Rechtspraak Rechtbank Overijssel 2025-09-02
ECLI:NL:RBOVE:2025:5397
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/781 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemachtigde: E.M. Mulder. Samenvatting Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de kinderbijslag voor [kind] , die in het buitenland is geboren. Eiser (vader van [kind] ) is het met die ingangsdatum niet eens. De SVB maakt in dit geval bij de vaststelling van het recht op kinderbijslag onderscheid tussen kinderen die in Nederland zijn geboren en kinderen die in het buitenland zijn geboren. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot conclusie dat in het onderzoek tot nu toe onvoldoende aandacht is besteed aan de rechtsvraag of de SVB daarbij al dan niet een verboden onderscheid maakt als bedoeld in artikel 1 van Protocol 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Procesverloop 1.1. Met een besluit van 14 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de SVB eiser ten behoeve van [kind] met terugwerkende kracht van één jaar vanaf het vierde kwartaal van 2023 kinderbijslag toegekend op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). 1.2. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 op het bezwaar van eiser heeft de SVB die ingangsdatum gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en [moeder] (de ouders van [kind] ) en de gemachtigde van de SVB. Beoordeling door de rechtbank Feiten 3.1. Op [geboortedag] 2009 is [kind] geboren in [geboorteplaats], China. Van zijn geboorte is in China aangifte gedaan. Op 21 september 2010 is [kind] met zijn ouders weer naar Nederland verhuisd. In Nederland is de geboorteakte bij de gemeente [woonplaats] ingeschreven. Het gezin is tijdens het verblijf in China ingeschreven gebleven in Nederland. [kind] heeft een oudere broer, voor wie al kinderbijslag werd ontvangen. 3.2. Op 6 oktober 2024 heeft eiser een digitale melding aan de SVB gestuurd met de tekst: “ We komen er zojuist achter dat onze tweede zoon geen kinderbijslag ontvangt. Hij is geboren op [geboortedag] 2009 . Kunt u mij helpen hoe ik dit alsnog kan aanvragen (bij voorkeur met terugwerkende kracht) Alvast heel hartelijk dank .” De SVB heeft daarna de hiervoor beschreven besluiten genomen. Standpunt SVB 3.3. De SVB heeft zich op het standpunt gesteld dat recht bestaat op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2023, namelijk met ingang van één jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag. Als er in het gezin al kinderbijslag wordt ontvangen krijgt het volgende kind in het algemeen automatisch ook kinderbijslag. In dat geval gaat er bij de geboorteaangifte van het kind bij de gemeente een signaal naar de SVB. De SVB past dan de beleidsregel SB 1401 toe, waarin onder meer is bepaald wanneer kinderbijslag wordt toegekend zonder aanvraag. In de situatie dat het volgende kind in het buitenland is geboren, zoals in het geval van [kind] , moet de kinderbijslag echter actief worden aangevraagd bij terugkomst in Nederland. De beleidsregel SB1401 geldt dan niet. Dit is dus ook het geval als er voor een ouder kind in het gezin al kinderbijslag wordt ontvangen. Omdat eiser de geboorte van [kind] niet zelf binnen een maand na zijn geboorte bij de gemeente heeft aangemeld , was de SVB van die geboorte niet op de hoogte. Sinds 2016 is het op grond van de wet niet meer mogelijk om kinderbijslag met terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Op grond van de beleidsregel SB 1401 hanteert de SVB het buitenwettelijke begunstigende beleid om een termijn van vijf jaar terugwerkende kracht te hanteren als het gaat om fouten in de automatische gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP . Er was in dit geval van een fout met de gegevensuitwisseling echter geen sprake, als gevolg waarvan de t Als een betrokkene meer dan een jaar na de geboorte van het volgende kind aangifte doet, dan kent de SVB de kinderbijslag toe met een terugwerkende kracht van maximaal een jaar. De SVB berekent deze termijn vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de betrokkene aangifte heeft gedaan. De SVB ontleent deze termijn aan artikel 14 lid 3 AKW . 4.6. In dit beleid maakt de SVB dus onderscheid tussen (1) eerstgeborenen en/of kinderen waarvan buiten Nederland aangifte van geboorte is gedaan en (2) volgende kinderen waarvan aangifte van geboorte is gedaan in Nederland. Voor de eerste groep geldt de wettelijke bepaling van artikel 14, eerste lid van de AKW, wat inhoudt dat recht op kinderbijslag pas op aanvraag wordt vastgesteld, en voor de tweede groep geldt in afwijking van die wettelijke bepaling dat kinderbijslag automatisch wordt toegekend. 4.7. Dit bekent dus, dat er verschil bestaat voor wat betreft de ingangsdatum van het recht op kinderbijslag tussen kinderen die géén eerstgeborenen zijn, namelijk: (a) voor kinderen die behoren tot de eerste groep (geboorteaangifte buiten Nederland) gaat het recht op kinderbijslag in beginsel in vanaf de geboorte, maar in geen geval eerder dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is gedaan en (b) voor volgende kinderen die behoren tot de tweede groep (geboorteaangifte in Nederland) gaat het recht op kinderbijslag automatisch in vanaf de geboorte (behoudens fouten in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP). 4.8. Een gevolg hiervan is dat ouders van kinderen in de eerste groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, pas recht krijgen op kinderbijslag met ingang van een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin zij alsnog een aanvraag indienen. De ouders van kinderen in de tweede groep, die om welke reden dan ook nalaten om kinderbijslag aan te vragen, krijgen daarentegen altijd vanaf de geboorde een recht op kinderbijslag, omdat de SVB daarin dan automatisch voorziet (tenzij sprake is van een fout in de gegevensuitwisseling tussen de SVB en de BRP). 4.9. Hoewel de Centrale Raad van Beroep op 15 mei 2025 heeft overwogen, dat tegenwettelijk beleid niet exceptief wordt getoetst aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel, ziet de rechtbank op grond van jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in dit geval toch aanleiding om te toetsen of de SVB met dit (tegenwettelijk) beleid al dan niet een verboden onderscheid maakt als bedoeld in artikel 1 van het Protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In artikel 1 van het Twaalfde Protocol is namelijk het volgende bepaald: 1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. 2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat deze bepaling een algemeen verbod op discriminatie heeft geïntroduceerd. Het omvat daarmee al het overheidshandelen, ongeacht of dit bij of krachtens wetgeving of anderszins plaatsvindt (zoals in casu met buitenwettelijk/tegenwettelijk beleid) . Onder discriminatie wordt verstaan dat personen in vergelijkbare situaties zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging verschillend worden behandeld. Het EHRM heeft verder geoordeeld dat het begrip discriminatie in artikel 1 van het Protocol nr. 12 en artikel 14 EVRM, ondanks verschil in reikwijdte tussen deze bepalingen, identiek is . Voor de uitleg wanneer sprake is van (verboden) discriminatie kan dus aangesloten worden bij d