Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-01-14
ECLI:NL:RBOVE:2026:119
RECHTBANK Overijssel Civiel recht Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: C/08/332261 / HA ZA 25-134 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. M. Koelemeijer, tegen 1 [gedaagde 1], te [woonplaats 2],2. [gedaagde 2] , te [woonplaats 3], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2], advocaat: mr. J.F. Schulte. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 29 producties- de conclusie van antwoord met 3 producties- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - het bericht van 25 november 2025 met productie 4 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]- het bericht van 26 november 2025 met productie 5 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]- het bericht van 27 november 2025 met productie 30 t/m 35 van [eiser]- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de akte houdende producties 30 t/m 35 van [eiser] wegens strijd met de goede procesorde. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaat het om onrechtmatig verkregen stukken die daarnaast al maanden in het bezit van [eiser] zijn. 1.3. Het bezwaar wordt verworpen, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de akte houdende producties niet in hun procesbelang zijn geschaad. Het gaat om stukken die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al bekend waren en zij hebben voldoende gelegenheid gehad om daarop ter zitting te reageren. Het enkele feit dat het mogelijk gaat om onrechtmatig verkregen bewijs, maakt dit niet anders. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Samenvatting 2.1. In de kern gaat dit geschil over de vraag of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van [eiser]. [eiser] en [gedaagde 1] waren (via een STAK) certificaathouders van [bedrijf 1], daarnaast was [gedaagde 1] enig bestuurder van [bedrijf 1] en [gedaagde 2] was werknemer van [bedrijf 1]. Volgens [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [bedrijf 1] failliet laten gaan, om concurrerende werkzaamheden te kunnen uitvoeren in een nieuw opgerichte onderneming. Daardoor heeft [eiser] schade geleden, die hij vergoed wil zien. Ook hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens [eiser] boetes verbeurd wegens overtreding van de aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] zijn verwijten aan het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zijn vorderingen worden afgewezen. Die beslissing is gegrond op de volgende feiten en beoordeling. 3 De feiten 3.1. [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]) was een producent en handelaar op het gebied van belettering van diverse objecten. Alle aandelen in [bedrijf 1] worden sinds 2019 gehouden door de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 1] (hierna: STAK). [eiser] is bestuurder en 47,5% certificaathouder van de STAK. [gedaagde 1] is bestuurder en 52,5% certificaathouder van de STAK. Daarnaast was [gedaagde 1] bestuurder van [bedrijf 1]. [gedaagde 2] was tot december 2024 werknemer van [bedrijf 1]. 3.2. [eiser] was eigenaar en sinds 2006 verhuurder van het pand waarin [bedrijf 1] was gevestigd. Vóór 2021 was een huurachterstand ontstaan, waarover een aflossingsafspraak was gemaakt. 3.3. In 2021 ontstond een geschil tussen [eiser] en [gedaagde 1]. Er zijn diverse pogingen gedaan tot bemiddeling, die niet hebben geleid tot een duurzame oplossing. 3.4. [bedrijf 1] is op 12 maart 2025 in staat van faillissement verklaard met de aanstelling van mr. Luttikhuis als curator. 3.5. Op 9 juni 2023 werd [bedrijf 2] B.V. (met KvK nummer [nummer 1], hierna: [bedrijf 2]) opgericht met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als (indirect) bestuurders. Daarnaast werd op 20 maart 2025 [bedrijf 2] B.V. (met KvK nummer [nummer 2], hierna: [bedrijf 2]) opgericht met [gedaagde 2] als bestuurder. