Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2026-02-26
ECLI:NL:RBOVE:2026:1099
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/3738 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigden: mr. M. Berkel en mr. V.C.D. Klaassen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen , verweerder (het UWV) (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en het opleggen van een boete. Eiser is het er niet mee eens dat het UWV eisers WAO-uitkering van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 heeft ingetrokken, de over die periode uitbetaalde uitkering tot een bedrag van bruto € 31.143,58 heeft teruggevorderd en hem een boete van € 2.016,- heeft opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de intrekking, de terugvordering en de boete terecht zijn. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking, de terugvordering en de boete in stand kunnen blijven. Eiser krijgt geen gelijk. Omdat de boete tijdens de beroepsprocedure is verlaagd is het beroep voor zover het gaat om de hoogte van de boete gegrond. Voor het overige is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Het UWV heeft met het besluit van 13 mei 2024 aan eiser een boete van € 5.800,- opgelegd. Met een besluit van 14 mei 2024 heeft het UWV aan eiser gemeld dat zijn WAO-uitkering vanaf 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 wordt ingetrokken en dat van hem de over die periode te veel ontvangen WAO-uitkering tot een bedrag van bruto € 31.143,58 wordt teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 24 september 2024 op het bezwaar van eiser (hierna: bestreden besluit 1) is het UWV bij de besluiten van 13 en 14 mei 2024 gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. 2.3. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het UWV heeft met een besluit van 22 oktober 2025 (hierna: bestreden besluit 2) de beslissing op bezwaar van 24 september 2024 gewijzigd. Met bestreden besluit 2 heeft het UWV de aan eiser opgelegde boete gematigd naar € 2.016,-. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. V.C.D. Klaassen als gemachtigde van eiser via een beeldverbinding en de gemachtigde van het UWV. De rechtbank heeft partijen gedurende vier weken de gelegenheid geboden om onderling tot een oplossing van het geschil te komen. Eiser heeft echter laten weten hiervoor niet open te staan. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Eiser ontving met ingang van 12 september 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2007 of 2008 heeft het UWV eiser in aanmerking gebracht voor een (voorlopig) starterskrediet omdat hij een zelfstandige onderneming (autohandel) was gestart. Met een besluit van 8 december 2011 heeft het UWV eiser medegedeeld dat dit starterskrediet moet worden terugbetaald, maar met een brief van 12 december 2014 heeft het UWV aan eiser gemeld dat hem de aflossing van het starterskrediet wordt kwijtgescholden. 3.2. Op 28 oktober 2022 heeft het UWV een anonieme melding ontvangen. Volgens de melder zou eiser zich bezighouden met onder andere autohandel. Op 27 maart 2023 heeft het UWV nog een melding ontvangen over onder meer autohandel door eiser. Het UWV heeft op 27 maart 2023 ook een melding ontvangen van de arbeidsinspectie. Volgens de melding zou eiser nagenoeg dagelijks onder invloed van drugs in diverse voertuigen rijden. Eiser zou handelen in sloopauto's, waarvoor hij dagelijks op pad gaat. Het UWV heeft onderzoek verricht. Dit heeft geleid tot een onderzoeksrapport Handhaving van 1 maart 2024. Met een brief van 4 april 2024 heeft het UWV Eiser is van mening dat deze feiten niet aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd en dat ze de objectiviteit van de beoordeling ondergraven. 5.4. Eiser voert verder aan dat de kwalificatie ‘structurele, op geld waardeerbare arbeid’ zonder verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige duiding onhoudbaar en in ieder geval gezien de medische situatie niet reëel is. Hij wijst erop dat rond de start van de periode in geding sprake was van acute verslechtering met zwaar sederende medicatie en functionele beperkingen. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij, toen zijn zoon zijn bedrijf startte, een auto-ongeluk heeft gehad met flink letsel tot gevolg. Dit letsel heeft ertoe geleid dat eiser een scootmobiel moest aanvragen. Eiser heeft maanden gerevalideerd. De transacties die in die periode plaatsvonden werden door eisers zoon verricht, niet door eiser zelf. 5.5. Tijdens de zitting heeft eiser erop gewezen dat het ging om een bedrijf en activiteiten van zijn zoon. Eiser had geen inkomsten daarvan. 5.6. Eiser is ook van mening dat de volledige terugvordering in strijd is met de evenredigheid. Het UWV is niet serieus nagegaan welk recht op uitkering eiser had. Het UWV heeft geen analysematrix per maand gemaakt, geen verificatie gevraagd bij de boekhouder of administratie van de zoon en niet getoetst of sprake was van eventuele incidentele hulp of structureel werk. 5.7. Eiser stelt daarnaast dat de boete niet in stand kan blijven. Primair is hij van mening dat de grondslag voor de boete ontbreekt, omdat de terugvordering onterecht is. Subsidiair stelt eiser dat de boete te hoog is, omdat geen sprake is van verwijtbaarheid of op zijn minst sprake is van een aanzienlijk verminderde verwijtbaarheid. Eiser wijst op de langdurige WAO-situatie, het ongeval, de sedatie, een Wmo-scootmobiel en de ouderrol voor een minderjarige ondernemer. Daarom kon van eiser niet worden verlangd dat hij inzag dat incidentele hulp aan zijn zoon meldingplichtige arbeid zou vormen. 5.8. Eiser brengt ook in dat ten onrechte geen draagkrachtbeoordeling heeft plaatsgevonden. 5.9. Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met een journaal van zijn huisarts over de periode 15 maart 2021 tot en met 7 juni 2021 en een besluit van 23 september 2024 tot toekenning van een scootmobiel. Reactie UWV 6.1. In het verweerschrift heeft het UWV op het beroepschrift gereageerd. 6.2. Met bestreden besluit 2 heeft het UWV de hoogte van de boete gematigd naar € 2.016,-. Het UWV heeft het bedrag van de boete verlaagd, omdat in bestreden besluit 1 ten onrechte geen rekening was gehouden met het draagkrachtbeginsel. Overwegingen van de rechtbank Toetsingskader 7. De wet- en regelgeving die voor deze zaak van belang is, staat in de bijlage bij deze uitspraak. Omvang geschil 8.1. Met bestreden besluit 2 heeft het UWV bestreden besluit 1 gewijzigd. De boete is gematigd van € 5.800,- naar € 2.016,-. Dit is voor de rechtbank aanleiding om het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover het gaat om de hoogte van de boete van € 5.800,-, gegrond te verklaren en dit besluit in zoverre te vernietigen. 8.2. Bestreden besluit 2 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank bestreden besluit 2 in de procedure betrekt. Eiser heeft nog belang bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1, voor zover het gaat om de intrekking en de terugvordering. Voor zover het gaat om de hoogte van de boete beoordeelt de rechtbank bestreden besluit 2. Intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering 9.1. Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering van eiser is een belastend besluit, waarbij het aan het UWV is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het UWV rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het UWV in di Uit de informatie van de huisarts blijkt wel dat eiser in april en mei 2021 medische problemen had, maar niet dat deze zodanig waren dat hij de activiteiten voor het bedrijf van zijn zoon niet kon doen. Daarbij komt dat deze informatie slechts betrekking heeft op een deel van de periode waar het hier om gaat. Dat eiser door zijn gezondheidsproblemen de werkzaamheden in het bedrijf van zijn zoon niet kon doen, blijkt ook niet uit het dossier en uit wat eiser zelf heeft verklaard. Uit het dossier kan worden afgeleid dat op naam van eiser na het ongeluk in maart 2021 transacties met auto’s hebben plaatsgevonden. Weliswaar stelt eiser dat zijn zoon deze transacties heeft uitgevoerd met de DigiD van eiser, maar dat neemt niet weg dat eiser ook in die tijd bij de handelsactiviteiten betrokken is geweest. 9.3. Eiser heeft gezegd dat in de autohandel vooral contant geld omging. Maar uit de bankafschriften blijken ook kosten en inkomsten uit de autohandel. Dat alleen de jongste zoon van eiser inkomsten had en eiser niet, wordt niet ondersteund door de bankafschriften. Met deze bankafschriften heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat eiser uit de werkzaamheden in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 inkomsten heeft verkregen. 