Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2026-03-10
ECLI:NL:RBOVE:2026:1267
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,882 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1267 text/xml public 2026-03-13T12:00:29 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-03-10 11838486 \ CV EXPL 25-2403 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1267 text/html public 2026-03-10T14:27:10 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1267 Rechtbank Overijssel , 10-03-2026 / 11838486 \ CV EXPL 25-2403 Eiser vordert betaling van meerdere bedragen. Eiser is in dienst geweest bij de gedaagde en stelt dat gedaagde nog betalingen aan hem te goed moet komen. Gedaagde voert verweer. De rechtbank bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 24 maart 2026 voor het nemen van een akte door Zorg-Advies, waarna eiser op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 11838486 \ CV EXPL 25-2403 Vonnis van 10 maart 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. K.K.B. Kögging, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZORG-ADVIES TWENTE B.V. , gevestigd en kantoorhoudende in Enschede, gedaagde partij, hierna te noemen: Zorg-Advies, gemachtigde: mr. P.J.B.M. Besselink. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 augustus 2025; - de conclusie van antwoord; - de akte met aanvullende producties van 29 januari 2026 van de zijde van [eiser]; - de akte vermeerdering van eis van 5 februari 2026 van de zijde van [eiser], met tevens de (beter leesbare) producties zoals reeds overgelegd op 29 januari 2026; - de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waar van de zijde van [eiser] een pleitnota is overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken. 1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. Zorg-Advies is een organisatie die onder andere ambulante begeleiding aanbiedt. 2.2. [eiser] is op 1 oktober 2021 in dienst getreden bij Zorg-Advies op basis van een contract voor een bepaalde tijd van zeven maanden, dus tot 1 mei 2022. In deze (eerste) arbeidsovereenkomst is een arbeidsomvang van minimaal 16 uur en maximaal 24 uur per week overeengekomen. 2.3. Met ingang van 1 januari 2022 is de arbeidsomvang gewijzigd naar minimaal 24 uur en maximaal 32 uur per week. 2.4. Op 17 maart 2022 zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsomvang met ingang van 1 april 2022 zal worden gewijzigd naar minimaal 28 uur en maximaal 36 uur per week. 2.5. Ook zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] zou worden voortgezet. In het op 23 maart 2022 door partijen opgestelde document staat: “ WIJZIGING ARBEIDSOVEREENKOMST De ondergetekenden [Zorg-Advies] en [[eiser]] verklaren hierbij in de tussen hen op 17-03-2022 gedateerde arbeidsovereenkomst de volgende wijzigingen overeen te komen: De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt met ingang van 01-04-2022 verlengt met 12 maanden op basis van (min. 28 uur tot max. 36 uur). Werkneemster ontvangt per 01-04-2022 een uurloon van € 14,04 (…).” 2.6. Op 21 oktober 2022 heeft [eiser] zich ziekgemeld. 2.7. Op 22 februari 2023 heeft Zorg-Advies schriftelijk aan [eiser] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op 1 april 2023 van rechtswege zal eindigen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – na vermeerdering van eis – dat de kantonrechter Zorg-Advies zal veroordelen om: I. een bedrag van € 11.761,58 bruto aan achterstallig loon, inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, over de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; II. een bedrag van € 19.516,70 bruto aan wettelijke verhoging aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; III. een bedrag van € 7.330,67 bruto aan opgebouwde doch niet genoten verlofuren, inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. een bedrag van € 349,74 bruto aan aanvullende transitievergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; V. te bepalen dat op het bovenstaande een bedrag van € 818,43 bruto en een bedrag van € 57,05 netto in mindering strekken; VI. een bedrag van € 604,08 netto aan kilometervergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; VII. een bedrag van € 914,32 netto aan ten onrechte ingehouden reiskostenvergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; VIII. tot afgifte over te gaan van een bruto/netto specificatie ten aanzien van de bedragen onder I. tot en met V., op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat Zorg-Advies, vanaf een termijn van één week na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft om hieraan uitvoering te geven; IX. een bedrag van € 1.134,21 netto, te vermeerderen met 21% btw, aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; X. de proceskosten en de nakosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Zorg-Advies voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4 De beoordeling 4.1. Ter zitting heeft mr. Besselink namens Zorg-Advies verzocht om de gelegenheid te krijgen om bij akte te reageren op