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert - samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voor [eiser] stelt dat [gedaagde 1] heeft bewerkstelligd dat [bedrijf 1] haar betalingsverplichtingen voor de huur en de huurachterstand niet meer nakwam en verwijst naar jurisprudentie . [eiser] wijst er op dat [bedrijf 1] ten tijde van de weigering om te betalen nog beschikbare kredietruimte had en dat bedrijfseconomische redenen om de huur(achterstand) niet te betalen, ontbraken. Er werd niet betaald met het oogmerk [eiser] te benadelen. Ten aanzien van de betalingsonwil stelt [eiser] dat de rechtbank hierbij de bewijslast moet omkeren dan wel dat [gedaagde 1] ‘een verzwaarde motiveringsplicht dan wel twistplicht’ zou moeten dragen. [gedaagde 1] moet aannemelijk maken dat [bedrijf 1] niet kon betalen, omdat hij als bestuurder en mede-certificaathouder de beslissingsbevoegdheid en volledige zeggenschap had over [bedrijf 1]. 5.6. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betwist dat er sprake is van (persoonlijk verwijtbare) betalingsonwil. Volgens hen was er sprake van betalingsonmacht. Vanaf mei 2024 werd de financiële situatie onhoudbaar en was er geen uitzicht op een oplossing mede door het tussen [eiser] en [gedaagde 1] ontstane geschil, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Er waren langdurig zieke werknemers, terwijl daarvoor geen verzekering was afgesloten. Eind november 2024 verliet ‘key werknemer’ [gedaagde 2] [bedrijf 1] en in januari 2025 sommeerde [eiser] [bedrijf 1] om een bedrag van ruim 36 duizend euro te voldoen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] benoemen dat [gedaagde 1] al geruime tijd wees op de slechte financiële situatie, en op 13 januari 2025 een liquiditeitsprognose van de accountant van [bedrijf 1] naar [eiser] stuurde, waaruit bleek dat [bedrijf 1] binnen één week niet meer aan haar financiële verplichtingen kon voldoen. Ter zitting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betoogd dat het in deze omstandigheden verder gebruik maken van de kredietfaciliteit van [bedrijf 1] onverantwoord was en juist zou kunnen leiden tot aansprakelijkheid. [eiser] had toegang tot het boekhoudsysteem en tot medio 2024 ook tot de bank van [bedrijf 1]. Van een omkering van de bewijslast kan volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen sprake zijn. 5.7. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] zo, dat hij betoogt dat sprake is geweest van een aan [gedaagde 1] als bestuurder van [bedrijf 1] te persoonlijk te verwijten onrechtmatige betalingsonwil. Volgens [eiser] moet [gedaagde 1] aannemelijk maken dat [bedrijf 1] niet kon betalen, omdat [gedaagde 1] als bestuurder en mede-certificaathouder de beslissingsbevoegdheid en volledige zeggenschap had over [bedrijf 1]. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de bewijslastverdeling van artikel 150 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) af te wijken, zoals [eiser] heeft voorgesteld. Uit artikel 150 Rv volgt dat een andere verdeling van de bewijslast kan voortvloeien uit de eisen van redelijkheid en billijkheid of uit enige bijzondere regel. Volgens vaste rechtspraak kan alleen onder bijzondere omstandigheden worden overgegaan tot omkering van de bewijslast op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechter moet hiervan terughoudend gebruik maken, het moet gaan om uitzonderlijke gevallen. [eiser] heeft, mede gelet op zijn eigen (informatie)positie ten opzichte van [bedrijf 1], onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die een afwijkende verdeling van de stelplicht en/of het bewijsrisico rechtvaardigen. Een van de hoofdregel afwijkende verdeling van de bewijslast vloeit in dit geval ook niet voort uit enige bijzondere regel in de zin van artikel 150 Rv. Dat betekent dat het aan [eiser] is om zijn verwijt dat er sprake was van betalingsonwil met voldoende feiten en