] het salaris niet (tijdig) heeft betaald, moet hij daarover ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente betalen. De gevorderde wettelijke verhoging van € 710,40 over april 2025 zal worden toegewezen. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging over mei en juni 2025 naar 40% van het te laat betaalde salaris, omdat de kantonrechter het in hoge mate verwijtbaar vindt dat [partij B] het salaris van [partij A] niet heeft uitbetaald, maar [partij B] ook heeft gesteld dat sprake is van financiële problemen. Dat betekent dat over beide maanden een bedrag van € 888,00 aan wettelijke verhoging wordt toegewezen, in totaal € 1.776,00. 4.6. Voor zover gevorderd, zal de wettelijke rente over het salaris van april 2025 worden afgewezen. [partij A] heeft de rente vanaf de dag van dagvaarding gevorderd, maar toen was het salaris van april 2025 al uitbetaald. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging over het salaris van april 2025 zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 30 juni 2025. Ook de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris van mei en juni 2025 zal vanaf de dag van dagvaarding worden toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging over het salaris van mei en juni 2025 zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, omdat er voor de betaling van die wettelijke verhogingen niet eerder een aanmaning is gestuurd. De onder 1. gevorderde wettelijke verhoging over de wettelijke rente zal worden afgewezen. 4.7. De kantonrechter vat de vordering onder 4. zo op dat [partij A] vordert om tot uitbetaling van het restant vakantiegeld, de niet-genoten verlofdagen en de transitievergoeding over te gaan, en tot overlegging van een eindafrekening daarvan. Ook deze vorderingen zullen worden toegewezen. Het door [partij A] gevorderde bedrag aan transitievergoeding, ad € 370,00, zal worden toegewezen. 4.8. [partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het gevorderde bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten voldoet aan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. 4.9. [partij A] heeft verder een bedrag van € 2.500,00 aan schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap gevorderd. [partij B] heeft volgens [partij A] haar ziekmelding beantwoord met een intimiderende voicemail, haar salaris (herhaaldelijk) te laat of niet betaald, en haar ongegrond en zonder onderbouwing aansprakelijk gesteld voor gestelde bedrijfsverliezen. Deze gedragingen leveren volgens [partij A] een schending op van het goed werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. [partij A] stelt dat zij door het gedrag van [partij B] in haar herstel is belemmerd en dat zij financiële schade ter hoogte van een bedrag van € 2.500,00 heeft geleden. 4.10. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd dat zij door het handelen van [partij B] schade heeft geleden die niet al in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komt (zoals de wettelijke rente die als schadevergoeding voor de niet tijdige loonbetaling wordt toegekend). Verder heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd op welke manier zij in haar herstel is belemmerd en dat blijkt ook niet uit de gestelde feiten en omstandigheden. De vordering tot betaling van schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap zal dan ook worden afgewezen. 4.11. De vordering tot – zo de kantonrechter begrijpt – afgifte van loonstroken over de maanden april, mei en juni 2025, inclusief de wettelijke verhoging, het vakantiegeld, de niet-genoten vakantiedagen en de transitievergoeding zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [partij A] niet heeft gesteld en niet is gebleken dat [partij B] niet aan deze veroordeling zal voldoen. 4.12. [partij A] vordert dat [partij B] veroordeeld wordt om de eerder toegewezen bedragen en handelingen binnen twee, dan wel vijf, werkdagen na de datum van het vonnis te voldoen, dan wel te verrichten. Deze termijn acht de kantonrechter te kort, mede omdat de hoogte van sommige bedragen (zoals het restant vakantiegeld en de niet genoten vakantiedagen) nog berekend moet worden. De kantonrechter zal daarom bepalen dat [partij B] deze betalingen en handelingen binnen een termijn van twee weken moet verrichten, zoals in het dictum is uitgewerkt. 4.13. [partij B] wordt zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [partij A] betalen. In conventie worden de proceskosten begroot op: kosten dagvaarding € 148,04 griffierecht € 257,00 salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00) nakosten € 144,00 totaal € 1.269,04 De kantonrechter oordeelt dat de kosten voor het herstelexploot voor rekening van [partij A] moeten blijven. In reconventie worden de proceskosten aan de zijde van [partij A] begroot op € 577,00 (2 punten x 0,5 x tarief € 577,00). 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 710,40 aan wettelijke verhoging over het salaris van april 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand mei 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.3. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.4. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 1.776,00 aan wettelijke verhoging over het salaris van mei en juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.5. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een eindafrekening op te stellen en het restant vakantiegeld en niet genoten verlofdagen aan [partij A] te betalen, alsmede de transitievergoeding van € 370,00; 5.6. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen; 5.7. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een loonstrook af te geven voor de maanden april, mei en juni 2025, inclusief de wettelijke verhogingen, het vakantiegeld, de niet genoten verlofdagen en de transitievergoeding; 5.8. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 1.269,04; 5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie 5.11. wijst de vordering van [partij B] af; 5.12. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 577,00. Dit vonnis is gewezen door mr. M.O.
