Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-14
ECLI:NL:RBOVE:2025:888
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,997 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 21/1285
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M.P. Smit,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), het UWV, gemachtigde: [gemachtigde].
Inleiding
1.1
Bij besluit van 9 december 2020 (primair besluit) heeft het UWV de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 10 februari 2021 ingetrokken.
1.2
Met het bestreden besluit van 25 juni 2021 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, huisarts J. Verboom, [naam 1], echtgenoot van eiseres, [naam 2], begeleidster bij InteraktContour, en de gemachtigde van het UWV.
1.4
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nog nadere medische informatie in geding te brengen. Na ontvangst van deze medische informatie op 19 februari 2024 heeft het UWV hierop gereageerd op
27 maart 2024.
1.5
Op 20 mei 2024 heeft eiseres nog nadere medische informatie in geding gebracht. Hierop heeft het UWV gereageerd op 18 juni 2024. Op 4 september 2024 heeft eiseres het rapport van WPEX van 29 december 2021 ingediend. Op 30 september 2024 heeft het UWV meegedeeld geen aanleiding te zien hierop te reageren. Partijen hebben de rechtbank verzocht zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft hierop het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1
Eiseres is vanaf 16 augustus 1984 werkzaam geweest als secretarieel medewerkster in dienst van [bedrijf] B.V., laatstelijk gedurende gemiddeld 29,96 uur per week. Dit dienstverband is geëindigd met de ondertekening van een beëindigingsovereenkomst. Eiseres heeft met ingang van 1 maart 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
2.2
Op 30 april 2015 heeft eiseres zich vanuit de WW ziek gemeld. Zij heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Eiseres heeft het UWV verzocht haar per
27 april 2017 een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eiseres met ingang van die datum een WIA-uitkering toegekend. Eiseres is daarbij volledig arbeidsongeschikt geacht, omdat de arbeidsdeskundige op basis van de belastbaarheid, vastgesteld door de verzekeringsarts geen theoretische verdiencapaciteit kon vaststellen.
2.3
Op 7 januari 2020 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij in overleg met de arbeidsdeskundige heeft besloten om een IVA-uitkering aan te vragen, omdat haar gezondheid eerder verslechtert dan verbetert. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.
2.4
Bij besluit van 5 maart 2024, die buiten de omvang van dit geding valt en ziet op een andere datum in geding, heeft het UWV eiseres met ingang van 1 juni 2023 op grond van de WIA een IVA-uitkering toegekend.
Standpunten van partijen
3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen recht meer heeft op een WIA-uitkering met ingang van 10 februari 2021, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum lager is dan 35%. Daarbij heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat eiseres met haar beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou eiseres 9,21% minder kunnen verdienen dan in haar maatgevende arbeid, in dit geval de arbeid als een secretarieel medewerkster voor 29,96 uur per week. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 10 juni 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 22 juni 2021 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.2
Eiseres stelt – samengevat weergegeven – dat haar klachten en beperkingen zijn onderschat, waardoor zij de geselecteerde functies niet kan verrichten. Hiertoe voert eiseres aan dat bij onderzoek hersenschade rond de geboorte is vastgesteld. Ook kan de verwijdering van de linker bijnier in 2015, volgens de specialisten, de achteruitgang in de cognitieve functies (mede) hebben veroorzaakt. Verder stelt eiseres dat bij het NPO bij Psyon geen sprake is geweest van opzettelijk onderpresteren.
De nieuwe onderzoeken hebben ook een tumor in de rechter bijnier aangetoond. Ook is nu pas gebleken dat in 2015 niet alleen de linker nier, maar ook de linker bijnier verwijderd was. De hormoonhuishouding is nog verder beïnvloed, omdat nu ook de rechter bijnier is verwijderd. Eiseres is zodanig vermoeid en verstrooid dat zij vrijwel 24/7 afhankelijk is van haar man, die het ook bijna niet meer aankan. Zij heeft hiervoor medicatie, maar dan nog is er bijzonder weinig energie. Daarom is ook een forse urenbeperking noodzakelijk.
Vanwege deze onderzoeksresultaten heeft eiseres op 7 september 2023 een Amber-aanvraag bij het UWV ingediend. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft eiseres medische informatie overgelegd van medisch specialisten. Het betreft:
- een brief van 31 mei 2023 van internist drs. M.A.C. van Haaren
- brieven van 25 augustus 2023 van arts assistent R. van der Weck en internist/endocrinoloog dr. M.J.M. Pouwels, 14 oktober 2023 van arts assistent L.C.M. Rozendal en internist-hematoloog dr. B.W. Schot, 19 oktober 2023 arts assistent L.C.M. Rozendal en internist/endocrinoloog F.P.J. Karstens, 4 december 2023 van arts assistent D. Rinkema en 27 december 2023 van arts assistent G. Saharan, allen van de spoedeisende hulp voor het specialisme Interne Geneeskunde van de Ziekenhuisgroep Twente;
- een brief van 18 december 2023 van internist/endocrinoloog F.P.J. Karstens;
- een e-mail van 25 augustus 2022 van huisarts J. (Hans) Verboom;
- brieven van 15 november 2022 en 8 november 2023 van uroloog J.H. Roelink,
- een brief van 8 mei 2023 van uroloog dr. C.A.M. van der Fels;
- een brief van 22 juni 2023 van uroloog M.J. Pit naar aanleiding van het multidisciplinair overleg oncologie/urologie MST/ZGT/SKB/UMCN;
- een brief van 26 mei 2023 van neuroloog J.J. de Vries van het UMCG Alzheimer Centrum.