omstandigheden te staven, nu hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Van een verzwaarde stelplicht (of informatieplicht) aan de zijde van [gedaagde 1] kan naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake zijn. Niet gesteld of gebleken is dat van [gedaagde 1] in de gegeven omstandigheden kan worden verlangd dat hi Daarvoor is vereist dat, mede gelet op de verplichting van de bestuurder tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Tegen deze achtergrond kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder aan de orde zijn in het geval hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap in ernstige financiële moeilijkheden een schuldeiser heeft betaald met voorrang boven andere schuldeisers. Er bestaat echter geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij geen rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap dan ook in beginsel vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. Aansprakelijkheid kan wel aan de orde zijn als sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals in geval van een betaling waarbij de bestuurder persoonlijk baat heeft. 5.13. Ter zitting werd desgevraagd toegelicht dat het niet alleen ging om een betalingstoezegging, maar dat het leasebedrag daadwerkelijk is terugbetaald aan de lessor. Wanneer dat bedrag is betaald en welke betalingsverplichting daarmee precies is voldaan, is door [eiser] niet gesteld. Evenmin heeft [eiser] gesteld vanaf welk tijdstip (peildatum) het faillissement van [bedrijf 1] volgens hem onafwendbaar was, zodat selectieve betalingen na dat moment mogelijk als onrechtmatig hebben te gelden. Hierdoor kan niet worden getoetst welke betalingen in die periode wél en niet zijn gedaan en hoe deze zich verhouden tot de betaling van het leasebedrag en de door [gedaagde 1] gegeven verklaring over de betalingen. Verder lag het op de weg van [eiser] om te stellen dat hij door het voldoen van het leasebedrag nadeel heeft geleden, bijvoorbeeld doordat een inbreuk is gemaakt op de betalingsvolgorde. Door het ontbreken van deze informatie, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van onrechtmatig selectieve betalingen waarvan [gedaagde 1] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiser] heeft dat, gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2], onvoldoende onderbouwd gesteld. Verwijt c. onrechtmatige concurrentie 5.14. [eiser] verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij onrechtmatig hebben geconcurreerd met [bedrijf 1] door feitelijk de activiteiten van [bedrijf 1] over te hevelen naar [bedrijf 2]. [gedaagde 1] bewerkstelligde dat opdrachten die eerder bij [bedrijf 1] kwamen, door [bedrijf 2] werden ontvangen, uitgevoerd en gefactureerd. [gedaagde 1] spande zich wel in voor [bedrijf 2], maar niet voor [bedrijf 1]. Zo was de website van [bedrijf 1] zwaar verouderd, maar liet [gedaagde 1] een nieuwe website bouwen voor [bedrijf 2], aldus [eiser]. Als gevolg daarvan is de omzet van [bedrijf 1] gekelderd. Klanten werden via de website van [bedrijf 1] doorgeleid naar de website van [bedrijf 2]. Verder maakte [bedrijf 2] gebruik van het klantenbestand, het pand, de machines en werknemers van [bedrijf 1], zonder toestemming van [eiser] en zonder huur te betalen. 5.15. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten onrechtmatig te hebben geconcurreerd. Zij wijzen erop dat er geen concurrentiebeding en/of relatiebeding staat in de aandeelhouders-overeenkomst ([gedaagde 1]), dan wel de arbeidsovereenkomst (Siegerink). H [gedaagde 1] heeft de activiteiten van [bedrijf 1] overgeheveld naar [bedrijf 2] en daarmee onrechtmatig geconcurreerd. Er zijn bij [bedrijf 1] ernstige liquiditeitsproblemen veroorzaakt en er is per 31 januari 2025 betalingsonmacht gemeld bij de Belastingdienst zodat surseance van betaling werd aangevraagd. Daardoor stelt [eiser] schade te hebben geleden in de vorm van waardeverlies van zijn certificaten. [gedaagde 2] heeft het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] bevorderd, door met [bedrijf 2] een overnamedeal te sluiten met de curator van [bedrijf 1] en een doorstart te realiseren. 