Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-11-04
ECLI:NL:RBOVE:2025:6341
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
16,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.257375.24 (P)
Datum vonnis: 4 november 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. S. Lennips, advocaat in Enschede, is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander [slachtoffer] heeft geslagen, gestompt, getrapt en geduwd, waardoor deze [slachtoffer] ernstig letsel, bestaande uit breuken, een beschadigde zenuw en afgebroken tanden heeft opgelopen. Dit is ten laste gelegd als zware mishandeling (primair), poging tot zware mishandeling (subsidiair), mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg (meer subsidiair) of openlijke geweldpleging (meest subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een (of meerdere) breuk(en) en/of letsel en/of een
beschadigde zenuw in het gelaat en/of (een) afgebroken tand(en), heeft
toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te duwen
en/of
- op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op de grond te gooien;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geduwd
en/of
- op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of
- op de grond heeft gegooid
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans
eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te duwen
en/of
- op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op de grond te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten te weten
een (of meerdere) breuk(en) en/of letsel en/of een beschadigde zenuw in het gelaat
en/of (een) afgebroken tand(en), ten gevolge heeft gehad;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
openlijk, te weten, op of aan de [adres 1], in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer]
door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te duwen
en/of
- op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op de grond te gooien;
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat het letsel van het slachtoffer juridisch gezien niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Ook ontbrak het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook in voorwaardelijke zin. Door alleen zijn vuist te gebruiken heeft verdachte niet de kans aanvaard dat er zwaar letsel zou worden toebracht. Dat geldt ook voor het subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Beoordeling
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 30 juni 2023 werd de zoon van verdachte (hierna te noemen: [medeverdachte]) door [slachtoffer] (hierna ook: aangever) aangesproken op zijn rijgedrag bij [locatie] in Almelo. [medeverdachte] heeft vervolgens verdachte gebeld. Verdachte kwam een paar minuten later bij de speeltuin aan om verhaal te halen. Er ontstond een woordenwisseling tussen hem en aangever. Daarbij heeft verdachte aangever tegen het lichaam getrapt, op zijn hoofd geslagen en op de grond gegooid. Toen aangever weerloos op de grond lag, heeft hij hem hard getrapt. Vervolgens is verdachte bovenop het liggende slachtoffer gaan zitten, met een knie op de grond en de andere knie wat hoger ernaast. Toen heeft hij aangever nog meerdere keer met zijn vuist in het gezicht geslagen. Ook [medeverdachte] heeft het slachtoffer één of twee keer getrapt. Terwijl aangever bewegingloos op de grond bleef liggen, zijn verdachte en zijn zoon weggereden.
Ten gevolge van het op hem uitgeoefende geweld heeft [slachtoffer] (onder meer) een gebroken oogkas, een breuk in de kaakholte, twee afgebroken kiezen en een beschadigde zenuw in zijn gelaat opgelopen. Daarnaast waren zijn ribben bezeerd.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het letsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat naar gewoon spraakgebruik als zodanig wordt aangeduid. Onder meer de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of de aard van het herstel kunnen een rol spelen bij beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is.
Ten aanzien van het letsel van aangever overweegt de rechtbank als volgt. Aangever is na het incident met spoed naar het ziekenhuis vervoerd en is daar enige tijd opgenomen. Er is ten aanzien van zijn gezichtsletsel geen sprake geweest van operatief ingrijpen, omdat is gekozen voor een conservatief beleid. Uit de onderbouwing van zijn vordering als benadeelde partij blijkt dat het letsel – ruim twee jaren na het feit – nog niet is hersteld, en dat de breuk van de oogkas en de beschadigde zenuw in het gezicht hem nog steeds (continu) pijn doet.
Gezien de aard en de hoeveelheid van de verwondingen, in combinatie met de lange periode van herstel, waarbij nog steeds sprake is van pijn, en de onzekerheid over de mogelijkheid tot volledig herstel is de rechtbank van oordeel dat het letsel van het slachtoffer als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Opzet
Hoewel ten aanzien van het handelen van verdachte – met name vanaf het moment dat het slachtoffer weerloos op de grond lag – niet kan worden uitgesloten dat er bij verdachte sprake was van vol opzet, is er geen wettig bewijs op basis waarvan dat kan worden bewezen.
Opzet kan echter ook bestaan in voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Naar algemene ervaringsregels roept het geven van meerdere harde vuistslagen in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het gezicht een uiterst kwetsbaar deel van het hoofd is.