Eiseres heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een deskundigenonderzoek, mocht de rechtbank tot het benoemen van een deskundige willen overgaan.
3.3
Het UWV heeft in zijn verweerschrift meegedeeld in het aangevoerde en in de overlegde medische informatie geen aanleiding te zien zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft het UWV gewezen op het rapport van 31 oktober 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.4
Na de zitting op 23 januari 2024 heeft eiseres nog de volgende medische informatie in geding gebracht:
- een brief van 5 februari 2024 van internist F.P.J. Karstens;
- rapporten van 19 februari 2024 en 1 augustus 2022 van psychiater C. Liesdek;
- een rapport van 22 september 2021 naar aanleiding van mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek door GZ-psycholoog/neuropsycholoog dr. M.G.B.G Blokhorst;
- het rapport 29 december 2021 van psychiater J. Blank-Contant van Wettstein & Peterse Expertise (WPEX).
3.5
Het UWV heeft op de nader toegezonden medische informatie gereageerd met toezending van rapporten van 22 maart 2024 en 14 juni 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Beoordeling
4. De rechtbank is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit (gedeeltelijk) onvoldoende is gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1
De rechtbank ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in haar conclusies ten aanzien van de resultaten van de neuropsychologische onderzoeken (NPO). In haar rapport van 10 juni 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat bij het onderzoek door Psyon bij klinische observaties geen aanwijzingen waren voor cognitieve stoornissen, terwijl deze er bij testonderzoek wel waren. Doordat eiseres op de validiteitstesten niet goed presteerde (onderpresteren) en er aanwijzingen voor overrapporteren werden gevonden, zijn de testresultaten niet betrouwbaar. In haar rapport van 24 juni 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de conclusies van dit onderzoek overeen komen met onderzoeken die eiseres vanuit de behandelende sector heeft gehad. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat de NPO-testuitslagen geen objectivering geven voor de door eiseres ervaren belemmeringen. Het rapport van Liesdek, die op basis van een eigen NPO de klachten van eiseres wel objectiveert, doet aan het voorgaande geen afbreuk, nu blijkens het rapport van WPEX, Liesdek haar NPO had aangepast op een wijze die niet is toegestaan waardoor dat NPO geen bewijs toont voor de aanwezigheid van cognitieve stoornissen.
4.2
Ook is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft vastgesteld dat er geen medische informatie is ingebracht waaruit blijkt dat de verwijdering van de linkerbijnier in 2015 de cognitieve functies van eiseres (mede) hebben veroorzaakt. In haar rapport van 14 juni 2024 heeft zij er op gewezen dat uroloog Karstens in zijn brief van 5 februari 2024 schrijft dat een relatie tussen de klachten van eiseres en de verwijdering van de eerste bijnier onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten is, als de klachten onmiddellijk na de operatie zijn opgetreden. In het geval van eiseres zijn de klachten niet onmiddellijk na de operatie opgetreden, maar bestonden deze al langer.
4.3
De rechtbank is echter van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de diagnose die neuroloog De Vries van het UMCG heeft gesteld in de brief van 26 mei 2023, namelijk cogniforme stoornis (functioneel cognitieve stoornis), en mogelijk hersenschade, geen medische objectivering vormt voor de klachten die eiseres ervaart en waarom vanwege deze diagnose niet toch rekening gehouden moet worden met meer beperkingen, waaronder een urenbeperking.
4.3.1
De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft dat De Vries haar conclusie onderschrijft dat op grond van het huidige onderzoek geen uitspraken kunnen worden gedaan over eventuele cognitieve functiestoornissen. De Vries vermeldt dat het testonderzoek bij neuropsychologisch onderzoek niet inconsistent is, daar de soms zeer lage scores op met name geheugentaken niet in lijn zijn met hoe eiseres zich presenteert en een symptoomvaliditeitstest indicatief is voor onderpresteren. Eenzelfde beeld is door de jaren heen consequent gevonden bij eerdere neuropsychologische onderzoeken.
Dit is juist ten aanzien van de neuropsychologische onderzoeken, maar hiermee miskent de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat De Vries wel concludeert dat op grond van gesprekken en aanvullend onderzoek de diagnose cogniforme stoornis (functioneel cognitieve stoornis) is gesteld bij patiënte met depressieve aandoening. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze diagnose niet kenbaar in de afwegingen betrokken, terwijl juist die diagnose, voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan, wordt gesteld bij patiënten bij wie geheugenklachten niet geobjectiveerd kunnen worden door een neuropsychologisch onderzoek, hetgeen an sich door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapportage van 31 oktober 2023 ook wordt bevestigd. Waarom, ondanks deze diagnose, dan toch geen verdergaande beperkingen worden aangenomen is niet inzichtelijk gemotiveerd. Verder is er volgens De Vries ook een component hersenschade, waarschijnlijk van reeds oudere datum (met doorloop naar ventrikelsysteem wat suggestief is voor de tijdsduiding rondom de geboorte). Dit is evenmin kenbaar in de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. De verzekeringsarts stelt enkel dat de FML reeds voldoende rekening houdt met deze diagnoses, maar legt niet uit waarom dat zo is. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze diagnoses alsnog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens motivering worden betrokken, nu deze mogelijk alsnog een objectivering van de door eiseres geclaimde beperkingen vormen.