de uitgebreide pleitnota van mr. Kögging. De kantonrechter heeft naar aanleiding van dat verzoek bepaald dat vandaag eerst een tussenvonnis zal worden gewezen waarin wordt ingegaan op drie onderwerpen, namelijk de einddatum van de arbeidsovereenkomst na de overeengekomen verlenging, de referteperiode voor het bepalen van de arbeidsomvang tijdens de ziekte van [eiser] en de gemaakte overuren, die eveneens van belang zijn voor het bepalen van de arbeidsomvang. Zoals ter zitting besproken zal mr. Besselink vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren op de pleitnota van mr. Kögging. De verlenging van de arbeidsovereenkomst 4.2. [eiser] heeft aan verschillende vorderingen ten grondslag gelegd dat zij over de maand april 2023 loon had moeten ontvangen, maar dat Zorg-Advies de arbeidsovereenkomst een maand te vroeg heeft beëindigd en geen loon meer heeft uitbetaald. Volgens [eiser] zijn partijen overeengekomen dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst, die tot 1 mei 2022 duurde, met 12 maanden is verlengd. Daarmee zou de arbeidsovereenkomst volgens haar dus tot 1 mei 2023 duren. Het is volgens [eiser] duidelijk dat de datum met ingang waarvan de arbeidsovereenkomst werd verlengd in plaats van “01042022” eigenlijk “01-05-2022” had moeten zijn. Zorg-Advies heeft de arbeidsovereenkomst dus te vroeg beëindigd, aldus [eiser]. 4.3. Volgens Zorg-Advies duurde de (verlengde) arbeidsovereenkomst tot 1 april 2023. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is per 1 april 2022 immers verlengd voor 12 maanden, dus tot 1 april 2023, aldus Zorg-Advies. 4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst per 1 april 2022 verlengd met 12 maanden tot 1 april 2023. De tekst van het door partijen ondertekende stuk genaamd “wijziging arbeidsovereenkomst” luidt immers dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2022 wordt verlengd met 12 maanden. Dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst tot 1 mei 2022 duurde betekent niet dat de arbeidsovereenkomst niet vanaf 1 april 2022 kon worden gewijzigd en verlengd. Er is namelijk geen regel die bepaalt dat partijen niet eerder een nieuwe arbeidsovereenkomst kunnen sluiten. Dat in de personeelsportal 1 mei 2023 als einddatum van de arbeidsovereenkomst stond opgenomen, zoals [eiser] betoogt, heeft Zorg-Advies ter zitting voldoende verklaard door toe te lichten dat dat een portal voor de loonadministratie betreft en dat deze portal geen personeelsinformatie inhoudt.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2026:1267 text/xml public 2026-03-13T12:00:29 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-03-10 11838486 \ CV EXPL 25-2403 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Enschede Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:1267 text/html public 2026-03-10T14:27:10 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:1267 Rechtbank Overijssel , 10-03-2026 / 11838486 \ CV EXPL 25-2403 Eiser vordert betaling van meerdere bedragen. Eiser is in dienst geweest bij de gedaagde en stelt dat gedaagde nog betalingen aan hem te goed moet komen. Gedaagde voert verweer. De rechtbank bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 24 maart 2026 voor het nemen van een akte door Zorg-Advies, waarna eiser op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 11838486 \ CV EXPL 25-2403 Vonnis van 10 maart 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. K.K.B. Kögging, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZORG-ADVIES TWENTE B.V. , gevestigd en kantoorhoudende in Enschede, gedaagde partij, hierna te noemen: Zorg-Advies, gemachtigde: mr. P.J.B.M. Besselink. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 augustus 2025; - de conclusie van antwoord; - de akte met aanvullende producties van 29 januari 2026 van de zijde van [eiser]; - de akte vermeerdering van eis van 5 februari 2026 van de zijde van [eiser], met tevens de (beter leesbare) producties zoals reeds overgelegd op 29 januari 2026; - de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waar van de zijde van [eiser] een pleitnota is overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er is besproken. 1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2 De feiten 2.1. Zorg-Advies is een organisatie die onder andere ambulante begeleiding aanbiedt. 2.2. [eiser] is op 1 oktober 2021 in dienst getreden bij Zorg-Advies op basis van een contract voor een bepaalde tijd van zeven maanden, dus tot 1 mei 2022. In deze (eerste) arbeidsovereenkomst is een arbeidsomvang van minimaal 16 uur en maximaal 24 uur per week overeengekomen. 