Omdat het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door verdachte is getrapt en geslagen, en vervolgens op de grond is gegooid. Toen het slachtoffer vervolgens weerloos op de grond lag, heeft verdachte hem nog een harde trap gegeven en is in geknielde houding bovenop het slachtoffer gaan zitten. In zo’n positie kan geplaatst en met veel kracht worden geslagen. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens meerdere vuistslagen in zijn gezicht gegeven, met zodanige kracht dat het slachtoffer daardoor verschillende fracturen in het gezicht heeft opgelopen.
Het op deze wijze slaan is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte], die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage van beiden aan het delict is van voldoende gewicht geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Het feit is immers aangevangen doordat [medeverdachte] verdachte telefonisch alarmeerde, nadat [medeverdachte] door het slachtoffer was aangesproken op zijn rijgedrag, wetende dat verdachte snel boos is en dat verdachte sterk is en vroeger aan boksen heeft gedaan. Binnen enkele minuten nadat [medeverdachte] hem belde arriveerde verdachte. Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] zich beiden gericht op het slachtoffer, en beiden hebben ook gewelddadige handelingen tegen het slachtoffer gepleegd. De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling heeft begaan.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks
30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een
of meer
ander
en, althans alleen
,
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten
een (of meerdere)
breuk
(
en
) en/of letsel
en
/of
een
beschadigde zenuw in het gelaat en
/of (een)
afgebroken tand
(
en
)
, heeft
toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen,
althans eenmaal, (
met kracht
)
- op/tegen het lichaam te slaan en
/of
te stompen en
/of
te trappen en
/of
te duwen
en
/of
-
op/
tegen het hoofd te slaan en
/of
te stompen
en/of te trappen
en
/of
- op de grond te gooien.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling;
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van achttien maanden gevorderd, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit een taakstraf van 200 uur op te leggen, met indien de rechtbank dat noodzakelijk acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van een flink aantal maanden. Daarbij heeft de raadsvrouw onder meer gewezen op de gezondheidssituatie van haar cliënt. Het afgelopen jaar heeft hij meerdere TIA’s gehad. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte bij detentie zijn woning kwijt raakt. Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat bij de strafmaat ook mee dient te spelen dat het geweld werd geïnitieerd door het slachtoffer, dat verdachte de volledige verantwoordelijkheid op zich wil nemen en dat de reclassering ook aangeeft dat een gevangenisstraf niet zal leiden tot gedragsverandering.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met zijn zoon (minderjarige) zoon [medeverdachte] zonder enige te rechtvaardigen aanleiding schuldig gemaakt aan zware mishandeling.
Nadat [medeverdachte] door het slachtoffer, de beheerder van een speeltuin, werd aangesproken op vermeend risicovol rijgedrag met zijn scooter bij de speeltuin, heeft [medeverdachte] verdachte gebeld. Verdachte is direct met zijn scooter naar de speeltuin gereden en heeft daar, samen met [medeverdachte], in enkele minuten zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer toegebracht. Onder meer door hem te schoppen en hem meerdere harde vuistslagen in zijn gezicht te geven. Daarna hebben zij het slachtoffer op de grond achter gelaten, zijn naar huis gereden, hebben beide scooters uit het zicht geplaatst, heeft verdachte zijn T-shirt laten weggegooien en [medeverdachte] op een andere locatie voorzien van andere kleding. Het gemak waarmee verdachte samen met zijn minderjarig kind overgaat tot het plegen van ernstig geweld en de koelbloedigheid waarmee verdachte nadien onmiddellijk alles in gang heeft gezet om de sporen van zijn zoon en hemzelf te verbergen zijn schokkend. Pas nadat een buurman van verdachte na een oproep in het tv-programma Opsporing Verzocht (opnieuw) een melding deed van mogelijke betrokkenheid van verdachte, is verdachte ruim een jaar na de mishandeling aangehouden.
Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden en vanuit het oogpunt van vergelding is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals betoogd door de verdediging – kan om die reden al geen sprake zijn, ook als wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de gezondheidstoestand van de verdachte.
De rechtbank heeft kennis genomen van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één
of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd wordt een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt van denken gegeven, en voor het
opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van
een wapen wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden.
Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, het berekenende handelen van verdachte daarna (om zijn uiterst laakbare handelen te verhullen), de omstandigheid dat hij het feit in vereniging heeft gepleegd én dat dat met zijn minderjarige zoon was. Als vader had hij zijn zoon het goede voorbeeld horen te geven. In dat verband is het schokkend dat de Whatsapp-berichten in het dossier (op pagina 115 tot en met 119) de indruk wekken dat het in het gezin van verdachte normaal wordt gevonden om geweld tegen anderen te gebruiken; in hetzelfde weekend worden nog twee geweldsincidenten waarbij zij betrokken zijn geweest besproken.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie van 17 juni 2025. Daaruit blijkt dat hij al eerder is veroordeeld, ook voor geweld, maar dat dit bijna tien jaar geleden voor het laatst was.