4.3.2
De rechtbank acht verder van belang dat psychiater C. Liesdek in haar brief van
19 februari 2024 een wetenschappelijk artikel noemt, namelijk het artikel ‘Attenuated cognitive functioning decades after preeclampsie’ in het American Jourrnal of Gynaecology van september 2023. Volgens haar is een organische oorzaak voor de cognitieve achteruitgang van eiseres niet voldoende uitgesloten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 22 maart 2024 vermeld dat het artikel niets zegt over een individuele patiënt. Hoewel dat standpunt op zichzelf juist is, laat dit onverlet dat, blijkens de brief van Liesdek, een organische oorzaak evenmin voldoende is uitgesloten. Daarmee bestaat er dus eveneens een (mogelijke) objectivering van de door eiseres geclaimde beperkingen. Dit is eveneens onvoldoende door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens afwegingen betrokken.
4.3.3
De rechtbank acht tot slot van belang dat op grond van de richtlijn Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC-richtlijn) het gegeven, dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken kunnen worden gemeten of aangetoond niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan en dat van belang is of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. Ook in de rechtspraak is tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan de eis dat de verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan verrichten is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Waar in bijzondere gevallen bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet steeds geheel en al duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven of verschillen zij zelfs tot op zekere hoogte omtrent het antwoord op die vraag, valt een toereikende objectieve vaststelling van die ongeschiktheid niet zonder meer uit te sluiten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zal hetgeen hiervoor in 4.3 tot en met 4.3.2 is overwogen aldus ook tegen deze achtergrond dienen te beschouwen.
4.4
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 31 oktober 2023, 22 maart 2024 en 14 juni 2024 voldoende en inzichtelijk uiteen heeft gezet waarom hetgeen overigens in beroep is aangevoerd en de overige in beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding zijn om meer beperkingen aan te nemen.
Conclusie
5. Uit 4.3 tot en met 4.3.3 volgt dat het bestreden besluit van 25 juni 2021 in strijd moet worden geacht met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor is een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig.
7. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet het UWV deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
De rechtbank acht het aangewezen dat het UWV bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens besluit ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar en de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 juni 2021;
- draagt het UWV op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming vandeze uitspraak;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 49,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie: [naam 3] e.a., ‘Persisterende subjectieve geheugen klachten op middelbare leeftijd: diagnostiek en behandeling’, in: Tijdschr Psychiatr. 2023;65(4):272-277, i.h.b. op pagina 272 en 276, raadpleegbaar via: https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/nl/artikelen/article/50-13146_Persisterende-subjectieve-geheugen-klachten-op-middelbare-leeftijd-diagnostiek-en-behandeling en [naam 4] en [naam 5], ‘Cogniform Disorder and Cogniform Condition: Proposed diagnoses for excessive cognitive symptoms’, in: Archives of Clinical Neuropsychology 22 (2007) 589–604, i.h.b. paragraaf 1.2, raadpleegbaar via: https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0887617707000972.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1945.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 21/1285
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M.P. Smit,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), het UWV, gemachtigde: [gemachtigde].
Inleiding
1.1
Bij besluit van 9 december 2020 (primair besluit) heeft het UWV de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 10 februari 2021 ingetrokken.
1.2
Met het bestreden besluit van 25 juni 2021 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, huisarts J. Verboom, [naam 1], echtgenoot van eiseres, [naam 2], begeleidster bij InteraktContour, en de gemachtigde van het UWV.
1.4
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nog nadere medische informatie in geding te brengen. Na ontvangst van deze medische informatie op 19 februari 2024 heeft het UWV hierop gereageerd op
27 maart 2024.
1.5
Op 20 mei 2024 heeft eiseres nog nadere medische informatie in geding gebracht. Hierop heeft het UWV gereageerd op 18 juni 2024. Op 4 september 2024 heeft eiseres het rapport van WPEX van 29 december 2021 ingediend. Op 30 september 2024 heeft het UWV meegedeeld geen aanleiding te zien hierop te reageren. Partijen hebben de rechtbank verzocht zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft hierop het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1
Eiseres is vanaf 16 augustus 1984 werkzaam geweest als secretarieel medewerkster in dienst van [bedrijf] B.V., laatstelijk gedurende gemiddeld 29,96 uur per week. Dit dienstverband is geëindigd met de ondertekening van een beëindigingsovereenkomst. Eiseres heeft met ingang van 1 maart 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
2.2
Op 30 april 2015 heeft eiseres zich vanuit de WW ziek gemeld. Zij heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Eiseres heeft het UWV verzocht haar per
27 april 2017 een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eiseres met ingang van die datum een WIA-uitkering toegekend. Eiseres is daarbij volledig arbeidsongeschikt geacht, omdat de arbeidsdeskundige op basis van de belastbaarheid, vastgesteld door de verzekeringsarts geen theoretische verdiencapaciteit kon vaststellen.
