Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-11
ECLI:NL:RBOVE:2025:778
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,582 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.952202.18
Datum vonnis: 11 februari 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 140.487,00.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 21 mei 2024. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 4 juni 2024 bepaald dat er een schriftelijke voorbereiding zal plaatsvinden. Naar aanleiding daarvan zijn de volgende processtukken aan het dossier toegevoegd:
-een proces-verbaal van bevindingen aanvullend onderzoek naar aanleiding van het tussenvonnis, opgesteld op 18 juli 2024, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant].
- een conclusie van antwoord van mr. J.B.A. Kalk van 14 oktober 2024;
- een conclusie van repliek van de officier van justitie van 20 januari 2025..
Vervolgens is het onderzoek op 28 januari 2025 voortgezet. Verdachte en zijn raadsman zijn hierbij niet verschenen.
Op de terechtzitting van 28 januari 2025 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 140.487,00 en dat de betalingsverplichting ook € 140.487,00 bedraagt.
De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota ter zitting van 21 mei 2024 op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 11 februari 2025 veroordeeld, voor het misdrijf: witwassen.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure als vaststaand wordt aangenomen dat bovenstaand feit door de veroordeelde is begaan.
3.2
Beoordeling
De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e lid 3 Sr.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier.
De politie heeft een rapport opgemaakt met daarin een eenvoudige kasopstelling voor de periode van 1 januari 2011 tot en met tot en met 17 september 2019. Met een eenvoudige kasopstelling wordt uitgerekend hoeveel contant geld veroordeelde in een bepaalde periode legaal beschikbaar had voor het doen van uitgaven en hoeveel contant geld door veroordeelde is uitgegeven in die periode. Als uit die berekening volgt dat er meer contant geld is uitgegeven dan legaal beschikbaar, dan is sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatieve kas is niet mogelijk, een persoon kan immers niet meer contant uitgeven dan die persoon fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft.
In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een negatief kasverschil ter hoogte van € 113.987,00, en dat het niet anders kan zijn dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. In het vonnis in de hoofdzaak is de rechtbank al ingegaan op de verweren van de raadsman. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald daarom op het genoemde bedrag van
€ 113.987,00.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 113.987,00.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze schending voldoende gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens die schending. Een ontnemingszaak kan nog tot twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak aanhangig worden gemaakt, de onderhavige vordering ontneming is echter gelijktijdig met de strafzaak behandeld en het vonnis is van dezelfde datum. De rechtbank zal daarom in de onderhavige zaak volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.
3.4
Duur gijzeling.
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd vaststellen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de duur het LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 50,- van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van 1080 dagen.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 113.987,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 113.987,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. M. Vodegel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, onderzoek ONRBB18001 KALISTA/ONRBB18001. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, en betreft dit pagina’s uit het zaaksdossier witwassen
rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 25 januari 2022, AH140, dossierpagina’s 83 tot en met 88.
Zie pagina 14 van het vonnis van 11 februari 2025
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.952202.18
Datum vonnis: 11 februari 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 140.487,00.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 21 mei 2024. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De rechtbank heeft in een tussenvonnis van 4 juni 2024 bepaald dat er een schriftelijke voorbereiding zal plaatsvinden. Naar aanleiding daarvan zijn de volgende processtukken aan het dossier toegevoegd:
-een proces-verbaal van bevindingen aanvullend onderzoek naar aanleiding van het tussenvonnis, opgesteld op 18 juli 2024, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant].
- een conclusie van antwoord van mr. J.B.A. Kalk van 14 oktober 2024;
- een conclusie van repliek van de officier van justitie van 20 januari 2025..
Vervolgens is het onderzoek op 28 januari 2025 voortgezet. Verdachte en zijn raadsman zijn hierbij niet verschenen.
Op de terechtzitting van 28 januari 2025 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 140.487,00 en dat de betalingsverplichting ook € 140.487,00 bedraagt.
De raadsman heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota ter zitting van 21 mei 2024 op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 11 februari 2025 veroordeeld, voor het misdrijf: witwassen.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure als vaststaand wordt aangenomen dat bovenstaand feit door de veroordeelde is begaan.
3.2
Beoordeling
De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e lid 3 Sr.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier.
De politie heeft een rapport opgemaakt met daarin een eenvoudige kasopstelling voor de periode van 1 januari 2011 tot en met tot en met 17 september 2019. Met een eenvoudige kasopstelling wordt uitgerekend hoeveel contant geld veroordeelde in een bepaalde periode legaal beschikbaar had voor het doen van uitgaven en hoeveel contant geld door veroordeelde is uitgegeven in die periode. Als uit die berekening volgt dat er meer contant geld is uitgegeven dan legaal beschikbaar, dan is sprake van onbekende contante ontvangsten. Een negatieve kas is niet mogelijk, een persoon kan immers niet meer contant uitgeven dan die persoon fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft.
In het vonnis in de hoofdzaak heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een negatief kasverschil ter hoogte van € 113.987,00, en dat het niet anders kan zijn dat dit geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. In het vonnis in de hoofdzaak is de rechtbank al ingegaan op de verweren van de raadsman. De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde daadwerkelijk heeft behaald daarom op het genoemde bedrag van
€ 113.987,00.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 113.987,00.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze schending voldoende gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens die schending. Een ontnemingszaak kan nog tot twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak aanhangig worden gemaakt, de onderhavige vordering ontneming is echter gelijktijdig met de strafzaak behandeld en het vonnis is van dezelfde datum. De rechtbank zal daarom in de onderhavige zaak volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.
3.4
Duur gijzeling.
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd vaststellen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de duur het LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 50,- van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van 1080 dagen.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 113.987,00;
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 113.987,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. M. Vodegel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Wanneer hierna wordt verwezen naar pagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, onderzoek ONRBB18001 KALISTA/ONRBB18001. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, en betreft dit pagina’s uit het zaaksdossier witwassen
rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling van 25 januari 2022, AH140, dossierpagina’s 83 tot en met 88.
Zie pagina 14 van het vonnis van 11 februari 2025