Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-17
ECLI:NL:RBOVE:2025:901
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,108 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.338453.24, 05-371979-24 (gevoegd), 05-331698-24 (gevoegd) (P)
Datum vonnis: 17 februari 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië),
nu gedetineerd in RJJI [locatie].
1De toelichting op dit vonnis
De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om op 3 februari 2025 voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt ook wel een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welke strafbare feiten [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 3 februari 2025 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouw mr. R.M. Bissumbhar, advocaat in Barneveld, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. Daarnaast hebben de vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering verteld wat volgens hen voor de ontwikkeling van [verdachte] belangrijk is en wat een passende straf kan zijn. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft. De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat slechts een deel van de feiten die de officier van justitie [verdachte] verwijt kunnen worden bewezen.
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het (mede)plegen van of het medeplichtig zijn aan de bij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) toegebrachte steekverwondingen. [verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen in vereniging. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: een jeugddetentie voor de duur van 25 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan tien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daarbij bijzondere voorwaarden opleggen op de wijze zoals zij deze aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd.
2De tenlastelegging
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank het feit van de zaak met parketnummer 08-338453-24 als feit 1, het feit van de zaak met parketnummer 05-371979-24 als feit 2 en het feit met parketnummer 05-331698-24 als feit 3.
De verdenking komt er kort en bondig op neer dat [verdachte]:
feit 1: op 22 oktober 2024 in Deventer samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven (feit 1 primair), dan wel medeplichtig is aan die poging tot doodslag (feit 1 subsidiair), dan wel samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 meer subsidiair), dan wel medeplichtig is aan die poging tot zware mishandeling (feit 1 meest subsidiair);
feit 2: op 21 november 2024 in Apeldoorn samen met een ander levensmiddelen heeft gestolen;
feit 3: op 16 oktober 2024 in Apeldoorn samen met een ander winkelgoederen heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een
soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een
soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 22 oktober 2024 te Deventer,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te bemachtigen,
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, onder zich te
houden en/of
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, aan die [medeverdachte] te
overhandigen;
feit 1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal,
met een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 1 meest subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal,
met een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte verdachte op of omstreeks 22 oktober
2024 te Deventer, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te bemachtigen,
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, onder zich te
houden en/of
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, aan die [medeverdachte] te
overhandigen;
feit 2
hij op of omstreeks 21 november 2024 te Apeldoorn
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
levenmiddelen (ter waarde van 42,27 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan Lidl (gevestigd op Operaplein 19), in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
feit 3
Beoordeling
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om [verdachte] als pleger of medepleger van de steekletsels aan te merken. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat [verdachte] een mes aan medeverdachte [medeverdachte] heeft overhandigd en daarmee medeplichtig is geweest aan deze geweldshandelingen. De rechtbank zal [verdachte] daarom integraal van het onder feit 1 ten laste gelegde vrijspreken.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde. [verdachte] heeft dit feit bekend en door of namens hem is ten aanzien daarvan geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden – overeenkomstig artikel 359, lid 3, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – in dit vonnis met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2025;
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 21 november 2024 (pagina’s 10 tot en met 12).
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde
[verdachte] heeft bekend dat hij het onder feit 3 ten laste gelegde heeft gepleegd. Tijdens de zitting is door hem of zijn raadsvrouw ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt daarom op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, lid 3,laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2025;
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Albert Heijn Anklaar van 16 oktober 2024 (pagina’s 10 en 11).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 2
hij op 21 november 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, levensmiddelen (ter waarde van 42,27 euro), die aan Lidl (gevestigd op Operaplein 19), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
feit 3
hij op 16 oktober 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander,
meerdere winkelgoederen (met een totale waarde van € 55,26), die aan Albert Heijn Anklaar toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 3
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.
5De strafbaarheid van [verdachte]
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De strafmotivering
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 21 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan tien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van elf dagen en een onvoorwaardelijke werkstraf van twintig uren op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd te koppelen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte], zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen in vereniging. Met het plegen van deze feiten heeft [verdachte] laten zien een gebrek aan respect te hebben voor andermans eigendommen. Dit gedrag bezorgt winkeliers veel overlast en schade. De rechtbank rekent [verdachte] dit aan.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] van 20 januari 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 23 en 29 januari 2025 en van wat [verdachte] op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld.