2.3. Met ingang van 1 januari 2022 is de arbeidsomvang gewijzigd naar minimaal 24 uur en maximaal 32 uur per week. 2.4. Op 17 maart 2022 zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsomvang met ingang van 1 april 2022 zal worden gewijzigd naar minimaal 28 uur en maximaal 36 uur per week. 2.5. Ook zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] zou worden voortgezet. In het op 23 maart 2022 door partijen opgestelde document staat: “ WIJZIGING ARBEIDSOVEREENKOMST De ondergetekenden [Zorg-Advies] en [[eiser]] verklaren hierbij in de tussen hen op 17-03-2022 gedateerde arbeidsovereenkomst de volgende wijzigingen overeen te komen: De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt met ingang van 01-04-2022 verlengt met 12 maanden op basis van (min. 28 uur tot max. 36 uur). Werkneemster ontvangt per 01-04-2022 een uurloon van € 14,04 (…).” 2.6. Op 21 oktober 2022 heeft [eiser] zich ziekgemeld. 2.7. Op 22 februari 2023 heeft Zorg-Advies schriftelijk aan [eiser] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en op 1 april 2023 van rechtswege zal eindigen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – na vermeerdering van eis – dat de kantonrechter Zorg-Advies zal veroordelen om: I. een bedrag van € 11.761,58 bruto aan achterstallig loon, inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, over de periode van 1 mei 2022 tot en met 30 april 2023 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; II. een bedrag van € 19.516,70 bruto aan wettelijke verhoging aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; III. een bedrag van € 7.330,67 bruto aan opgebouwde doch niet genoten verlofuren, inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. een bedrag van € 349,74 bruto aan aanvullende transitievergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; V. te bepalen dat op het bovenstaande een bedrag van € 818,43 bruto en een bedrag van € 57,05 netto in mindering strekken; VI. een bedrag van € 604,08 netto aan kilometervergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; VII. een bedrag van € 914,32 netto aan ten onrechte ingehouden reiskostenvergoeding aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; VIII. tot afgifte over te gaan van een bruto/netto specificatie ten aanzien van de bedragen onder I. tot en met V., op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat Zorg-Advies, vanaf een termijn van één week na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft om hieraan uitvoering te geven; IX. een bedrag van € 1.134,21 netto, te vermeerderen met 21% btw, aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente; X. de proceskosten en de nakosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Zorg-Advies voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4 De beoordeling 4.1. Ter zitting heeft mr. Besselink namens Zorg-Advies verzocht om de gelegenheid te krijgen om bij akte te reageren op de uitgebreide pleitnota van mr. Kögging. De kantonrechter heeft naar aanleiding van dat verzoek bepaald dat vandaag eerst een tussenvonnis zal worden gewezen waarin wordt ingegaan op drie onderwerpen, namelijk de einddatum van de arbeidsovereenkomst na de overeengekomen verlenging, de referteperiode voor het bepalen van de arbeidsomvang tijdens de ziekte van [eiser] en de gemaakte overuren, die eveneens van belang zijn voor het bepalen van de arbeidsomvang. Zoals ter zitting besproken zal mr. Besselink vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren op de pleitnota van mr. Kögging. De verlenging van de arbeidsovereenkomst 4.2. [eiser] heeft aan verschillende vorderingen ten grondslag gelegd dat zij over de maand april 2023 loon had moeten ontvangen, maar dat Zorg-Advies de arbeidsovereenkomst een maand te vroeg heeft beëindigd en geen loon meer heeft uitbetaald. Volgens [eiser] zijn partijen overeengekomen dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst, die tot 1 mei 2022 duurde, met 12 maanden is verlengd. Daarmee zou de arbeidsovereenkomst volgens haar dus tot 1 mei 2023 duren. Het is volgens [eiser] duidelijk dat de datum met ingang waarvan de arbeidsovereenkomst werd verlengd in plaats van “01042022” eigenlijk “01-05-2022” had moeten zijn. Zorg-Advies heeft de arbeidsovereenkomst dus te vroeg beëindigd, aldus [eiser]. 4.3. Volgens Zorg-Advies duurde de (verlengde) arbeidsovereenkomst tot 1 april 2023. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is per 1 april 2022 immers verlengd voor 12 maanden, dus tot 1 april 2023, aldus Zorg-Advies. 4.4. Naar het oordeel van de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst per 1 april 2022 verlengd met 12 maanden tot 1 april 2023. De tekst van het door partijen ondertekende stuk genaamd “wijziging arbeidsovereenkomst” luidt immers dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2022 wordt verlengd met 12 maanden. Dat de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst tot 1 mei 2022 duurde betekent niet dat de arbeidsovereenkomst niet vanaf 1 april 2022 kon worden gewijzigd en verlengd. Er is namelijk geen regel die bepaalt dat partijen niet eerder een nieuwe arbeidsovereenkomst kunnen sluiten. Dat in de personeelsportal 1 mei 2023 als einddatum van de arbeidsovereenkomst stond opgenomen, zoals [eiser] betoogt, heeft Zorg-Advies ter zitting voldoende verklaard door toe te lichten dat dat een portal voor de loonadministratie betreft en dat deze portal geen personeelsinformatie inhoudt.