Dat het slachtoffer [medeverdachte] in felle bewoordingen op zijn rijgedrag heeft aangesproken – al dan niet als gevolg van de respectloze wijze waarop [medeverdachte] hem bejegende – of tijdens de zware mishandeling wellicht heeft teruggetrapt of -geslagen, is geen enkele rechtvaardiging voor de wijze waarop verdachte en [medeverdachte] hebben gehandeld.
Beoordeling
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
Materiële schade
Een deel van de opgevoerde schadeposten (voor het T-shirt, eigen risico van 2023, eigen bijdrage voor medicatie, reiskosten en eigen risico 2025) is niet betwist en een deel van de opgevoerde schadeposten is onvoldoende betwist (toekomstige tandheelkundige kosten en toekomstige eigen bijdrage medicatie), voldoende onderbouwd en aannemelijk. Dit deel zal de rechtbank daarom toewijzen.
Ook zal de rechtbank een deel van de gevorderde schadevergoeding voor huishoudelijke hulp toewijzen.
De benadeelde partij vordert, onder verwijzing naar de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp, € 2.389,50 als vergoeding van schade die is geleden door het overnemen van de huishoudelijke taken van de benadeelde partij. Gelet op het letsel en de gevolgen daarvan, is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij geruime tijd niet in staat is geweest tot huishoudelijk werk en dat zijn aandeel in het huishouden is overgenomen door zijn familie. Dat het slachtoffer beperkt is in zijn mogelijkheden huishoudelijk werk te verrichten is niet betwist en staat daarmee vast.
De hoogte van die schade is echter niet onderbouwd. Zo is er geen enkele onderbouwing van de rol van de benadeelde partij in het huishouden voor en na het delict. Dat blijkt ook niet uit het dossier. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid.
De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de normbedragen die zijn gesteld in de richtlijn van de letselschaderaad voor 2023, omdat de schade in dat jaar is geleden (terwijl namens de benadeelde partij aansluiting is gezocht bij richtlijn voor 2024). Voor een gezin met inwonende kinderen ouder dan vijf jaar geeft de richtlijn bij lichte tot matige beperking een normbedrag van € 167,-- per week en bij een zware beperking € 334,-- per week. Bij gebrek aan nadere onderbouwing neemt de rechtbank aan dat de benadeelde partij in ieder geval een bijdrage van 25% in het huishouden leverde. De rechtbank baseert dit percentage op de samenstelling van het gezin, namelijk vier personen. Gelet op het letsel en de gevolgen neemt de rechtbank– overeenkomstig de vordering – aan dat de eerste zes weken sprake was van een zware beperking en vervolgens zes weken van lichte tot matige beperking. De rechtbank schat de schade naar redelijkheid en billijkheid daarom op een bedrag van (167 x 6 + 334 x 6 x 25% =) € 751,50.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde schadevergoeding voor huishoudelijke hulp voor het overige afwijzen.
Immateriële schade
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt. De benadeelde partij heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 5.000,-- vaststellen. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schadevergoeding voor het overige afwijzen.
Resumé
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade geleden tot een bedrag van € 8.436,39, bestaande uit € 3.436,39 voor materiële schade en € 5.000,-- voor immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag voor materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank stelt vast dat de schade het gevolg is van de onrechtmatige gedragingen van twee personen (verdachte en [medeverdachte]). Gelet op artikel 6:102, eerste lid, BW is verdachte voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is. Daarom zal de rechtbank de schadevergoeding die door de kinderrechter is toegewezen in de zaak van [medeverdachte] (te weten € 222,51 voor materiële schade en € 500,-- voor immateriële schade) niet in mindering brengen op het toe te wijzen bedrag.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 77 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 8.436,39 (bestaande uit € 3.436,39 voor materiële schade en € 5.000,-- voor immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (het primair bewezen verklaarde feit) van een bedrag van € 8.436,39 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 (wat betreft de immateriële schade) en 30 augustus 2024 (wat betreft de materiële schade), met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.436,39 (zegge: achtduizend vierhonderdzesendertig euro en negenendertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 77 dagen kan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
Mr. J. Wentink en mr. B.T.C. Jordaans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het digitale dossier van de politie met bestandsnaam ‘ON00000_2024366018_Politieprocesdossier.pdf’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 16 tot en met 18, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben de voorzitter van de speeltuin aan de [adres 1]. Zelf ben ik
woonachtig aan de overzijde namelijk [adres 2]. Omdat ik dat de
voorzitter ben, ben ik belast met het onderhoud en de dagdagelijkse werkzaamheden van
de speeltuin.