Volledig
Als [partij B] ontevreden was over het werk van [partij A] , had het op zijn weg gelegen om met [partij A] in gesprek te gaan, duidelijke instructies te geven, afspraken te maken en daarvan verslag te leggen. Bij het uitblijven van verbetering had [partij B] een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen starten. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door [partij B] aangevoerde gedragingen van [partij A] , wat daar ook van zij, juridisch gezien geen reden om het salaris niet uit te betalen. [partij A] heeft dus recht op salaris tot het einde van het dienstverband. De vorderingen tot betaling van het salaris van mei en juni 2025 zullen dan ook worden toegewezen. 4.5. Omdat [partij B] het salaris niet (tijdig) heeft betaald, moet hij daarover ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente betalen. De gevorderde wettelijke verhoging van € 710,40 over april 2025 zal worden toegewezen. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging over mei en juni 2025 naar 40% van het te laat betaalde salaris, omdat de kantonrechter het in hoge mate verwijtbaar vindt dat [partij B] het salaris van [partij A] niet heeft uitbetaald, maar [partij B] ook heeft gesteld dat sprake is van financiële problemen. Dat betekent dat over beide maanden een bedrag van € 888,00 aan wettelijke verhoging wordt toegewezen, in totaal € 1.776,00. 4.6. Voor zover gevorderd, zal de wettelijke rente over het salaris van april 2025 worden afgewezen. [partij A] heeft de rente vanaf de dag van dagvaarding gevorderd, maar toen was het salaris van april 2025 al uitbetaald. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging over het salaris van april 2025 zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 30 juni 2025. Ook de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris van mei en juni 2025 zal vanaf de dag van dagvaarding worden toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging over het salaris van mei en juni 2025 zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, omdat er voor de betaling van die wettelijke verhogingen niet eerder een aanmaning is gestuurd. De onder 1. gevorderde wettelijke verhoging over de wettelijke rente zal worden afgewezen. 4.7. De kantonrechter vat de vordering onder 4. zo op dat [partij A] vordert om tot uitbetaling van het restant vakantiegeld, de niet-genoten verlofdagen en de transitievergoeding over te gaan, en tot overlegging van een eindafrekening daarvan. Ook deze vorderingen zullen worden toegewezen. Het door [partij A] gevorderde bedrag aan transitievergoeding, ad € 370,00, zal worden toegewezen. 4.8. [partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het gevorderde bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten voldoet aan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. 4.9. [partij A] heeft verder een bedrag van € 2.500,00 aan schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap gevorderd. [partij B] heeft volgens [partij A] haar ziekmelding beantwoord met een intimiderende voicemail, haar salaris (herhaaldelijk) te laat of niet betaald, en haar ongegrond en zonder onderbouwing aansprakelijk gesteld voor gestelde bedrijfsverliezen. Deze gedragingen leveren volgens [partij A] een schending op van het goed werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. [partij A] stelt dat zij door het gedrag van [partij B] in haar herstel is belemmerd en dat zij financiële schade ter hoogte van een bedrag van € 2.500,00 heeft geleden. 4.10. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd dat zij door het handelen van [partij B] schade heeft geleden die niet al in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komt (zoals de wettelijke rente die als schadevergoeding voor de niet tijdige loonbetaling wordt toegekend). Verder heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd op welke manier zij in haar herstel is belemmerd en dat blijkt ook niet uit de gestelde feiten en omstandigheden. De vordering tot betaling van schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap zal dan ook worden afgewezen. 4.11. De vordering tot – zo de kantonrechter begrijpt – afgifte van loonstroken over de maanden april, mei en juni 2025, inclusief de wettelijke verhoging, het vakantiegeld, de niet-genoten vakantiedagen en de transitievergoeding zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [partij A] niet heeft gesteld en niet is gebleken dat [partij B] niet aan deze veroordeling zal voldoen. 