2.3
Op 7 januari 2020 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij in overleg met de arbeidsdeskundige heeft besloten om een IVA-uitkering aan te vragen, omdat haar gezondheid eerder verslechtert dan verbetert. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.
2.4
Bij besluit van 5 maart 2024, die buiten de omvang van dit geding valt en ziet op een andere datum in geding, heeft het UWV eiseres met ingang van 1 juni 2023 op grond van de WIA een IVA-uitkering toegekend.
Standpunten van partijen
3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen recht meer heeft op een WIA-uitkering met ingang van 10 februari 2021, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum lager is dan 35%. Daarbij heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat eiseres met haar beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou eiseres 9,21% minder kunnen verdienen dan in haar maatgevende arbeid, in dit geval de arbeid als een secretarieel medewerkster voor 29,96 uur per week. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 10 juni 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 22 juni 2021 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.2
Eiseres stelt – samengevat weergegeven – dat haar klachten en beperkingen zijn onderschat, waardoor zij de geselecteerde functies niet kan verrichten. Hiertoe voert eiseres aan dat bij onderzoek hersenschade rond de geboorte is vastgesteld. Ook kan de verwijdering van de linker bijnier in 2015, volgens de specialisten, de achteruitgang in de cognitieve functies (mede) hebben veroorzaakt. Verder stelt eiseres dat bij het NPO bij Psyon geen sprake is geweest van opzettelijk onderpresteren.
De nieuwe onderzoeken hebben ook een tumor in de rechter bijnier aangetoond. Ook is nu pas gebleken dat in 2015 niet alleen de linker nier, maar ook de linker bijnier verwijderd was. De hormoonhuishouding is nog verder beïnvloed, omdat nu ook de rechter bijnier is verwijderd. Eiseres is zodanig vermoeid en verstrooid dat zij vrijwel 24/7 afhankelijk is van haar man, die het ook bijna niet meer aankan. Zij heeft hiervoor medicatie, maar dan nog is er bijzonder weinig energie. Daarom is ook een forse urenbeperking noodzakelijk.
Vanwege deze onderzoeksresultaten heeft eiseres op 7 september 2023 een Amber-aanvraag bij het UWV ingediend. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft eiseres medische informatie overgelegd van medisch specialisten. Het betreft:
- een brief van 31 mei 2023 van internist drs. M.A.C. van Haaren
- brieven van 25 augustus 2023 van arts assistent R. van der Weck en internist/endocrinoloog dr. M.J.M. Pouwels, 14 oktober 2023 van arts assistent L.C.M. Rozendal en internist-hematoloog dr. B.W. Schot, 19 oktober 2023 arts assistent L.C.M. Rozendal en internist/endocrinoloog F.P.J. Karstens, 4 december 2023 van arts assistent D. Rinkema en 27 december 2023 van arts assistent G. Saharan, allen van de spoedeisende hulp voor het specialisme Interne Geneeskunde van de Ziekenhuisgroep Twente;
- een brief van 18 december 2023 van internist/endocrinoloog F.P.J. Karstens;
- een e-mail van 25 augustus 2022 van huisarts J. (Hans) Verboom;
- brieven van 15 november 2022 en 8 november 2023 van uroloog J.H. Roelink,
- een brief van 8 mei 2023 van uroloog dr. C.A.M. van der Fels;
- een brief van 22 juni 2023 van uroloog M.J. Pit naar aanleiding van het multidisciplinair overleg oncologie/urologie MST/ZGT/SKB/UMCN;
- een brief van 26 mei 2023 van neuroloog J.J. de Vries van het UMCG Alzheimer Centrum.
Eiseres heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een deskundigenonderzoek, mocht de rechtbank tot het benoemen van een deskundige willen overgaan.
3.3
Het UWV heeft in zijn verweerschrift meegedeeld in het aangevoerde en in de overlegde medische informatie geen aanleiding te zien zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft het UWV gewezen op het rapport van 31 oktober 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.4
Na de zitting op 23 januari 2024 heeft eiseres nog de volgende medische informatie in geding gebracht:
- een brief van 5 februari 2024 van internist F.P.J. Karstens;
- rapporten van 19 februari 2024 en 1 augustus 2022 van psychiater C. Liesdek;
- een rapport van 22 september 2021 naar aanleiding van mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek door GZ-psycholoog/neuropsycholoog dr. M.G.B.G Blokhorst;
- het rapport 29 december 2021 van psychiater J. Blank-Contant van Wettstein & Peterse Expertise (WPEX).