9.4. Vast staat dat eiser de verrichte op geld waardeerbare werkzaamheden en de inkomsten daaruit niet aan het UWV heeft doorgegeven. Dat betekent dat hij de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser had redelijkerwijs kunnen weten dat deze werkzaamheden van invloed konden zijn op het recht op, de hoogte van of de betaling van zijn WAO-uitkering. Eiser heeft niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt dat hij de inlichtingenplicht heeft nageleefd. 9.5. De omvang van de door eiser verrichte werkzaamheden en de inkomsten daaruit zijn niet vast te stellen. Eiser heeft namelijk verklaard dat de autohandel voornamelijk met contant geld gebeurde, dat hij en zijn zoon geen administratie hebben bijgehouden en dat hij niet weet hoeveel uren hij en zijn zoon bezig waren met reparatie, de in- en verkoop van voertuigen en de handel in metalen. Dat betekent dat eisers recht op uitkering in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 niet is vast te stellen. 9.6. Het UWV was verplicht de in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van eiser terug te vorderen. Het is niet mogelijk om per maand te bepalen hoe hoog de WAO-uitkering was waar eiser recht op had. In het bedrijf ging namelijk veel contant geld om en eiser heeft geen administratie overgelegd waaruit blijkt welke inkomsten hij elke maand had. Uit de bankafschriften is dit ook niet af te leiden. Het UWV heeft in het verweerschrift terecht gesteld dat het niet bijhouden van een duidelijke en verifieerbare administratie voor rekening en risico van eiser komt. 9.7. Dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV de WAO-uitkering van eiser in de periode van 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023 mocht terugvorderen. De specificatie bij het terugvorderingsbesluit van 14 mei 2024 ziet op de periode 1 april 2021 tot en met 28 februari 2023. Uit die specificatie blijkt dat de WAO-uitkering in de maanden april 2021 en februari 2023 niet geheel wordt teruggevorderd. Dit is correct omdat de periode van terugvordering slechts ziet op een deel van die maanden, namelijk vanaf 12 april 2021 en tot en met 9 februari 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de specificatie en het teruggevorderde brutobedrag van € 31.143,58 onjuist zijn. Dringende redenen en evenredigheid 9.8. Het UWV is op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO in beginsel verplicht de te veel ontvangen WAO-uitkering van eiser terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57, zesde lid, van de WAO. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zijn rechtspraak met betrekking tot het begrip ‘dr Dat betekent dat de intrekking van eisers WAO-uitkering vanaf 12 april 2021 tot en met 9 februari 2023, de terugvordering van bruto € 31.143,58 en de boete van € 2.016,- in stand blijven. 10.2. Omdat het beroep tegen de hoogte van de boete in bestreden besluit 1 gegrond is, moet het UWV wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt daarom ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Met bestreden besluit 2 heeft het UWV aan eiser een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegekend. Verder is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond, voor zover het betreft de hoogte van de boete en vernietigt bestreden besluit 1 in zoverre; - verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 voor het overige ongegrond; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving. Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 6:19 1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen. 3. Het bestuursorgaan stelt het nieuwe besluit onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. 4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door. 5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 6 Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) Artikel 36a, eerste lid, van de WAO bepaalt dat, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, het UWV een dergelijke beschikking herziet of intrekt: a. ter uitvoering van een beschikking als bedoeld in artikel 30; b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering; c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; d.