Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-06
ECLI:NL:RBOVE:2025:699
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,221 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3101
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen
(gemachtigden: B.A.M. Schuurman en I.Z. Waage).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de nietontvankelijkheidsverklaring van zijn bezwaar tegen een aanmaning.
1.1.
Het college heeft op 11 juli 2022 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Met het besluit van 26 mei 2023 is het college overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 92.500,-. De rechtbank heeft het door eiser ingestelde beroep op 25 juni 2024 ongegrond verklaard.
1.2.
Met het besluit van 24 april 2024 heeft het college een aanmaning verstuurd aan eiser, waarbij hij is gemaand om binnen twee weken het openstaande bedrag van € 98.994,- te betalen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft eisers bezwaar met het besluit van 20 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het bezwaar van eiser tegen de aanmaning van het college. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van eiser tegen de aanmaning terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiser is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5. In artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
6. Op grond van artikel 4:112, eerste lid, van de Awb maant het bestuursorgaan de schuldenaar die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
7. Op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb of een dwangbevel. Gelet op artikel 7:1 van de Awb is het daarom ook niet mogelijk om bezwaar te maken tegen een aanmaning. Het college heeft het bezwaar van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkheidsverklaring van eisers bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2025 door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer ZWO 23/436.