3.5
Het UWV heeft op de nader toegezonden medische informatie gereageerd met toezending van rapporten van 22 maart 2024 en 14 juni 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Beoordeling
4. De rechtbank is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit (gedeeltelijk) onvoldoende is gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1
De rechtbank ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in haar conclusies ten aanzien van de resultaten van de neuropsychologische onderzoeken (NPO). In haar rapport van 10 juni 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat bij het onderzoek door Psyon bij klinische observaties geen aanwijzingen waren voor cognitieve stoornissen, terwijl deze er bij testonderzoek wel waren. Doordat eiseres op de validiteitstesten niet goed presteerde (onderpresteren) en er aanwijzingen voor overrapporteren werden gevonden, zijn de testresultaten niet betrouwbaar. In haar rapport van 24 juni 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de conclusies van dit onderzoek overeen komen met onderzoeken die eiseres vanuit de behandelende sector heeft gehad. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat de NPO-testuitslagen geen objectivering geven voor de door eiseres ervaren belemmeringen. Het rapport van Liesdek, die op basis van een eigen NPO de klachten van eiseres wel objectiveert, doet aan het voorgaande geen afbreuk, nu blijkens het rapport van WPEX, Liesdek haar NPO had aangepast op een wijze die niet is toegestaan waardoor dat NPO geen bewijs toont voor de aanwezigheid van cognitieve stoornissen.
4.2
Ook is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft vastgesteld dat er geen medische informatie is ingebracht waaruit blijkt dat de verwijdering van de linkerbijnier in 2015 de cognitieve functies van eiseres (mede) hebben veroorzaakt. In haar rapport van 14 juni 2024 heeft zij er op gewezen dat uroloog Karstens in zijn brief van 5 februari 2024 schrijft dat een relatie tussen de klachten van eiseres en de verwijdering van de eerste bijnier onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten is, als de klachten onmiddellijk na de operatie zijn opgetreden. In het geval van eiseres zijn de klachten niet onmiddellijk na de operatie opgetreden, maar bestonden deze al langer.
4.3
De rechtbank is echter van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de diagnose die neuroloog De Vries van het UMCG heeft gesteld in de brief van 26 mei 2023, namelijk cogniforme stoornis (functioneel cognitieve stoornis), en mogelijk hersenschade, geen medische objectivering vormt voor de klachten die eiseres ervaart en waarom vanwege deze diagnose niet toch rekening gehouden moet worden met meer beperkingen, waaronder een urenbeperking.
4.3.1
De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft dat De Vries haar conclusie onderschrijft dat op grond van het huidige onderzoek geen uitspraken kunnen worden gedaan over eventuele cognitieve functiestoornissen. De Vries vermeldt dat het testonderzoek bij neuropsychologisch onderzoek niet inconsistent is, daar de soms zeer lage scores op met name geheugentaken niet in lijn zijn met hoe eiseres zich presenteert en een symptoomvaliditeitstest indicatief is voor onderpresteren. Eenzelfde beeld is door de jaren heen consequent gevonden bij eerdere neuropsychologische onderzoeken.
Dit is juist ten aanzien van de neuropsychologische onderzoeken, maar hiermee miskent de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat De Vries wel concludeert dat op grond van gesprekken en aanvullend onderzoek de diagnose cogniforme stoornis (functioneel cognitieve stoornis) is gesteld bij patiënte met depressieve aandoening. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze diagnose niet kenbaar in de afwegingen betrokken, terwijl juist die diagnose, voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan, wordt gesteld bij patiënten bij wie geheugenklachten niet geobjectiveerd kunnen worden door een neuropsychologisch onderzoek, hetgeen an sich door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapportage van 31 oktober 2023 ook wordt bevestigd. Waarom, ondanks deze diagnose, dan toch geen verdergaande beperkingen worden aangenomen is niet inzichtelijk gemotiveerd. Verder is er volgens De Vries ook een component hersenschade, waarschijnlijk van reeds oudere datum (met doorloop naar ventrikelsysteem wat suggestief is voor de tijdsduiding rondom de geboorte). Dit is evenmin kenbaar in de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. De verzekeringsarts stelt enkel dat de FML reeds voldoende rekening houdt met deze diagnoses, maar legt niet uit waarom dat zo is. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze diagnoses alsnog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens motivering worden betrokken, nu deze mogelijk alsnog een objectivering van de door eiseres geclaimde beperkingen vormen.
4.3.2
De rechtbank acht verder van belang dat psychiater C. Liesdek in haar brief van
19 februari 2024 een wetenschappelijk artikel noemt, namelijk het artikel ‘Attenuated cognitive functioning decades after preeclampsie’ in het American Jourrnal of Gynaecology van september 2023. Volgens haar is een organische oorzaak voor de cognitieve achteruitgang van eiseres niet voldoende uitgesloten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 22 maart 2024 vermeld dat het artikel niets zegt over een individuele patiënt. Hoewel dat standpunt op zichzelf juist is, laat dit onverlet dat, blijkens de brief van Liesdek, een organische oorzaak evenmin voldoende is uitgesloten. Daarmee bestaat er dus eveneens een (mogelijke) objectivering van de door eiseres geclaimde beperkingen. Dit is eveneens onvoldoende door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens afwegingen betrokken.
4.3.3
De rechtbank acht tot slot van belang dat op grond van de richtlijn Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC-richtlijn) het gegeven, dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken kunnen worden gemeten of aangetoond niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan en dat van belang is of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. Ook in de rechtspraak is tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan de eis dat de verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan verrichten is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Waar in bijzondere gevallen bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet steeds geheel en al duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven of verschillen zij zelfs tot op zekere hoogte omtrent het antwoord op die vraag, valt een toereikende objectieve vaststelling van die ongeschiktheid niet zonder meer uit te sluiten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zal hetgeen hiervoor in 4.3 tot en met 4.3.2 is overwogen aldus ook tegen deze achtergrond dienen te beschouwen.
