Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-03-04
ECLI:NL:RBOVE:2026:1149
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummers: ZWO 24/3571 en ZWO 24/4110 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], hierna: [eiseres] en het college van burgemeester en wethouders van Ommen, hierna: het college. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het handhavingsverzoek dat [eiseres] heeft ingediend bij het college om de toegankelijkheid van de Beukenlaan in Damsholte (hierna: de Beukenlaan) voor passanten te voet, te paard of per rijwiel te handhaven. [eiseres] heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op dit handhavingsverzoek door het college. Bij het bestreden besluit heeft het college alsnog op het handhavingsverzoek beslist en het handhavingsverzoek afgewezen. Hier is [eiseres] het niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat de Beukenlaan een openbare weg in de zin van de Wegenwet is en dat afsluiting ervan in strijd is met het toepasselijke bestemmingsplan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek door het college. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiseres] geen belang meer heeft bij het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek en verklaart het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen handhavingsbesluit verklaart de rechtbank gegrond omdat de Beukenlaan op grond van de Wegenwet een openbare weg is. Het college dient opnieuw op het handhavingsverzoek van [eiseres] te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. [eiseres] krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en procesverloop 2.1. Bij brief van 28 februari 2024 heeft [eiseres] een verzoek om informatie ingediend bij het college over de toegankelijkheid van de Beukenlaan. 2.2. Bij e-mail van 22 april 2024 reageert een medewerker van de gemeente Ommen op het informatieverzoek door aan te geven dat de Beukenlaan op de wegenlegger staat en een openbare weg is. 2.3. [eiseres] heeft vervolgens op 27 mei 2024 een verzoek gedaan bij het college om de toegankelijkheid van de Beukenlaan in Damsholte voor passanten te voet, te paard of per rijwiel te handhaven. Volgens [eiseres] is het afsluiten van de Beukenlaan in strijd met het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Beukenlaan 1, Damsholte” (hierna: het bestemmingsplan). 2.4. Bij e-mail van 14 september 2024 heeft [eiseres] het college in gebreke gesteld omdat er geen besluit is genomen op haar handhavingsverzoek. 2.5. Een toezichthouder van de Omgevingsdienst IJsselland heeft op 17 september 2024 een controle uitgevoerd aan de Beukenlaan. Uit de foto’s blijkt dat ter hoogte van nummer 1 een wit hek op de laan staat waarop staat dat de Beukenlaan 1 toegankelijk is via de Lovenseweg. Aan de rechterkant staat een bord verboden toegang voor motorvoertuigen met daaronder een bord met de tekst “eigen weg”. Op een kleinere paal aan de rechterkant staat een bord met de tekst “privé terrein”. 2.6. Bij brief van 25 september 2024 heeft het college laten weten voornemens te zijn het handhavingsverzoek af te wijzen. [eiseres] heeft hiertegen een zienswijze ingediend. 2.7. [eiseres] heeft op 30 september 2024 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het handhavingsverzoek door het college (dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 24/3571). Het college heeft op dit beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.8. Met het besluit van 11 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het handhavingsverzoek alsnog afgewezen en aan [eiseres] een dwangsom toegekend van € 299,- wegens het niet tijdig beslissen. 2.9. [eiseres] heeft op 17 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover dit ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek en het college verzocht de zaak op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te behandelen als beroep en In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt onder wegen verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten (…). Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een “weg” in de zin van dit artikel. 8.3. Of er ook sprake is van een openbare weg dient beoordeeld te worden aan de hand van de Wegenwet. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar: I wanneer deze, na het tijdstip van dertig jaar voor de inwerkingtreding van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest; II wanneer deze, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap; III wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven. In artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet staat dat het onder I en II bepaalde uitzondering lijdt wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste één jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Dat de weg slechts ter bede toegankelijk is kan bijvoorbeeld kenbaar worden gemaakt via een bord met de tekst “eigen weg”. 8.4. Het standpunt van het college, dat artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet maakt dat Beukenlaan geen openbare weg meer betreft en dat het college daarom niet handhavend kan optreden, volgt de rechtbank niet. Ter zitting hebben partijen namelijk aangegeven dat de Beukenlaan al ruim 50 tot 60 jaar een openbare weg is. De bordjes “eigen weg” en “privé terrein” ter hoogte van de Beukenlaan 1 zijn in 2021 of 2022 geplaatst. De plaatsing van deze bordjes is dus niet tot stand gekomen binnen de perioden van 30 of 10 jaar genoemd in artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet. De uitzondering van artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet is hier naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet van toepassing. 8.5. Op grond van artikel 49 van de Wegenwet wordt een weg die op de wegenlegger staat aangemerkt als openbaar, tenzij bewezen kan worden dat de weg na de vaststelling van de legger niet meer openbaar is. In artikel 7 van de Wegenwet staat wanneer een weg heeft opgehouden openbaar te zijn. Een weg heeft opgehouden openbaar te zijn: als hij dertig jaar achter elkaar niet voor iedereen toegankelijk is geweest; of als hij door het bevoegd gezag aan de openbaarheid is onttrokken. 8.6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Beukenlaan op de wegenlegger staat. Daarmee wordt vermoed dat deze weg openbaar is. Dit kan alleen anders zijn als bewezen kan worden dat na vaststelling of wijziging van de desbetreffende wegenlegger, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn zoals omschreven in artikel 7 van de Wegenwet. Het college heeft in de onderhavige procedure niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat artikel 7 van de Wegenwet hier van toepassing is. 8.7. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de Beukenlaan een openbare weg in de zin van de Wegenwet betreft. Belemmering van de openbaarheid van die weg vormt een overtreding van artikel 2:10 van de APV. Bij een overtreding van artikel 2:10 van de APV heeft het college in beginsel de plicht om handhavend op te treden. Het beroep van [eiseres] voor zover dat is gericht tegen het handhavingsbesluit is dan ook gegrond. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden van [eiseres] komt de rechtbank niet toe. Het bestreden besluit dient, zal zover dat ziet op de afwijzing van het handhavingsverzoek, worden vernietigd. Het college moet opnieuw op het handhavingsverzoek van [eiseres] beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep gericht tegen het n