5.18. De rechtbank is van oordeel dat ook dit verwijt aan het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet kan slagen. Tussen partijen staat vast dat sinds 2021 een conflict bestond tussen [eiser] en [gedaagde 1]. Zij hebben, ook onder leiding van bemiddelaars, verschillende pogingen gedaan om hun conflict op te lossen. Dat is niet gelukt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben onderbouwd toegelicht dat [gedaagde 1] sinds 2021 [eiser] informeerde over het feit dat [bedrijf 1] onder druk stond door ongunstige (markt)ontwikkelingen en dat een koerswijziging en investeringen nodig waren. De rechtbank verwijst ook naar de e-mail van 16 oktober 2023 (zie hiervoor rov. 5.16.), waaruit blijkt dat actief naar oplossingen werd gezocht binnen [bedrijf 1]. Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onbetwist gesteld dat [bedrijf 1] twee langdurig zieke werknemers had, voor welke kosten geen verzekering bestond. De situatie binnen [bedrijf 1] wordt ook beschreven in een brief van de curator van [bedrijf 1] van 25 november 2025. Daarin staat dat er vanaf 2021 langzamerhand een onwerkbare situatie is ontstaan. De liquiditeitsdruk zou overkomelijk en oplosbaar zijn geweest als beide aandeelhouders bereid waren geweest tot investeringen. Door het geschil ontbrak daarvoor de basis en bereidheid. Het gebrek aan noodzakelijke investeringen en de langdurig zieke werknemers veroorzaakten liquiditeitsdruk die de hoofdoorzaak van het faillissement vormde, aldus de curator. Verder schrijft de curator dat de bedrijfsactiviteiten van en via [bedrijf 2] niet de oorzaak zijn geweest van het faillissement. Hoewel [eiser] benadrukt dat hij hierover niet is gehoord door de curator, heeft [eiser] deze omstandigheden ook niet gemotiveerd betwist. Gelet daarop, kan de stelling van [eiser] niet worden gevolgd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het faillissement van [bedrijf 1] veroorzaakt hebben, laat staan dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook dit deel van de vordering wordt afgewezen. Het handelen van [gedaagde 2] en groepsaansprakelijkheid 5.19. [eiser] betoogt dat [gedaagde 2] tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld door het handelen van [gedaagde 1] te faciliteren en daarvan te profiteren, door zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen in het zicht van het ‘georkestreerde’ faillissement, te concurreren met [bedrijf 2] en een overnameovereenkomst aan te gaan met de curator. 5.20. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet onrechtmatig hebben gehandeld, zodat [gedaagde 2] dat niet (onrechtmatig) heeft kunnen faciliteren, dan wel daarvan heeft kunnen profiteren. Dat geldt ook voor het beconcurreren, zie rov. 5.16. Het opzeggen van een arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de daarvoor geldende contractuele afspraken zoals de opzegtermijn, staat een werknemer vrij. Ook stond het [gedaagde 2] vrij om met [bedrijf 2] (die geen partij is in deze procedure) een overeenkomst met de curator van [bedrijf 1] aan te gaan. [eiser] had dit zelf ook mogen doen. De conclusie is dat [gedaagde 2] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. 