Op genoemde datum (gezien de tweede alinea: 30 juni 2023) omstreeks 18.45 uur was ik aan de voorzijde van mijn woning. Op dat moment zag ik met hoge snelheid een scooter kwam aanrijden. Vanuit mijn rol als voorzitter wilde ik de jongen even aanspreken dat hij in vervolg beter wat minder hard kan komen aanrijden om ongelukken te voorkomen. Ik hoorde de jongen zeggen: `Ik heb mijn vader gebeld`. Nog geen minuut later zag ik dat een man op een scooter aankwam rijden. Ik hoorde hem direct roepen dat ik van zijn zoon af moest blijven. Ik hoorde de man het volgende allemaal zeggen: `Kneus, de speeltuin is toch dicht. Als je aan mijn kind komt, ben je de mijne. Ik trek je uit huis. Wil je vechten?`. Ik probeerde de man uit te leggen dat ik de voorzitter was en dat ik de jongen enkel wilde uitleggen minder hard te rijden. Ik zag dat de man vervolgens van de scooter afstapte en naar mij toeliep. Ik zag dat de man mij een trap met zijn rechterbeen richting mijn been gaf. Ik voelde dat de voet van de man op mijn linkerbeen terecht kwam. Ik wilde mij wegdraaien. Ik voelde tijdens het wegdraaien op de linkerzijde van mijn achterhoofd een harde klap op mijn hoofd. Ik voelde direct pijn en voelde dat dit niet goed was. Ik weet niet wie mij geslagen heeft en waarmee. Ik viel toen op de grond en voelde meerdere klappen op mijn hoofd en mijn lichaam. Ik weet niet wie mij heeft getrapt of geslagen heeft op de grond. Ik heb namelijk om mijn hoofd te beschermen mijn handen voor mijn hoofd gehouden. Toen ik op de grond lag, heb ik minimaal twee trappen dan wel klappen op mijn hoofd gehad. Ik heb een gebroken oogkas, gebroken jukbeen en nog een breuk ergens in de kaakholte. Er zijn twee tanden in mijn mond afgebroken. Mijn ribben zijn gisteren in het ziekenhuis niet nagekeken omdat ik daar toen geen last van had. Ik heb daar sinds vannacht last van. Dit moet door het geweld komen.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina’s 71 tot en met 73, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik en [getuige 2] stonden voor het [locatie]. Dat is de speeltuin aan de [adres 1]. We stonden te wachten op [medeverdachte]. Hij kwam aanrijden op zijn scooter. De scooter reed iets harder dan normaal en maakte iets meer geluid dan normaal. De man kwam naar ons toe. Hij
sprak [medeverdachte] op een boze manier aan. [medeverdachte] belde zijn vader. Zijn vader kwam. [verdachte] sloeg hem. Richting het gezicht.
V: Wat gebeurde er toen de man op de grond lag?
A: [verdachte] heeft de man nog twee of drie keer geslagen. In het gezicht.
V: Hoe sloeg hij?
A: Hij zat er bovenop. Hij had een knie op de grond en de andere knie wat hoger
ernaast. Hij sloeg de man met de vuist nog twee a drie keer in het gezicht.
V: Wat deed [medeverdachte]?
A: Toen de man op de grond lag, stapte [medeverdachte] van de scooter en trapte hij de man ook
nog een of twee keer.
V; Door wie werd hij op de grond gegooid?
A: Door [verdachte].
V: Wat deed de man toen hij op de grond lag?
A: Niets. [medeverdachte] trapte de man voordat [verdachte] hem sloeg.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina’s 67 tot en met 69, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben samen met [getuige 1] op de scooter naar het [locatie] gereden. Dit is bij het speeltuintje. Wij waren daar aan het wachten op [medeverdachte]. [medeverdachte] kwam met zijn scooter naar ons toegereden. De man in de tuin kwam naar ons toegelopen.