Volledig
Die verklaring sluit naar het oordeel van de kantonrechter aan bij de omstandigheid dat het loon altijd een maand later werd uitbetaald dan de maand waarin de uren werden gemaakt, en dat de loonadministratie daardoor dus een maand langer doorliep. 4.5. Voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 mei 2023 liep, is daarvoor dan ook geen grond. De referteperiode voor het bepalen van de arbeidsomvang 4.6. Met het oog op de loondoorbetaling tijdens de ziekte van [eiser] is van belang van welke arbeidsomvang moet worden uitgegaan. In artikel 7:610b BW is bepaald dat de bedongen arbeid in een bepaalde maand wordt vermoed gelijk te zijn aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Dit rechtsvermoeden kan door zowel de werkgever als door de werknemer worden weerlegd. 4.7. [eiser] heeft gesteld dat de drie maanden voor haar ziekmelding geen goed beeld geven van haar gemiddelde arbeidsomvang, omdat zij in die drie maanden vier weken vakantie had. [eiser] gaat daarom uit van een referteperiode van vijf maanden, dus vanaf 1 mei 2022, omdat volgens haar op die datum de verlenging van de arbeidsovereenkomst inging. 4.8. Zorg-Advies heeft betoogd dat, wanneer niet wordt uitgegaan van een referteperiode van drie maanden, volgens vaste rechtspraak moet worden uitgegaan van een periode van één jaar. [eiser] kan niet zomaar uitgaan van een periode van vijf maanden omdat dat haar goed uitkomt, aldus Zorg-Advies. 4.9. De kantonrechter stelt voorop dat het doel van de regeling over het vaststellen van de gemiddelde arbeidsomvang is om aan te sluiten bij het feitelijke verloop van de arbeidsomvang tijdens de arbeidsverhouding. Het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW geeft een praktisch hanteerbaar houvast om die gemiddelde arbeidsomvang vast te stellen, maar dat praktische houvast moet wijken als het resultaat ervan geen representatief beeld geeft van de feitelijke arbeidsomvang. 4.10. In dit geval acht de kantonrechter een referteperiode van drie maanden (dertien weken) geen geschikte referteperiode, omdat het verlof van vier weken dat [eiser] in deze periode heeft gehad, in verhouding een (te) groot deel van die dertien weken uitmaakt en daarmee (te) veel invloed op de hoogte van de arbeidsomvang zou hebben. Ook een periode van 12 maanden is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen representatieve referteperiode. De arbeidsomvang van [eiser] is begin 2022 namelijk in korte tijd tweemaal verhoogd, eerst naar 24 tot 32 uur per week en daarna naar 28 tot 36 uur per week. Uitgaan van 12 maanden, dus de laatste maanden van 2021 en de eerste maanden van 2022, zou daarom ook geen goed beeld geven van de uren die [eiser] vanaf eind 2022 zou hebben gewerkt. 4.11. Partijen hebben de arbeidsomvang per 1 april 2022 gewijzigd naar 28 tot 36 uur per week. Het aanhouden van de gemiddelde arbeidsomvang vanaf die datum zou naar het oordeel van de kantonrechter een representatief beeld geven van de arbeidsomvang in de resterende maanden van 2022 en het begin van 2023 (de periode waarin [eiser] ziek was). Gesteld noch gebleken is dat in die arbeidsomvang in andere omstandigheden in 2022 of 2023 verandering zou zijn gekomen. De kantonrechter zal bij de berekening van de arbeidsomvang tijdens de ziekte van [eiser] dan ook uitgaan van een referteperiode van zes maanden. De overuren 4.12. Tussen partijen staat vast dat [eiser] regelmatig meer uren werkte dan de overeengekomen arbeidsuren. Zowel voor de vordering tot betaling van achterstallig loon als voor de vordering betreffende het loon tijdens ziekte is van belang of [eiser] recht heeft op betaling van deze overuren. 