[verdachte] is zonder zijn ouders naar Nederland gekomen. De ouders van [verdachte] verblijven in Turkije. [verdachte] was een strenge opvoeding van zijn ouders gewend. Toen hij in Nederland kwam, kreeg hij meer vrijheid en was er te weinig controle. Deze verandering was te groot voor [verdachte]. Inmiddels wordt hij begeleid door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Zij hebben samen met hem een begeleidingsplan opgesteld, waarin verschillende doelen worden genoemd. Deze doelen gaan over school, sport, hygiëne en koken.
Ter terechtzitting heeft deskundige [naam] namens de Raad het advies toegelicht en verklaard dat begeleiding en toezicht van de jeugdreclassering noodzakelijk is. Het was de bedoeling dat [verdachte] in februari 2025 vijf dagen per week naar school zou gaan. Echter verblijft [verdachte] momenteel in voorarrest vanwege een andere strafzaak. In die zaak heeft de Raad op 23 januari 2025 een schorsingsrapportage geschreven waarin verschillende voorwaarden zijn geformuleerd.
Dictum
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 3
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 10 (tien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte (zich) gedurende de proeftijd:
laat begeleiden door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Leger des Heils, afdeling Jeugdreclassering, en zich op de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering zo frequent en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht;
meewerkt aan begeleiding door een coach en door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte behandeling;
zinvolle dagbesteding heeft (waarbij de reclassering bepaalt wat zinvol is) en/of naar school gaat;
- draagt aan Jeugdbescherming Leger des Heils (AST079), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. C.W. Couperus-van Kooten, en mr. D.E. Schaap, rechters, allen ook kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2025.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024547874. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.338453.24, 05-371979-24 (gevoegd), 05-331698-24 (gevoegd) (P)
Datum vonnis: 17 februari 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië),
nu gedetineerd in RJJI [locatie].
1De toelichting op dit vonnis
De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om op 3 februari 2025 voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt ook wel een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat beschreven aan welke strafbare feiten [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 3 februari 2025 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsvrouw mr. R.M. Bissumbhar, advocaat in Barneveld, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. Daarnaast hebben de vertegenwoordigers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de jeugdreclassering verteld wat volgens hen voor de ontwikkeling van [verdachte] belangrijk is en wat een passende straf kan zijn. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft. De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat slechts een deel van de feiten die de officier van justitie [verdachte] verwijt kunnen worden bewezen.
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het (mede)plegen van of het medeplichtig zijn aan de bij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) toegebrachte steekverwondingen. [verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen in vereniging. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: een jeugddetentie voor de duur van 25 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan tien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daarbij bijzondere voorwaarden opleggen op de wijze zoals zij deze aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd.
2De tenlastelegging
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank het feit van de zaak met parketnummer 08-338453-24 als feit 1, het feit van de zaak met parketnummer 05-371979-24 als feit 2 en het feit met parketnummer 05-331698-24 als feit 3.
De verdenking komt er kort en bondig op neer dat [verdachte]:
feit 1: op 22 oktober 2024 in Deventer samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven (feit 1 primair), dan wel medeplichtig is aan die poging tot doodslag (feit 1 subsidiair), dan wel samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1 meer subsidiair), dan wel medeplichtig is aan die poging tot zware mishandeling (feit 1 meest subsidiair);
feit 2: op 21 november 2024 in Apeldoorn samen met een ander levensmiddelen heeft gestolen;
feit 3: op 16 oktober 2024 in Apeldoorn samen met een ander winkelgoederen heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een
soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een
soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 22 oktober 2024 te Deventer,
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te bemachtigen,
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, onder zich te
houden en/of
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, aan die [medeverdachte] te
overhandigen;
feit 1 meer subsidiair
hij op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal,
met een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 1 meest subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 22 oktober 2024 te Deventer
ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
voornoemde [slachtoffer], meermalen, althans eenmaal,
met een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp,
in zijn schouder en/of rug, in elk geval in zijn lichaam,
heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte verdachte op of omstreeks 22 oktober
2024 te Deventer, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, te bemachtigen,
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, onder zich te
houden en/of
- dat mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, aan die [medeverdachte] te
overhandigen;
feit 2
hij op of omstreeks 21 november 2024 te Apeldoorn
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
levenmiddelen (ter waarde van 42,27 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan Lidl (gevestigd op Operaplein 19), in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
feit 3
Beoordeling
Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om [verdachte] als pleger of medepleger van de steekletsels aan te merken. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat [verdachte] een mes aan medeverdachte [medeverdachte] heeft overhandigd en daarmee medeplichtig is geweest aan deze geweldshandelingen. De rechtbank zal [verdachte] daarom integraal van het onder feit 1 ten laste gelegde vrijspreken.
Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde. [verdachte] heeft dit feit bekend en door of namens hem is ten aanzien daarvan geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal om die reden – overeenkomstig artikel 359, lid 3, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – in dit vonnis met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen volstaan:
de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2025;
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] van 21 november 2024 (pagina’s 10 tot en met 12).
Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde
[verdachte] heeft bekend dat hij het onder feit 3 ten laste gelegde heeft gepleegd. Tijdens de zitting is door hem of zijn raadsvrouw ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit. De rechtbank komt daarom op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde feit, waarbij de rechtbank overeenkomstig artikel 359, lid 3,laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:
de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2025;
het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens Albert Heijn Anklaar van 16 oktober 2024 (pagina’s 10 en 11).
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
feit 2
hij op 21 november 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, levensmiddelen (ter waarde van 42,27 euro), die aan Lidl (gevestigd op Operaplein 19), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
feit 3
hij op 16 oktober 2024 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander,
meerdere winkelgoederen (met een totale waarde van € 55,26), die aan Albert Heijn Anklaar toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 3
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.
5De strafbaarheid van [verdachte]
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De strafmotivering
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 21 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, waarvan tien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft geëist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd worden gekoppeld.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van elf dagen en een onvoorwaardelijke werkstraf van twintig uren op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd te koppelen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van [verdachte], zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De aard en de ernst van de gepleegde feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen in vereniging. Met het plegen van deze feiten heeft [verdachte] laten zien een gebrek aan respect te hebben voor andermans eigendommen. Dit gedrag bezorgt winkeliers veel overlast en schade. De rechtbank rekent [verdachte] dit aan.
De persoon van [verdachte]
Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] van 20 januari 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 23 en 29 januari 2025 en van wat [verdachte] op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verteld.
[verdachte] is zonder zijn ouders naar Nederland gekomen. De ouders van [verdachte] verblijven in Turkije. [verdachte] was een strenge opvoeding van zijn ouders gewend. Toen hij in Nederland kwam, kreeg hij meer vrijheid en was er te weinig controle. Deze verandering was te groot voor [verdachte]. Inmiddels wordt hij begeleid door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Zij hebben samen met hem een begeleidingsplan opgesteld, waarin verschillende doelen worden genoemd. Deze doelen gaan over school, sport, hygiëne en koken.
Ter terechtzitting heeft deskundige [naam] namens de Raad het advies toegelicht en verklaard dat begeleiding en toezicht van de jeugdreclassering noodzakelijk is. Het was de bedoeling dat [verdachte] in februari 2025 vijf dagen per week naar school zou gaan. Echter verblijft [verdachte] momenteel in voorarrest vanwege een andere strafzaak. In die zaak heeft de Raad op 23 januari 2025 een schorsingsrapportage geschreven waarin verschillende voorwaarden zijn geformuleerd.
Dictum
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 3
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 en feit 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 10 (tien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
- de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte (zich) gedurende de proeftijd:
laat begeleiden door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Leger des Heils, afdeling Jeugdreclassering, en zich op de door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de Jeugdreclassering zo frequent en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht;
meewerkt aan begeleiding door een coach en door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte behandeling;
zinvolle dagbesteding heeft (waarbij de reclassering bepaalt wat zinvol is) en/of naar school gaat;
- draagt aan Jeugdbescherming Leger des Heils (AST079), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Bruggen, voorzitter, mr. C.W. Couperus-van Kooten, en mr. D.E. Schaap, rechters, allen ook kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2025.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024547874. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.