Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-11-27
ECLI:NL:RBOVE:2025:6851
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,005 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2025:6851 text/xml public 2026-05-13T11:26:23 2025-11-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2025-11-27 AWB_25_3335 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:6851 text/html public 2026-05-13T11:26:02 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2025:6851 Rechtbank Overijssel , 27-11-2025 / AWB_25_3335 Voorlopige voorziening bezwaar. Ongeldig rijbewijs. Rijgeschiktheid. Gebruik gemaakt van blokkeringsrecht. Verzoek afgewezen. RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/3335 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats], hierna: [eiser], (gemachtigde: mr. I.S. Proost), en de directie van het CBR, hierna: het CBR, (gemachtigde: mr. J.J. Kwant). 1 Samenvatting 1.1. Het CBR heeft het rijbewijs van [eiser] ongeldig verklaard. Reden hiervoor is dat [eiser] gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht, waardoor het CBR de uitslag van het aan [eiser] opgelegde medisch onderzoek niet heeft kunnen betrekken bij zijn beoordeling of [eiser] rijgeschikt is. Het CBR dient dan het rijbewijs ongeldig te verklaren. [eiser] is het met de ongeldigverklaring niet eens. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Omdat hij tijdens de bezwaarprocedure gebruik wil blijven maken van zijn rijbewijs, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het voorlopig oordeel dat de bezwaren geen redelijke kans van slagen hebben en dat de belangenafweging mede in dat licht geen aanleiding vormt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Zij wijst het verzoek daarom af. 2 Inleiding: feiten en procesverloop 2.1. Op 6 november 2024 heeft het CBR besloten dat [eiser] een onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik, om de rijgeschiktheid van [eiser] te beoordelen. Aanleiding voor het CBR was de aanhouding van 26 oktober 2024, waarbij [eiser] niet zou hebben meegewerkt aan een alcoholcontrole van de politie. Daarnaast is voor het CBR van belang geweest dat [eiser] in de vijf jaar daarvoor al een keer een cursus over alcohol en verkeer had afgerond. 2.2. [eiser] heeft tegen het besluit van 6 november 2024 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is op 10 februari 2025 ongegrond verklaard. [eiser] heeft daartegen geen beroep ingesteld. 2.3. Vervolgens heeft het onderzoek plaatsgevonden. Het aanvankelijke rapport moest na gegronde bezwaren van [eiser] worden aangepast. Na afronding van het onderzoek, heeft [eiser] gebruik gemaakt van zijn blokkeringsrecht. Hij heeft de arts geen toestemming gegeven om de uitslag van het onderzoek met het CBR te delen. Hoewel de arts dat aanvankelijk wel had gedaan, heeft het CBR het onderzoek niet in zijn beoordeling berokken. 2.4. Dit heeft geleid tot het besluit van het CBR van 6 november 2025. Het CBR heeft daarin geconcludeerd dat [eiser] vanwege het blokkeren van het onderzoeksrapport niet volledig heeft meegewerkt aan het opgelegde onderzoek naar alcoholgebruik. Het CBR heeft om die reden het rijbewijs ongeldig verklaard. Het rijbewijs is ongeldig verklaard vanaf 13 november 2025. 2.5. In de tussentijd heeft [eiser] een (andere) mededelingen procedure bij het CBR gestart. In dat kader is [eiser] op 28 oktober 2025 voorlopig rijgeschikt verklaard. Dat besluit is op 30 oktober 2025 ingetrokken, toen bleek dat [eiser] zijn blokkeringsrecht inriep en geen definitief besluit kon worden genomen over de aangevraagde gezondheidsverklaring. 2.6. [eiser] is het niet eens met de ongeldig verklaring van zijn rijbewijs. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij op 12 november 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het CBR. 3 Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in het geval beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op bezwaar die het CBR zal nemen. Over welk besluit gaat deze uitspraak? 3.2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het in deze uitspraak enkel gaat over het besluit van 6 november 2025, waarin het rijbewijs van [eiser] ongeldig is verklaard. [eiser] heeft naar voren gebracht dat naar zijn mening het onderzoek naar zijn alcoholgebruik ten onrechte is opgestart. Hij verwijst daarvoor naar het vonnis van de politierechter van 1 mei 2025 dat volgde op de aanhouding van 26 oktober 2024, waaruit [eiser] concludeert dat er geen sprake is geweest van een opzettelijke weigering. Het CBR had daarin aanleiding moeten zien om het besluit van 6 november 2024, waarin het onderzoek aan hem is opgelegd, terug te draaien. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] tegen de beslissing op bezwaar van 10 februari 2025 geen beroep heeft ingesteld. Het besluit over het onderzoek is daarmee onherroepelijk geworden. Dat [eiser] onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik voor de beoordeling van zijn rijgeschiktheid staat daarom vast en kan in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld. Het besluit van 6 november 2025 – ongeldigverklaring rijbewijs 3.3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het besluit van het CBR van 6 november 2025 moet worden geschorst totdat op het bezwaarschrift van [eiser] is beslist. 3.4. Een dergelijke schorsing is mogelijk als tegen een besluit bezwaar is gemaakt voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.5. Daarbij beoordeelt de voorzieningenrechter eerst of sprake is van onverwijlde spoed. Indien daarvan sprake is verricht de voorzieningenrechter een voorlopige beoordeling over de kans van slagen van het bezwaarschrift, en daarmee de vraag of het besluit van 6 november 2025 rechtmatig is. Op basis daarvan zal de voorzieningenrechter vervolgens beoordelen of de belangen van [eiser] bij het schorsen van het besluit al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het CBR bij het in stand laten van het besluit. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van [eiser] bij een schorsing. 3.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van onverwijlde spoed. Het rijbewijs van [eiser] is met ingang van 13 november 2025 ongeldig verklaard. [eiser] heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk en privéleven. Het CBR heeft het spoedeisend belang ook niet betwist. 3.7. Vervolgens komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het besluit van 6 november 2025 rechtmatig is. Vaststaat dat [eiser] gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 14 april 2010 heeft overwogen, moet een beroep op het blokkeringsrecht worden aangemerkt als het niet verlenen van de vereiste medewerking aan het door het CBR opgelegde onderzoek als bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw). Op grond van artikel 132, tweede lid, van de Wvw moet het CBR het rijbewijs in dat geval ongeldig verklaren. Het CBR heeft daarin geen keuze. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het CBR dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het rijbewijs van [eiser] ongeldig moet worden verklaard. Het bezwaar van [eiser] tegen dit besluit heeft gelet hierop geen redelijke kans van slagen. 3.8. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het besluit van 6 november 2025 vooralsnog rechtmatig is en in stand kan blijven en dat het bezwaar van [eiser] tegen dit besluit geen redelijke kans van slagen heeft.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2025:6851 text/xml public 2026-05-13T11:26:23 2025-11-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2025-11-27 AWB_25_3335 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:6851 text/html public 2026-05-13T11:26:02 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2025:6851 Rechtbank Overijssel , 27-11-2025 / AWB_25_3335 Voorlopige voorziening bezwaar. Ongeldig rijbewijs. Rijgeschiktheid. Gebruik gemaakt van blokkeringsrecht. Verzoek afgewezen. RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/3335 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats], hierna: [eiser], (gemachtigde: mr. I.S. Proost), en de directie van het CBR, hierna: het CBR, (gemachtigde: mr. J.J. Kwant). 1 Samenvatting 1.1. Het CBR heeft het rijbewijs van [eiser] ongeldig verklaard. Reden hiervoor is dat [eiser] gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht, waardoor het CBR de uitslag van het aan [eiser] opgelegde medisch onderzoek niet heeft kunnen betrekken bij zijn beoordeling of [eiser] rijgeschikt is. Het CBR dient dan het rijbewijs ongeldig te verklaren. [eiser] is het met de ongeldigverklaring niet eens. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Omdat hij tijdens de bezwaarprocedure gebruik wil blijven maken van zijn rijbewijs, heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het voorlopig oordeel dat de bezwaren geen redelijke kans van slagen hebben en dat de belangenafweging mede in dat licht geen aanleiding vormt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Zij wijst het verzoek daarom af. 2 Inleiding: feiten en procesverloop 2.1. Op 6 november 2024 heeft het CBR besloten dat [eiser] een onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik, om de rijgeschiktheid van [eiser] te beoordelen. Aanleiding voor het CBR was de aanhouding van 26 oktober 2024, waarbij [eiser] niet zou hebben meegewerkt aan een alcoholcontrole van de politie. Daarnaast is voor het CBR van belang geweest dat [eiser] in de vijf jaar daarvoor al een keer een cursus over alcohol en verkeer had afgerond. 2.2. [eiser] heeft tegen het besluit van 6 november 2024 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is op 10 februari 2025 ongegrond verklaard. [eiser] heeft daartegen geen beroep ingesteld. 