4.4
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 31 oktober 2023, 22 maart 2024 en 14 juni 2024 voldoende en inzichtelijk uiteen heeft gezet waarom hetgeen overigens in beroep is aangevoerd en de overige in beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding zijn om meer beperkingen aan te nemen.
Conclusie
5. Uit 4.3 tot en met 4.3.3 volgt dat het bestreden besluit van 25 juni 2021 in strijd moet worden geacht met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor is een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig.
7. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet het UWV deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
De rechtbank acht het aangewezen dat het UWV bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens besluit ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar en de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 juni 2021;
- draagt het UWV op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming vandeze uitspraak;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 49,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie: [naam 3] e.a., ‘Persisterende subjectieve geheugen klachten op middelbare leeftijd: diagnostiek en behandeling’, in: Tijdschr Psychiatr. 2023;65(4):272-277, i.h.b. op pagina 272 en 276, raadpleegbaar via: https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/nl/artikelen/article/50-13146_Persisterende-subjectieve-geheugen-klachten-op-middelbare-leeftijd-diagnostiek-en-behandeling en [naam 4] en [naam 5], ‘Cogniform Disorder and Cogniform Condition: Proposed diagnoses for excessive cognitive symptoms’, in: Archives of Clinical Neuropsychology 22 (2007) 589–604, i.h.b. paragraaf 1.2, raadpleegbaar via: https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0887617707000972.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1945.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 21/1285
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. M.P. Smit,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), het UWV, gemachtigde: [gemachtigde].
Inleiding
1.1
Bij besluit van 9 december 2020 (primair besluit) heeft het UWV de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 10 februari 2021 ingetrokken.
1.2
Met het bestreden besluit van 25 juni 2021 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, huisarts J. Verboom, [naam 1], echtgenoot van eiseres, [naam 2], begeleidster bij InteraktContour, en de gemachtigde van het UWV.
1.4
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nog nadere medische informatie in geding te brengen. Na ontvangst van deze medische informatie op 19 februari 2024 heeft het UWV hierop gereageerd op
27 maart 2024.
1.5
Op 20 mei 2024 heeft eiseres nog nadere medische informatie in geding gebracht. Hierop heeft het UWV gereageerd op 18 juni 2024. Op 4 september 2024 heeft eiseres het rapport van WPEX van 29 december 2021 ingediend. Op 30 september 2024 heeft het UWV meegedeeld geen aanleiding te zien hierop te reageren. Partijen hebben de rechtbank verzocht zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft hierop het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1
Eiseres is vanaf 16 augustus 1984 werkzaam geweest als secretarieel medewerkster in dienst van [bedrijf] B.V., laatstelijk gedurende gemiddeld 29,96 uur per week. Dit dienstverband is geëindigd met de ondertekening van een beëindigingsovereenkomst. Eiseres heeft met ingang van 1 maart 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
2.2
Op 30 april 2015 heeft eiseres zich vanuit de WW ziek gemeld. Zij heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Eiseres heeft het UWV verzocht haar per
27 april 2017 een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eiseres met ingang van die datum een WIA-uitkering toegekend. Eiseres is daarbij volledig arbeidsongeschikt geacht, omdat de arbeidsdeskundige op basis van de belastbaarheid, vastgesteld door de verzekeringsarts geen theoretische verdiencapaciteit kon vaststellen.
2.3
Op 7 januari 2020 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij in overleg met de arbeidsdeskundige heeft besloten om een IVA-uitkering aan te vragen, omdat haar gezondheid eerder verslechtert dan verbetert. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.
2.4
Bij besluit van 5 maart 2024, die buiten de omvang van dit geding valt en ziet op een andere datum in geding, heeft het UWV eiseres met ingang van 1 juni 2023 op grond van de WIA een IVA-uitkering toegekend.
Standpunten van partijen
3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres geen recht meer heeft op een WIA-uitkering met ingang van 10 februari 2021, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum lager is dan 35%. Daarbij heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat eiseres met haar beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou eiseres 9,21% minder kunnen verdienen dan in haar maatgevende arbeid, in dit geval de arbeid als een secretarieel medewerkster voor 29,96 uur per week. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 10 juni 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en het rapport van 22 juni 2021 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.2
Eiseres stelt – samengevat weergegeven – dat haar klachten en beperkingen zijn onderschat, waardoor zij de geselecteerde functies niet kan verrichten. Hiertoe voert eiseres aan dat bij onderzoek hersenschade rond de geboorte is vastgesteld. Ook kan de verwijdering van de linker bijnier in 2015, volgens de specialisten, de achteruitgang in de cognitieve functies (mede) hebben veroorzaakt. Verder stelt eiseres dat bij het NPO bij Psyon geen sprake is geweest van opzettelijk onderpresteren.