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.257375.24 (P)
Datum vonnis: 4 november 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Klomp, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. S. Lennips, advocaat in Enschede, is aangevoerd.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander [slachtoffer] heeft geslagen, gestompt, getrapt en geduwd, waardoor deze [slachtoffer] ernstig letsel, bestaande uit breuken, een beschadigde zenuw en afgebroken tanden heeft opgelopen. Dit is ten laste gelegd als zware mishandeling (primair), poging tot zware mishandeling (subsidiair), mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg (meer subsidiair) of openlijke geweldpleging (meest subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een (of meerdere) breuk(en) en/of letsel en/of een
beschadigde zenuw in het gelaat en/of (een) afgebroken tand(en), heeft
toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te duwen
en/of
- op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op de grond te gooien;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geduwd
en/of
- op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of
- op de grond heeft gegooid
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans
eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te duwen
en/of
- op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op de grond te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten te weten
een (of meerdere) breuk(en) en/of letsel en/of een beschadigde zenuw in het gelaat
en/of (een) afgebroken tand(en), ten gevolge heeft gehad;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Almelo
openlijk, te weten, op of aan de [adres 1], in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer]
door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht)
- op/tegen het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of te duwen
en/of
- op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te trappen en/of
- op de grond te gooien;
3De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen, omdat het letsel van het slachtoffer juridisch gezien niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Ook ontbrak het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook in voorwaardelijke zin. Door alleen zijn vuist te gebruiken heeft verdachte niet de kans aanvaard dat er zwaar letsel zou worden toebracht. Dat geldt ook voor het subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Beoordeling
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 30 juni 2023 werd de zoon van verdachte (hierna te noemen: [medeverdachte]) door [slachtoffer] (hierna ook: aangever) aangesproken op zijn rijgedrag bij [locatie] in Almelo. [medeverdachte] heeft vervolgens verdachte gebeld. Verdachte kwam een paar minuten later bij de speeltuin aan om verhaal te halen. Er ontstond een woordenwisseling tussen hem en aangever. Daarbij heeft verdachte aangever tegen het lichaam getrapt, op zijn hoofd geslagen en op de grond gegooid. Toen aangever weerloos op de grond lag, heeft hij hem hard getrapt. Vervolgens is verdachte bovenop het liggende slachtoffer gaan zitten, met een knie op de grond en de andere knie wat hoger ernaast. Toen heeft hij aangever nog meerdere keer met zijn vuist in het gezicht geslagen. Ook [medeverdachte] heeft het slachtoffer één of twee keer getrapt. Terwijl aangever bewegingloos op de grond bleef liggen, zijn verdachte en zijn zoon weggereden.
Ten gevolge van het op hem uitgeoefende geweld heeft [slachtoffer] (onder meer) een gebroken oogkas, een breuk in de kaakholte, twee afgebroken kiezen en een beschadigde zenuw in zijn gelaat opgelopen. Daarnaast waren zijn ribben bezeerd.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het letsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat naar gewoon spraakgebruik als zodanig wordt aangeduid. Onder meer de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of de aard van het herstel kunnen een rol spelen bij beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is.
Ten aanzien van het letsel van aangever overweegt de rechtbank als volgt. Aangever is na het incident met spoed naar het ziekenhuis vervoerd en is daar enige tijd opgenomen. Er is ten aanzien van zijn gezichtsletsel geen sprake geweest van operatief ingrijpen, omdat is gekozen voor een conservatief beleid. Uit de onderbouwing van zijn vordering als benadeelde partij blijkt dat het letsel – ruim twee jaren na het feit – nog niet is hersteld, en dat de breuk van de oogkas en de beschadigde zenuw in het gezicht hem nog steeds (continu) pijn doet.
Gezien de aard en de hoeveelheid van de verwondingen, in combinatie met de lange periode van herstel, waarbij nog steeds sprake is van pijn, en de onzekerheid over de mogelijkheid tot volledig herstel is de rechtbank van oordeel dat het letsel van het slachtoffer als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Opzet
Hoewel ten aanzien van het handelen van verdachte – met name vanaf het moment dat het slachtoffer weerloos op de grond lag – niet kan worden uitgesloten dat er bij verdachte sprake was van vol opzet, is er geen wettig bewijs op basis waarvan dat kan worden bewezen.
Opzet kan echter ook bestaan in voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
Naar algemene ervaringsregels roept het geven van meerdere harde vuistslagen in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt nu het gezicht een uiterst kwetsbaar deel van het hoofd is.