4.12. [partij A] vordert dat [partij B] veroordeeld wordt om de eerder toegewezen bedragen en handelingen binnen twee, dan wel vijf, werkdagen na de datum van het vonnis te voldoen, dan wel te verrichten. Deze termijn acht de kantonrechter te kort, mede omdat de hoogte van sommige bedragen (zoals het restant vakantiegeld en de niet genoten vakantiedagen) nog berekend moet worden. De kantonrechter zal daarom bepalen dat [partij B] deze betalingen en handelingen binnen een termijn van twee weken moet verrichten, zoals in het dictum is uitgewerkt. 4.13. [partij B] wordt zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [partij A] betalen. In conventie worden de proceskosten begroot op: kosten dagvaarding € 148,04 griffierecht € 257,00 salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00) nakosten € 144,00 totaal € 1.269,04 De kantonrechter oordeelt dat de kosten voor het herstelexploot voor rekening van [partij A] moeten blijven. In reconventie worden de proceskosten aan de zijde van [partij A] begroot op € 577,00 (2 punten x 0,5 x tarief € 577,00). 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 710,40 aan wettelijke verhoging over het salaris van april 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand mei 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.3. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.4. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 1.776,00 aan wettelijke verhoging over het salaris van mei en juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.5. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een eindafrekening op te stellen en het restant vakantiegeld en niet genoten verlofdagen aan [partij A] te betalen, alsmede de transitievergoeding van € 370,00; 5.6. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen; 5.7. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een loonstrook af te geven voor de maanden april, mei en juni 2025, inclusief de wettelijke verhogingen, het vakantiegeld, de niet genoten verlofdagen en de transitievergoeding; 5.8. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 1.269,04; 5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie 5.11. wijst de vordering van [partij B] af; 5.12. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 577,00. Dit vonnis is gewezen door mr. M.O.
Volledig
Als [partij B] ontevreden was over het werk van [partij A] , had het op zijn weg gelegen om met [partij A] in gesprek te gaan, duidelijke instructies te geven, afspraken te maken en daarvan verslag te leggen. Bij het uitblijven van verbetering had [partij B] een procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kunnen starten. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de door [partij B] aangevoerde gedragingen van [partij A] , wat daar ook van zij, juridisch gezien geen reden om het salaris niet uit te betalen. [partij A] heeft dus recht op salaris tot het einde van het dienstverband. De vorderingen tot betaling van het salaris van mei en juni 2025 zullen dan ook worden toegewezen. 4.5. Omdat [partij B] het salaris niet (tijdig) heeft betaald, moet hij daarover ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente betalen. De gevorderde wettelijke verhoging van € 710,40 over april 2025 zal worden toegewezen. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging over mei en juni 2025 naar 40% van het te laat betaalde salaris, omdat de kantonrechter het in hoge mate verwijtbaar vindt dat [partij B] het salaris van [partij A] niet heeft uitbetaald, maar [partij B] ook heeft gesteld dat sprake is van financiële problemen. Dat betekent dat over beide maanden een bedrag van € 888,00 aan wettelijke verhoging wordt toegewezen, in totaal € 1.776,00. 4.6. Voor zover gevorderd, zal de wettelijke rente over het salaris van april 2025 worden afgewezen. [partij A] heeft de rente vanaf de dag van dagvaarding gevorderd, maar toen was het salaris van april 2025 al uitbetaald. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging over het salaris van april 2025 zal, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 30 juni 2025. Ook de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris van mei en juni 2025 zal vanaf de dag van dagvaarding worden toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging over het salaris van mei en juni 2025 zal worden toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis, omdat er voor de betaling van die wettelijke verhogingen niet eerder een aanmaning is gestuurd. De onder 1. gevorderde wettelijke verhoging over de wettelijke rente zal worden afgewezen. 4.7. De kantonrechter vat de vordering onder 4. zo op dat [partij A] vordert om tot uitbetaling van het restant vakantiegeld, de niet-genoten verlofdagen en de transitievergoeding over te gaan, en tot overlegging van een eindafrekening daarvan. Ook deze vorderingen zullen worden toegewezen. Het door [partij A] gevorderde bedrag aan transitievergoeding, ad € 370,00, zal worden toegewezen. 