De nieuwe onderzoeken hebben ook een tumor in de rechter bijnier aangetoond. Ook is nu pas gebleken dat in 2015 niet alleen de linker nier, maar ook de linker bijnier verwijderd was. De hormoonhuishouding is nog verder beïnvloed, omdat nu ook de rechter bijnier is verwijderd. Eiseres is zodanig vermoeid en verstrooid dat zij vrijwel 24/7 afhankelijk is van haar man, die het ook bijna niet meer aankan. Zij heeft hiervoor medicatie, maar dan nog is er bijzonder weinig energie. Daarom is ook een forse urenbeperking noodzakelijk.
Vanwege deze onderzoeksresultaten heeft eiseres op 7 september 2023 een Amber-aanvraag bij het UWV ingediend. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft eiseres medische informatie overgelegd van medisch specialisten. Het betreft:
- een brief van 31 mei 2023 van internist drs. M.A.C. van Haaren
- brieven van 25 augustus 2023 van arts assistent R. van der Weck en internist/endocrinoloog dr. M.J.M. Pouwels, 14 oktober 2023 van arts assistent L.C.M. Rozendal en internist-hematoloog dr. B.W. Schot, 19 oktober 2023 arts assistent L.C.M. Rozendal en internist/endocrinoloog F.P.J. Karstens, 4 december 2023 van arts assistent D. Rinkema en 27 december 2023 van arts assistent G. Saharan, allen van de spoedeisende hulp voor het specialisme Interne Geneeskunde van de Ziekenhuisgroep Twente;
- een brief van 18 december 2023 van internist/endocrinoloog F.P.J. Karstens;
- een e-mail van 25 augustus 2022 van huisarts J. (Hans) Verboom;
- brieven van 15 november 2022 en 8 november 2023 van uroloog J.H. Roelink,
- een brief van 8 mei 2023 van uroloog dr. C.A.M. van der Fels;
- een brief van 22 juni 2023 van uroloog M.J. Pit naar aanleiding van het multidisciplinair overleg oncologie/urologie MST/ZGT/SKB/UMCN;
- een brief van 26 mei 2023 van neuroloog J.J. de Vries van het UMCG Alzheimer Centrum.
Eiseres heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een deskundigenonderzoek, mocht de rechtbank tot het benoemen van een deskundige willen overgaan.
3.3
Het UWV heeft in zijn verweerschrift meegedeeld in het aangevoerde en in de overlegde medische informatie geen aanleiding te zien zijn standpunt te wijzigen. Daarbij heeft het UWV gewezen op het rapport van 31 oktober 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.4
Na de zitting op 23 januari 2024 heeft eiseres nog de volgende medische informatie in geding gebracht:
- een brief van 5 februari 2024 van internist F.P.J. Karstens;
- rapporten van 19 februari 2024 en 1 augustus 2022 van psychiater C. Liesdek;
- een rapport van 22 september 2021 naar aanleiding van mentaal duurbelastbaarheidsonderzoek door GZ-psycholoog/neuropsycholoog dr. M.G.B.G Blokhorst;
- het rapport 29 december 2021 van psychiater J. Blank-Contant van Wettstein & Peterse Expertise (WPEX).
3.5
Het UWV heeft op de nader toegezonden medische informatie gereageerd met toezending van rapporten van 22 maart 2024 en 14 juni 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Beoordeling
4. De rechtbank is van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit (gedeeltelijk) onvoldoende is gemotiveerd, waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1
De rechtbank ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in haar conclusies ten aanzien van de resultaten van de neuropsychologische onderzoeken (NPO). In haar rapport van 10 juni 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat bij het onderzoek door Psyon bij klinische observaties geen aanwijzingen waren voor cognitieve stoornissen, terwijl deze er bij testonderzoek wel waren. Doordat eiseres op de validiteitstesten niet goed presteerde (onderpresteren) en er aanwijzingen voor overrapporteren werden gevonden, zijn de testresultaten niet betrouwbaar. In haar rapport van 24 juni 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de conclusies van dit onderzoek overeen komen met onderzoeken die eiseres vanuit de behandelende sector heeft gehad. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat de NPO-testuitslagen geen objectivering geven voor de door eiseres ervaren belemmeringen. Het rapport van Liesdek, die op basis van een eigen NPO de klachten van eiseres wel objectiveert, doet aan het voorgaande geen afbreuk, nu blijkens het rapport van WPEX, Liesdek haar NPO had aangepast op een wijze die niet is toegestaan waardoor dat NPO geen bewijs toont voor de aanwezigheid van cognitieve stoornissen.
4.2
Ook is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft vastgesteld dat er geen medische informatie is ingebracht waaruit blijkt dat de verwijdering van de linkerbijnier in 2015 de cognitieve functies van eiseres (mede) hebben veroorzaakt. In haar rapport van 14 juni 2024 heeft zij er op gewezen dat uroloog Karstens in zijn brief van 5 februari 2024 schrijft dat een relatie tussen de klachten van eiseres en de verwijdering van de eerste bijnier onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten is, als de klachten onmiddellijk na de operatie zijn opgetreden. In het geval van eiseres zijn de klachten niet onmiddellijk na de operatie opgetreden, maar bestonden deze al langer.