4.13. [eiser] heeft gesteld dat zij regelmatig overuren moest maken omdat Zorg-Advies haar meer cliënten toewees dan zij in haar reeds ingeroosterde uren kon inplannen. Ook wanneer haar rooster al vol zat, vroeg Zorg-Advies haar nog om extra cliënten bij te staan. Dat [eiser] daardoor op meer uren zou uitkomen, had Zorg-Advies volgens [eiser] kunnen weten. Volgens [eiser] heeft zij regelmatig gevraagd om een oplossing voor de hoeveelheid cliënten die ze toegewezen kreeg en het daaruit voortvloeiende overwerk. Zorg-Advies moet de overuren aan haar uitbetalen, aldus [eiser]. 4.14. Zorg-Advies heeft aangevoerd dat [eiser] zonder toestemming overuren heeft gewerkt. Zorg-Advies heeft [eiser] regelmatig gewaarschuwd dat het niet de bedoeling was dat zij overuren maakte, tenzij zij dat vooraf met Zorg-Advies overlegde. Zorg-Advies is daarom niet gehouden om de overuren en de daaruit voortvloeiende rechten aan [eiser] te betalen. Ter zitting heeft Zorg-Advies nog toegelicht dat zij voor een bepaalde cliënt een bepaald aantal te besteden uren krijgt, maar dat dat niet betekent dat al die uren ook altijd moeten worden ingezet. Dat hangt van de cliënt af. Niet iedere cliënt heeft elke week evenveel begeleiding nodig. Volgens Zorg-Advies benutte [eiser] die speelruimte niet op een handige manier. 4.15. De kantonrechter stelt voorop dat voor betaling van een vergoeding voor overwerk alleen plaats is indien ten minste komt vast te staan dat de werkgever het overwerk aan de werknemer heeft opgedragen of dat uit de omstandigheden van het geval blijkt dat de werkgever daarmee heeft ingestemd. Een werkgever kan impliciet of expliciet instemmen met overwerk. Vast staat dat Zorg-Advies niet expliciet aan [eiser] heeft opgedragen om overuren te maken. Zorg-Advies heeft echter niet weersproken dat zij [eiser] extra cliënten toebedeelde terwijl haar ingeroosterde uren al waren volgepland. Zorg-Advies wist dus dat [eiser] overuren maakte. Ook heeft Zorg-Advies niet weersproken dat [eiser] meerdere malen om een oplossing voor het overwerken heeft gevraagd. Door [eiser] toch steeds extra cliënten toe te wijzen, heeft Zorg-Advies naar het oordeel van de kantonrechter impliciet ingestemd met het maken van overuren. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat een werknemer in deze branche de zorg die een client nodig heeft niet kan uitstellen tot een ander moment waarop zij minder uren staat ingeroosterd. Dat Zorg-Advies wel tegen [eiser] heeft gezegd dat zij geen overuren moest maken, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet aan af, als Zorg-Advies geen maatregelen neemt die ertoe leiden dat de werknemer aan die oproep kan voldoen, bijvoorbeeld door uit te leggen wat de werknemer anders zou moeten doen of door minder cliënten aan de werknemer toe te wijzen. Niet gesteld of gebleken is dat Zorg-Advies de toelichting die zij ter zitting over het inzetten van uren heeft gegeven, ook tijdens het dienstverband aan [eiser] heeft gegeven. Zorg-Advies heeft ook niet kenbaar naar een oplossing voor de overuren gezocht. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten de overuren van [eiser] daarom worden meegenomen bij de berekening van het achterstallig loon en de arbeidsomvang tijdens ziekte. 4.16. Zoals in 4.1. is vermeld, zal Zorg-Advies in de gelegenheid worden gesteld om in het licht van de in dit vonnis aangekondigde beslissingen bij akte (enkel) op de pleitnota van [eiser] te reageren. [eiser] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen. De kantonrechter gaat ervan uit dat daarna eindvonnis kan worden gewezen. 4.17. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 24 maart 2026 voor het nemen van een akte door Zorg-Advies, waarna [eiser] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen; 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.(SB) ECLI:NL:HR:1998:ZC606.