2.3. Vervolgens heeft het onderzoek plaatsgevonden. Het aanvankelijke rapport moest na gegronde bezwaren van [eiser] worden aangepast. Na afronding van het onderzoek, heeft [eiser] gebruik gemaakt van zijn blokkeringsrecht. Hij heeft de arts geen toestemming gegeven om de uitslag van het onderzoek met het CBR te delen. Hoewel de arts dat aanvankelijk wel had gedaan, heeft het CBR het onderzoek niet in zijn beoordeling berokken. 2.4. Dit heeft geleid tot het besluit van het CBR van 6 november 2025. Het CBR heeft daarin geconcludeerd dat [eiser] vanwege het blokkeren van het onderzoeksrapport niet volledig heeft meegewerkt aan het opgelegde onderzoek naar alcoholgebruik. Het CBR heeft om die reden het rijbewijs ongeldig verklaard. Het rijbewijs is ongeldig verklaard vanaf 13 november 2025. 2.5. In de tussentijd heeft [eiser] een (andere) mededelingen procedure bij het CBR gestart. In dat kader is [eiser] op 28 oktober 2025 voorlopig rijgeschikt verklaard. Dat besluit is op 30 oktober 2025 ingetrokken, toen bleek dat [eiser] zijn blokkeringsrecht inriep en geen definitief besluit kon worden genomen over de aangevraagde gezondheidsverklaring. 2.6. [eiser] is het niet eens met de ongeldig verklaring van zijn rijbewijs. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij op 12 november 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het CBR. 3 Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in het geval beroep wordt ingesteld tegen de beslissing op bezwaar die het CBR zal nemen. Over welk besluit gaat deze uitspraak? 3.2. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het in deze uitspraak enkel gaat over het besluit van 6 november 2025, waarin het rijbewijs van [eiser] ongeldig is verklaard. [eiser] heeft naar voren gebracht dat naar zijn mening het onderzoek naar zijn alcoholgebruik ten onrechte is opgestart. Hij verwijst daarvoor naar het vonnis van de politierechter van 1 mei 2025 dat volgde op de aanhouding van 26 oktober 2024, waaruit [eiser] concludeert dat er geen sprake is geweest van een opzettelijke weigering. Het CBR had daarin aanleiding moeten zien om het besluit van 6 november 2024, waarin het onderzoek aan hem is opgelegd, terug te draaien. De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] tegen de beslissing op bezwaar van 10 februari 2025 geen beroep heeft ingesteld. Het besluit over het onderzoek is daarmee onherroepelijk geworden. Dat [eiser] onderzoek moest laten doen naar zijn alcoholgebruik voor de beoordeling van zijn rijgeschiktheid staat daarom vast en kan in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld. Het besluit van 6 november 2025 – ongeldigverklaring rijbewijs 3.3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het besluit van het CBR van 6 november 2025 moet worden geschorst totdat op het bezwaarschrift van [eiser] is beslist. 3.4. Een dergelijke schorsing is mogelijk als tegen een besluit bezwaar is gemaakt voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.5. Daarbij beoordeelt de voorzieningenrechter eerst of sprake is van onverwijlde spoed. Indien daarvan sprake is verricht de voorzieningenrechter een voorlopige beoordeling over de kans van slagen van het bezwaarschrift, en daarmee de vraag of het besluit van 6 november 2025 rechtmatig is. Op basis daarvan zal de voorzieningenrechter vervolgens beoordelen of de belangen van [eiser] bij het schorsen van het besluit al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het CBR bij het in stand laten van het besluit. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van [eiser] bij een schorsing. 3.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van onverwijlde spoed. Het rijbewijs van [eiser] is met ingang van 13 november 2025 ongeldig verklaard. [eiser] heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk en privéleven. Het CBR heeft het spoedeisend belang ook niet betwist. 3.7. Vervolgens komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het besluit van 6 november 2025 rechtmatig is. Vaststaat dat [eiser] gebruik heeft gemaakt van zijn blokkeringsrecht. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 14 april 2010 heeft overwogen, moet een beroep op het blokkeringsrecht worden aangemerkt als het niet verlenen van de vereiste medewerking aan het door het CBR opgelegde onderzoek als bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw). Op grond van artikel 132, tweede lid, van de Wvw moet het CBR het rijbewijs in dat geval ongeldig verklaren. Het CBR heeft daarin geen keuze. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het CBR dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het rijbewijs van [eiser] ongeldig moet worden verklaard. Het bezwaar van [eiser] tegen dit besluit heeft gelet hierop geen redelijke kans van slagen. 3.8. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het besluit van 6 november 2025 vooralsnog rechtmatig is en in stand kan blijven en dat het bezwaar van [eiser] tegen dit besluit geen redelijke kans van slagen heeft.