4.3
De rechtbank is echter van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de diagnose die neuroloog De Vries van het UMCG heeft gesteld in de brief van 26 mei 2023, namelijk cogniforme stoornis (functioneel cognitieve stoornis), en mogelijk hersenschade, geen medische objectivering vormt voor de klachten die eiseres ervaart en waarom vanwege deze diagnose niet toch rekening gehouden moet worden met meer beperkingen, waaronder een urenbeperking.
4.3.1
De verzekeringsarts bezwaar en beroep schrijft dat De Vries haar conclusie onderschrijft dat op grond van het huidige onderzoek geen uitspraken kunnen worden gedaan over eventuele cognitieve functiestoornissen. De Vries vermeldt dat het testonderzoek bij neuropsychologisch onderzoek niet inconsistent is, daar de soms zeer lage scores op met name geheugentaken niet in lijn zijn met hoe eiseres zich presenteert en een symptoomvaliditeitstest indicatief is voor onderpresteren. Eenzelfde beeld is door de jaren heen consequent gevonden bij eerdere neuropsychologische onderzoeken.
Dit is juist ten aanzien van de neuropsychologische onderzoeken, maar hiermee miskent de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat De Vries wel concludeert dat op grond van gesprekken en aanvullend onderzoek de diagnose cogniforme stoornis (functioneel cognitieve stoornis) is gesteld bij patiënte met depressieve aandoening. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze diagnose niet kenbaar in de afwegingen betrokken, terwijl juist die diagnose, voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan, wordt gesteld bij patiënten bij wie geheugenklachten niet geobjectiveerd kunnen worden door een neuropsychologisch onderzoek, hetgeen an sich door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens rapportage van 31 oktober 2023 ook wordt bevestigd. Waarom, ondanks deze diagnose, dan toch geen verdergaande beperkingen worden aangenomen is niet inzichtelijk gemotiveerd. Verder is er volgens De Vries ook een component hersenschade, waarschijnlijk van reeds oudere datum (met doorloop naar ventrikelsysteem wat suggestief is voor de tijdsduiding rondom de geboorte). Dit is evenmin kenbaar in de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. De verzekeringsarts stelt enkel dat de FML reeds voldoende rekening houdt met deze diagnoses, maar legt niet uit waarom dat zo is. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze diagnoses alsnog door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens motivering worden betrokken, nu deze mogelijk alsnog een objectivering van de door eiseres geclaimde beperkingen vormen.
4.3.2
De rechtbank acht verder van belang dat psychiater C. Liesdek in haar brief van
19 februari 2024 een wetenschappelijk artikel noemt, namelijk het artikel ‘Attenuated cognitive functioning decades after preeclampsie’ in het American Jourrnal of Gynaecology van september 2023. Volgens haar is een organische oorzaak voor de cognitieve achteruitgang van eiseres niet voldoende uitgesloten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 22 maart 2024 vermeld dat het artikel niets zegt over een individuele patiënt. Hoewel dat standpunt op zichzelf juist is, laat dit onverlet dat, blijkens de brief van Liesdek, een organische oorzaak evenmin voldoende is uitgesloten. Daarmee bestaat er dus eveneens een (mogelijke) objectivering van de door eiseres geclaimde beperkingen. Dit is eveneens onvoldoende door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens afwegingen betrokken.
4.3.3
De rechtbank acht tot slot van belang dat op grond van de richtlijn Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC-richtlijn) het gegeven, dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken kunnen worden gemeten of aangetoond niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan en dat van belang is of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. Ook in de rechtspraak is tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan de eis dat de verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan verrichten is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Waar in bijzondere gevallen bij de medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet steeds geheel en al duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven of verschillen zij zelfs tot op zekere hoogte omtrent het antwoord op die vraag, valt een toereikende objectieve vaststelling van die ongeschiktheid niet zonder meer uit te sluiten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zal hetgeen hiervoor in 4.3 tot en met 4.3.2 is overwogen aldus ook tegen deze achtergrond dienen te beschouwen.
4.4
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 31 oktober 2023, 22 maart 2024 en 14 juni 2024 voldoende en inzichtelijk uiteen heeft gezet waarom hetgeen overigens in beroep is aangevoerd en de overige in beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding zijn om meer beperkingen aan te nemen.
Conclusie
5. Uit 4.3 tot en met 4.3.3 volgt dat het bestreden besluit van 25 juni 2021 in strijd moet worden geacht met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor is een nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig.
7. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet het UWV deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
De rechtbank acht het aangewezen dat het UWV bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tevens besluit ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar en de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 juni 2021;
- draagt het UWV op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming vandeze uitspraak;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 49,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie: [naam 3] e.a., ‘Persisterende subjectieve geheugen klachten op middelbare leeftijd: diagnostiek en behandeling’, in: Tijdschr Psychiatr. 2023;65(4):272-277, i.h.b. op pagina 272 en 276, raadpleegbaar via: https://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/nl/artikelen/article/50-13146_Persisterende-subjectieve-geheugen-klachten-op-middelbare-leeftijd-diagnostiek-en-behandeling en [naam 4] en [naam 5], ‘Cogniform Disorder and Cogniform Condition: Proposed diagnoses for excessive cognitive symptoms’, in: Archives of Clinical Neuropsychology 22 (2007) 589–604, i.h.b. paragraaf 1.2, raadpleegbaar via: https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0887617707000972.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1945.