Volledig
Die verklaring sluit naar het oordeel van de kantonrechter aan bij de omstandigheid dat het loon altijd een maand later werd uitbetaald dan de maand waarin de uren werden gemaakt, en dat de loonadministratie daardoor dus een maand langer doorliep. 4.5. Voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 mei 2023 liep, is daarvoor dan ook geen grond. De referteperiode voor het bepalen van de arbeidsomvang 4.6. Met het oog op de loondoorbetaling tijdens de ziekte van [eiser] is van belang van welke arbeidsomvang moet worden uitgegaan. In artikel 7:610b BW is bepaald dat de bedongen arbeid in een bepaalde maand wordt vermoed gelijk te zijn aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Dit rechtsvermoeden kan door zowel de werkgever als door de werknemer worden weerlegd. 4.7. [eiser] heeft gesteld dat de drie maanden voor haar ziekmelding geen goed beeld geven van haar gemiddelde arbeidsomvang, omdat zij in die drie maanden vier weken vakantie had. [eiser] gaat daarom uit van een referteperiode van vijf maanden, dus vanaf 1 mei 2022, omdat volgens haar op die datum de verlenging van de arbeidsovereenkomst inging. 4.8. Zorg-Advies heeft betoogd dat, wanneer niet wordt uitgegaan van een referteperiode van drie maanden, volgens vaste rechtspraak moet worden uitgegaan van een periode van één jaar. [eiser] kan niet zomaar uitgaan van een periode van vijf maanden omdat dat haar goed uitkomt, aldus Zorg-Advies. 4.9. De kantonrechter stelt voorop dat het doel van de regeling over het vaststellen van de gemiddelde arbeidsomvang is om aan te sluiten bij het feitelijke verloop van de arbeidsomvang tijdens de arbeidsverhouding. Het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW geeft een praktisch hanteerbaar houvast om die gemiddelde arbeidsomvang vast te stellen, maar dat praktische houvast moet wijken als het resultaat ervan geen representatief beeld geeft van de feitelijke arbeidsomvang. 4.10. In dit geval acht de kantonrechter een referteperiode van drie maanden (dertien weken) geen geschikte referteperiode, omdat het verlof van vier weken dat [eiser] in deze periode heeft gehad, in verhouding een (te) groot deel van die dertien weken uitmaakt en daarmee (te) veel invloed op de hoogte van de arbeidsomvang zou hebben. Ook een periode van 12 maanden is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen representatieve referteperiode. De arbeidsomvang van [eiser] is begin 2022 namelijk in korte tijd tweemaal verhoogd, eerst naar 24 tot 32 uur per week en daarna naar 28 tot 36 uur per week. Uitgaan van 12 maanden, dus de laatste maanden van 2021 en de eerste maanden van 2022, zou daarom ook geen goed beeld geven van de uren die [eiser] vanaf eind 2022 zou hebben gewerkt. 4.11. Partijen hebben de arbeidsomvang per 1 april 2022 gewijzigd naar 28 tot 36 uur per week. Het aanhouden van de gemiddelde arbeidsomvang vanaf die datum zou naar het oordeel van de kantonrechter een representatief beeld geven van de arbeidsomvang in de resterende maanden van 2022 en het begin van 2023 (de periode waarin [eiser] ziek was). Gesteld noch gebleken is dat in die arbeidsomvang in andere omstandigheden in 2022 of 2023 verandering zou zijn gekomen. De kantonrechter zal bij de berekening van de arbeidsomvang tijdens de ziekte van [eiser] dan ook uitgaan van een referteperiode van zes maanden. De overuren 4.12. Tussen partijen staat vast dat [eiser] regelmatig meer uren werkte dan de overeengekomen arbeidsuren. Zowel voor de vordering tot betaling van achterstallig loon als voor de vordering betreffende het loon tijdens ziekte is van belang of [eiser] recht heeft op betaling van deze overuren. 