Omdat het algemene ervaringsregels betreft, heeft een ieder – en dus ook verdachte – wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door verdachte is getrapt en geslagen, en vervolgens op de grond is gegooid. Toen het slachtoffer vervolgens weerloos op de grond lag, heeft verdachte hem nog een harde trap gegeven en is in geknielde houding bovenop het slachtoffer gaan zitten. In zo’n positie kan geplaatst en met veel kracht worden geslagen. De verdachte heeft het slachtoffer vervolgens meerdere vuistslagen in zijn gezicht gegeven, met zodanige kracht dat het slachtoffer daardoor verschillende fracturen in het gezicht heeft opgelopen.
Het op deze wijze slaan is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Op grond van voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte], die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage van beiden aan het delict is van voldoende gewicht geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Het feit is immers aangevangen doordat [medeverdachte] verdachte telefonisch alarmeerde, nadat [medeverdachte] door het slachtoffer was aangesproken op zijn rijgedrag, wetende dat verdachte snel boos is en dat verdachte sterk is en vroeger aan boksen heeft gedaan. Binnen enkele minuten nadat [medeverdachte] hem belde arriveerde verdachte. Vervolgens hebben verdachte en [medeverdachte] zich beiden gericht op het slachtoffer, en beiden hebben ook gewelddadige handelingen tegen het slachtoffer gepleegd. De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde medeplegen van zware mishandeling heeft begaan.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks
30 juni 2023 te Almelo
tezamen en in vereniging met een
of meer
ander
en, althans alleen
,
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten
een (of meerdere)
breuk
(
en
) en/of letsel
en
/of
een
beschadigde zenuw in het gelaat en
/of (een)
afgebroken tand
(
en
)
, heeft
toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen,
althans eenmaal, (
met kracht
)
- op/tegen het lichaam te slaan en
/of
te stompen en
/of
te trappen en
/of
te duwen
en
/of
-
op/
tegen het hoofd te slaan en
/of
te stompen
en/of te trappen
en
/of
- op de grond te gooien.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 en 302 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling;
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van achttien maanden gevorderd, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit een taakstraf van 200 uur op te leggen, met indien de rechtbank dat noodzakelijk acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van een flink aantal maanden. Daarbij heeft de raadsvrouw onder meer gewezen op de gezondheidssituatie van haar cliënt. Het afgelopen jaar heeft hij meerdere TIA’s gehad. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte bij detentie zijn woning kwijt raakt. Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat bij de strafmaat ook mee dient te spelen dat het geweld werd geïnitieerd door het slachtoffer, dat verdachte de volledige verantwoordelijkheid op zich wil nemen en dat de reclassering ook aangeeft dat een gevangenisstraf niet zal leiden tot gedragsverandering.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met zijn zoon (minderjarige) zoon [medeverdachte] zonder enige te rechtvaardigen aanleiding schuldig gemaakt aan zware mishandeling.
Nadat [medeverdachte] door het slachtoffer, de beheerder van een speeltuin, werd aangesproken op vermeend risicovol rijgedrag met zijn scooter bij de speeltuin, heeft [medeverdachte] verdachte gebeld. Verdachte is direct met zijn scooter naar de speeltuin gereden en heeft daar, samen met [medeverdachte], in enkele minuten zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer toegebracht. Onder meer door hem te schoppen en hem meerdere harde vuistslagen in zijn gezicht te geven. Daarna hebben zij het slachtoffer op de grond achter gelaten, zijn naar huis gereden, hebben beide scooters uit het zicht geplaatst, heeft verdachte zijn T-shirt laten weggegooien en [medeverdachte] op een andere locatie voorzien van andere kleding. Het gemak waarmee verdachte samen met zijn minderjarig kind overgaat tot het plegen van ernstig geweld en de koelbloedigheid waarmee verdachte nadien onmiddellijk alles in gang heeft gezet om de sporen van zijn zoon en hemzelf te verbergen zijn schokkend. Pas nadat een buurman van verdachte na een oproep in het tv-programma Opsporing Verzocht (opnieuw) een melding deed van mogelijke betrokkenheid van verdachte, is verdachte ruim een jaar na de mishandeling aangehouden.
Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden en vanuit het oogpunt van vergelding is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals betoogd door de verdediging – kan om die reden al geen sprake zijn, ook als wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de gezondheidstoestand van de verdachte.
De rechtbank heeft kennis genomen van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één
of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd wordt een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden als uitgangspunt van denken gegeven, en voor het
opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van
een wapen wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden.
Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, het berekenende handelen van verdachte daarna (om zijn uiterst laakbare handelen te verhullen), de omstandigheid dat hij het feit in vereniging heeft gepleegd én dat dat met zijn minderjarige zoon was. Als vader had hij zijn zoon het goede voorbeeld horen te geven. In dat verband is het schokkend dat de Whatsapp-berichten in het dossier (op pagina 115 tot en met 119) de indruk wekken dat het in het gezin van verdachte normaal wordt gevonden om geweld tegen anderen te gebruiken; in hetzelfde weekend worden nog twee geweldsincidenten waarbij zij betrokken zijn geweest besproken.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel van verdachtes justitiële documentatie van 17 juni 2025. Daaruit blijkt dat hij al eerder is veroordeeld, ook voor geweld, maar dat dit bijna tien jaar geleden voor het laatst was.
Dat het slachtoffer [medeverdachte] in felle bewoordingen op zijn rijgedrag heeft aangesproken – al dan niet als gevolg van de respectloze wijze waarop [medeverdachte] hem bejegende – of tijdens de zware mishandeling wellicht heeft teruggetrapt of -geslagen, is geen enkele rechtvaardiging voor de wijze waarop verdachte en [medeverdachte] hebben gehandeld.
Beoordeling
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
Materiële schade
Een deel van de opgevoerde schadeposten (voor het T-shirt, eigen risico van 2023, eigen bijdrage voor medicatie, reiskosten en eigen risico 2025) is niet betwist en een deel van de opgevoerde schadeposten is onvoldoende betwist (toekomstige tandheelkundige kosten en toekomstige eigen bijdrage medicatie), voldoende onderbouwd en aannemelijk. Dit deel zal de rechtbank daarom toewijzen.
Ook zal de rechtbank een deel van de gevorderde schadevergoeding voor huishoudelijke hulp toewijzen.
De benadeelde partij vordert, onder verwijzing naar de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp, € 2.389,50 als vergoeding van schade die is geleden door het overnemen van de huishoudelijke taken van de benadeelde partij. Gelet op het letsel en de gevolgen daarvan, is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij geruime tijd niet in staat is geweest tot huishoudelijk werk en dat zijn aandeel in het huishouden is overgenomen door zijn familie. Dat het slachtoffer beperkt is in zijn mogelijkheden huishoudelijk werk te verrichten is niet betwist en staat daarmee vast.
De hoogte van die schade is echter niet onderbouwd. Zo is er geen enkele onderbouwing van de rol van de benadeelde partij in het huishouden voor en na het delict. Dat blijkt ook niet uit het dossier. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid.
De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de normbedragen die zijn gesteld in de richtlijn van de letselschaderaad voor 2023, omdat de schade in dat jaar is geleden (terwijl namens de benadeelde partij aansluiting is gezocht bij richtlijn voor 2024). Voor een gezin met inwonende kinderen ouder dan vijf jaar geeft de richtlijn bij lichte tot matige beperking een normbedrag van € 167,-- per week en bij een zware beperking € 334,-- per week. Bij gebrek aan nadere onderbouwing neemt de rechtbank aan dat de benadeelde partij in ieder geval een bijdrage van 25% in het huishouden leverde. De rechtbank baseert dit percentage op de samenstelling van het gezin, namelijk vier personen. Gelet op het letsel en de gevolgen neemt de rechtbank– overeenkomstig de vordering – aan dat de eerste zes weken sprake was van een zware beperking en vervolgens zes weken van lichte tot matige beperking. De rechtbank schat de schade naar redelijkheid en billijkheid daarom op een bedrag van (167 x 6 + 334 x 6 x 25% =) € 751,50.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde schadevergoeding voor huishoudelijke hulp voor het overige afwijzen.
Immateriële schade
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt. De benadeelde partij heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 5.000,-- vaststellen. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schadevergoeding voor het overige afwijzen.
Resumé
De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade geleden tot een bedrag van € 8.436,39, bestaande uit € 3.436,39 voor materiële schade en € 5.000,-- voor immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het toe te wijzen bedrag voor materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank stelt vast dat de schade het gevolg is van de onrechtmatige gedragingen van twee personen (verdachte en [medeverdachte]). Gelet op artikel 6:102, eerste lid, BW is verdachte voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is. Daarom zal de rechtbank de schadevergoeding die door de kinderrechter is toegewezen in de zaak van [medeverdachte] (te weten € 222,51 voor materiële schade en € 500,-- voor immateriële schade) niet in mindering brengen op het toe te wijzen bedrag.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 77 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
8De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: medeplegen van zware mishandeling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 8.436,39 (bestaande uit € 3.436,39 voor materiële schade en € 5.000,-- voor immateriële schade);
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (het primair bewezen verklaarde feit) van een bedrag van € 8.436,39 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023 (wat betreft de immateriële schade) en 30 augustus 2024 (wat betreft de materiële schade), met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.436,39 (zegge: achtduizend vierhonderdzesendertig euro en negenendertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2023, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 77 dagen kan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
Mr. J. Wentink en mr. B.T.C. Jordaans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het digitale dossier van de politie met bestandsnaam ‘ON00000_2024366018_Politieprocesdossier.pdf’. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 16 tot en met 18, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben de voorzitter van de speeltuin aan de [adres 1]. Zelf ben ik
woonachtig aan de overzijde namelijk [adres 2]. Omdat ik dat de
voorzitter ben, ben ik belast met het onderhoud en de dagdagelijkse werkzaamheden van
de speeltuin.