4.8. [partij A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het gevorderde bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten voldoet aan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. 4.9. [partij A] heeft verder een bedrag van € 2.500,00 aan schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap gevorderd. [partij B] heeft volgens [partij A] haar ziekmelding beantwoord met een intimiderende voicemail, haar salaris (herhaaldelijk) te laat of niet betaald, en haar ongegrond en zonder onderbouwing aansprakelijk gesteld voor gestelde bedrijfsverliezen. Deze gedragingen leveren volgens [partij A] een schending op van het goed werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 7:611 BW. [partij A] stelt dat zij door het gedrag van [partij B] in haar herstel is belemmerd en dat zij financiële schade ter hoogte van een bedrag van € 2.500,00 heeft geleden. 4.10. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd dat zij door het handelen van [partij B] schade heeft geleden die niet al in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komt (zoals de wettelijke rente die als schadevergoeding voor de niet tijdige loonbetaling wordt toegekend). Verder heeft [partij A] onvoldoende onderbouwd op welke manier zij in haar herstel is belemmerd en dat blijkt ook niet uit de gestelde feiten en omstandigheden. De vordering tot betaling van schadevergoeding wegens slecht werkgeverschap zal dan ook worden afgewezen. 4.11. De vordering tot – zo de kantonrechter begrijpt – afgifte van loonstroken over de maanden april, mei en juni 2025, inclusief de wettelijke verhoging, het vakantiegeld, de niet-genoten vakantiedagen en de transitievergoeding zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, omdat [partij A] niet heeft gesteld en niet is gebleken dat [partij B] niet aan deze veroordeling zal voldoen. 4.12. [partij A] vordert dat [partij B] veroordeeld wordt om de eerder toegewezen bedragen en handelingen binnen twee, dan wel vijf, werkdagen na de datum van het vonnis te voldoen, dan wel te verrichten. Deze termijn acht de kantonrechter te kort, mede omdat de hoogte van sommige bedragen (zoals het restant vakantiegeld en de niet genoten vakantiedagen) nog berekend moet worden. De kantonrechter zal daarom bepalen dat [partij B] deze betalingen en handelingen binnen een termijn van twee weken moet verrichten, zoals in het dictum is uitgewerkt. 4.13. [partij B] wordt zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [partij A] betalen. In conventie worden de proceskosten begroot op: kosten dagvaarding € 148,04 griffierecht € 257,00 salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00) nakosten € 144,00 totaal € 1.269,04 De kantonrechter oordeelt dat de kosten voor het herstelexploot voor rekening van [partij A] moeten blijven. In reconventie worden de proceskosten aan de zijde van [partij A] begroot op € 577,00 (2 punten x 0,5 x tarief € 577,00). 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 710,40 aan wettelijke verhoging over het salaris van april 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand mei 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.3. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 2.220,00 bruto aan achterstallig salaris over de maand juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 juni 2025 tot de dag van volledige betaling; 5.4. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 1.776,00 aan wettelijke verhoging over het salaris van mei en juni 2025 aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 5.5. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een eindafrekening op te stellen en het restant vakantiegeld en niet genoten verlofdagen aan [partij A] te betalen, alsmede de transitievergoeding van € 370,00; 5.6. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een bedrag van € 500,00 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten aan [partij A] te betalen; 5.7. veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis een loonstrook af te geven voor de maanden april, mei en juni 2025, inclusief de wettelijke verhogingen, het vakantiegeld, de niet genoten verlofdagen en de transitievergoeding; 5.8. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 1.269,04; 5.9. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.10. wijst het meer of anders gevorderde af; in reconventie 5.11. wijst de vordering van [partij B] af; 5.12. veroordeelt [partij B] in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 577,00. Dit vonnis is gewezen door mr. M.O.