5.21. Nu [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] volgens de rechtbank onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser], kan ook geen sprake zijn van groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW. Deze vordering wordt afgewezen. Het gevorderde bedrag van € 83.412,82 5.22. [eiser] vordert € 83.4 Wanneer een partij één of meer van de in deze overeenkomst opgenomen bepalingen (…) ondanks ingebrekestelling niet stipt nakomt, zal zij ten behoeve van de wederpartijen gezamenlijk een boete verbeuren ter grootte van tienduizend euro (€ 10.000,00) voor iedere overtreding, onverminderd het recht van de wederpartij nakoming en/of schadevergoeding te vorderen. De boete zal dadelijk en ineens verschuldigd zijn door het enkele verzuim, zonder dat enige formaliteit of rechterlijke tussenkomst nodig zal zijn.” 5.29. Los van de discussie over de ingebrekestelling en de vraag of de boete, gelet op de formulering van artikel 14, wel volledig zou kunnen toekomen aan [eiser], geldt het volgende. 5.30. Partijen zijn het oneens over wat moet worden verstaan onder de in artikel 3 aandeelhoudersovereenkomst genoemde ‘(duurzame) samenwerking’, meer in het bijzonder over de vraag of daarvoor een gezamenlijk doel vereist is. De aandeelhoudersovereenkomst geeft daarvan geen uitleg. Wel blijkt uit de overige onder artikel 3 genoemde situaties dat het gaat om voor de vennootschap zeer belangrijke gebeurtenissen, zoals de uitgifte en verkoop van aandelen, benoeming en ontslag van directeuren, het wijzigen van de statuten en het aanvragen van surseance of faillissement. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ter zitting toegelicht hoe de werkzaamheden voor [bedrijf 2] werden verricht: [bedrijf 2] gaf [bedrijf 1] een opdracht voor het bouwen van een frame. [bedrijf 1] bouwde dat frame met haar bedrijfsmiddelen en leverde dat aan [bedrijf 2]. [bedrijf 1] factureerde de werkzaamheden marktconform en met winstmarge aan [bedrijf 2]. Op haar beurt factureerde [bedrijf 2] aan haar eindklant. [eiser] heeft deze gang van zaken niet (onderbouwd) weersproken, maar voerde aan dat [bedrijf 1] hierdoor de winst misliep die door [bedrijf 2] werd genoten. Er is niet gebleken dat er tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] aangaande deze werkzaamheden een overeenkomst is gesloten, die de individuele opdrachten oversteeg. In deze omstandigheden heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze werkvorm kan worden aangemerkt als ‘(duurzame) samenwerking’. Dat zou betekenen dat voor elke (lange termijn)klant van [bedrijf 1] waarvoor opdrachten werden uitgevoerd, een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders met algemene stemmen (oftewel: unaniem) moet worden genomen. Dat zou onwerkbaar zijn. Het had op de weg van [eiser] gelegen om – in het licht van de betwisting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] – toe te lichten welke elementen maken dat sprake was van een (duurzame) samenwerking in de zin van artikel 3 en hoe zo’n samenwerking moet worden onderscheiden van de ‘normale’ klant/opdrachtrelatie. Dat [gedaagde 1] zowel betrokken was bij [bedrijf 1] als bij [bedrijf 2], is daarvoor onvoldoende. Het gebruik van de bedrijfsmiddelen van [bedrijf 1] bij de uitvoering van een opdracht was gangbaar en daarvoor heeft zij gefactureerd en betaald gekregen. De rechtbank concludeert dat van overtreding van artikel 3 aandeelhoudersovereenkomst geen sprake is. 5.31. De rechtbank constateert dat verschillende begrippen uit artikel 12 lid 3 aandeelhoudersovereenkomst, zoals ‘Partijen’ en ‘vertrouwelijke informatie’ niet zijn gedefinieerd in de aandeelhoudersovereenkomst. Op basis van het gevoerde partijdebat begrijpt de rechtbank dat beide partijen ervan uitgaan dat informatie van [bedrijf 1] over klanten en prijzen onder het begrip ‘vertrouwelijke informatie betreffende de andere Partijen’ (sub a) valt. De rechtbank zal daar ook van uitgaan. [gedaagde 1] heeft betwist dat er informatie over klanten en prijzen is ‘doorgespeeld’. [gedaagde 1] heeft erkend dat de site van [bedrijf 1] was doorgelinkt naar de site van [bedrijf 2], maar beperkter dan [eiser] stelt. Dit zou gedurende enkele dagen en enkel voor het beperkte (nieuwe) product van [bedrijf 2] zijn geweest, aldus [gedaagde 1]. Wanneer de klant dan wilde bestellen, vulde de klant zelf zijn gegevens in op de website van [bedr