4.13. [eiser] heeft gesteld dat zij regelmatig overuren moest maken omdat Zorg-Advies haar meer cliënten toewees dan zij in haar reeds ingeroosterde uren kon inplannen. Ook wanneer haar rooster al vol zat, vroeg Zorg-Advies haar nog om extra cliënten bij te staan. Dat [eiser] daardoor op meer uren zou uitkomen, had Zorg-Advies volgens [eiser] kunnen weten. Volgens [eiser] heeft zij regelmatig gevraagd om een oplossing voor de hoeveelheid cliënten die ze toegewezen kreeg en het daaruit voortvloeiende overwerk. Zorg-Advies moet de overuren aan haar uitbetalen, aldus [eiser]. 4.14. Zorg-Advies heeft aangevoerd dat [eiser] zonder toestemming overuren heeft gewerkt. Zorg-Advies heeft [eiser] regelmatig gewaarschuwd dat het niet de bedoeling was dat zij overuren maakte, tenzij zij dat vooraf met Zorg-Advies overlegde. Zorg-Advies is daarom niet gehouden om de overuren en de daaruit voortvloeiende rechten aan [eiser] te betalen. Ter zitting heeft Zorg-Advies nog toegelicht dat zij voor een bepaalde cliënt een bepaald aantal te besteden uren krijgt, maar dat dat niet betekent dat al die uren ook altijd moeten worden ingezet. Dat hangt van de cliënt af. Niet iedere cliënt heeft elke week evenveel begeleiding nodig. Volgens Zorg-Advies benutte [eiser] die speelruimte niet op een handige manier. 4.15. De kantonrechter stelt voorop dat voor betaling van een vergoeding voor overwerk alleen plaats is indien ten minste komt vast te staan dat de werkgever het overwerk aan de werknemer heeft opgedragen of dat uit de omstandigheden van het geval blijkt dat de werkgever daarmee heeft ingestemd. Een werkgever kan impliciet of expliciet instemmen met overwerk. Vast staat dat Zorg-Advies niet expliciet aan [eiser] heeft opgedragen om overuren te maken. Zorg-Advies heeft echter niet weersproken dat zij [eiser] extra cliënten toebedeelde terwijl haar ingeroosterde uren al waren volgepland. Zorg-Advies wist dus dat [eiser] overuren maakte. Ook heeft Zorg-Advies niet weersproken dat [eiser] meerdere malen om een oplossing voor het overwerken heeft gevraagd. Door [eiser] toch steeds extra cliënten toe te wijzen, heeft Zorg-Advies naar het oordeel van de kantonrechter impliciet ingestemd met het maken van overuren. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat een werknemer in deze branche de zorg die een client nodig heeft niet kan uitstellen tot een ander moment waarop zij minder uren staat ingeroosterd. Dat Zorg-Advies wel tegen [eiser] heeft gezegd dat zij geen overuren moest maken, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet aan af, als Zorg-Advies geen maatregelen neemt die ertoe leiden dat de werknemer aan die oproep kan voldoen, bijvoorbeeld door uit te leggen wat de werknemer anders zou moeten doen of door minder cliënten aan de werknemer toe te wijzen. Niet gesteld of gebleken is dat Zorg-Advies de toelichting die zij ter zitting over het inzetten van uren heeft gegeven, ook tijdens het dienstverband aan [eiser] heeft gegeven. Zorg-Advies heeft ook niet kenbaar naar een oplossing voor de overuren gezocht. Naar het oordeel van de kantonrechter moeten de overuren van [eiser] daarom worden meegenomen bij de berekening van het achterstallig loon en de arbeidsomvang tijdens ziekte. 4.16. Zoals in 4.1. is vermeld, zal Zorg-Advies in de gelegenheid worden gesteld om in het licht van de in dit vonnis aangekondigde beslissingen bij akte (enkel) op de pleitnota van [eiser] te reageren. [eiser] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen. De kantonrechter gaat ervan uit dat daarna eindvonnis kan worden gewezen. 4.17. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 24 maart 2026 voor het nemen van een akte door Zorg-Advies, waarna [eiser] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen; 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.(SB) ECLI:NL:HR:1998:ZC606.