Op genoemde datum (gezien de tweede alinea: 30 juni 2023) omstreeks 18.45 uur was ik aan de voorzijde van mijn woning. Op dat moment zag ik met hoge snelheid een scooter kwam aanrijden. Vanuit mijn rol als voorzitter wilde ik de jongen even aanspreken dat hij in vervolg beter wat minder hard kan komen aanrijden om ongelukken te voorkomen. Ik hoorde de jongen zeggen: `Ik heb mijn vader gebeld`. Nog geen minuut later zag ik dat een man op een scooter aankwam rijden. Ik hoorde hem direct roepen dat ik van zijn zoon af moest blijven. Ik hoorde de man het volgende allemaal zeggen: `Kneus, de speeltuin is toch dicht. Als je aan mijn kind komt, ben je de mijne. Ik trek je uit huis. Wil je vechten?`. Ik probeerde de man uit te leggen dat ik de voorzitter was en dat ik de jongen enkel wilde uitleggen minder hard te rijden. Ik zag dat de man vervolgens van de scooter afstapte en naar mij toeliep. Ik zag dat de man mij een trap met zijn rechterbeen richting mijn been gaf. Ik voelde dat de voet van de man op mijn linkerbeen terecht kwam. Ik wilde mij wegdraaien. Ik voelde tijdens het wegdraaien op de linkerzijde van mijn achterhoofd een harde klap op mijn hoofd. Ik voelde direct pijn en voelde dat dit niet goed was. Ik weet niet wie mij geslagen heeft en waarmee. Ik viel toen op de grond en voelde meerdere klappen op mijn hoofd en mijn lichaam. Ik weet niet wie mij heeft getrapt of geslagen heeft op de grond. Ik heb namelijk om mijn hoofd te beschermen mijn handen voor mijn hoofd gehouden. Toen ik op de grond lag, heb ik minimaal twee trappen dan wel klappen op mijn hoofd gehad. Ik heb een gebroken oogkas, gebroken jukbeen en nog een breuk ergens in de kaakholte. Er zijn twee tanden in mijn mond afgebroken. Mijn ribben zijn gisteren in het ziekenhuis niet nagekeken omdat ik daar toen geen last van had. Ik heb daar sinds vannacht last van. Dit moet door het geweld komen.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], pagina’s 71 tot en met 73, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik en [getuige 2] stonden voor het [locatie]. Dat is de speeltuin aan de [adres 1]. We stonden te wachten op [medeverdachte]. Hij kwam aanrijden op zijn scooter. De scooter reed iets harder dan normaal en maakte iets meer geluid dan normaal. De man kwam naar ons toe. Hij
sprak [medeverdachte] op een boze manier aan. [medeverdachte] belde zijn vader. Zijn vader kwam. [verdachte] sloeg hem. Richting het gezicht.
V: Wat gebeurde er toen de man op de grond lag?
A: [verdachte] heeft de man nog twee of drie keer geslagen. In het gezicht.
V: Hoe sloeg hij?
A: Hij zat er bovenop. Hij had een knie op de grond en de andere knie wat hoger
ernaast. Hij sloeg de man met de vuist nog twee a drie keer in het gezicht.
V: Wat deed [medeverdachte]?
A: Toen de man op de grond lag, stapte [medeverdachte] van de scooter en trapte hij de man ook
nog een of twee keer.
V; Door wie werd hij op de grond gegooid?
A: Door [verdachte].
V: Wat deed de man toen hij op de grond lag?
A: Niets. [medeverdachte] trapte de man voordat [verdachte] hem sloeg.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina’s 67 tot en met 69, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben samen met [getuige 1] op de scooter naar het [locatie] gereden. Dit is bij het speeltuintje. Wij waren daar aan het wachten op [medeverdachte]. [medeverdachte] kwam met zijn scooter naar ons toegereden. De man in de tuin kwam naar ons toegelopen.