Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-08-27
ECLI:NL:RBOVE:2025:5328
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,642 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/1693
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. R. Kaya,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (het college), verweerder,
gemachtigde: A.W. de Kroon.
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2024 (het primaire besluit) heeft het college de (herhaalde) aanvraag van eiser om een persoonsgebonden budget (pgb) afgewezen. Bij besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2025. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Feiten
2.1.
Eiser is de vader van [minderjarige] (geboren [geboortedatum] 2010). [minderjarige] is op 20 december 2022 onder toezicht gesteld (ots). Het Leger des Heils (LdH) is de gecertificeerde instelling die deze maatregel uitvoert. Eiser en de moeder van [minderjarige] hebben het ouderlijk gezag. [minderjarige] woont bij zijn vader en gaat eens in de twee weken een weekend naar zijn moeder. Eiser heeft bij het college meerdere malen een aanvraag ingediend voor begeleiding voor [minderjarige] vanuit de Jeugdwet in de vorm van een pgb.
Standpunten van partijen
3.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat, na een eerdere afwijzing, geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld door eiser. De aanvraag is terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Op grond van artikel 3:5 van de Jeugdwet is het LdH de instantie die bepaalt welke hulp moet worden ingezet. Het LdH heeft niet bepaald welke hulp specifiek moet worden ingezet, ondanks het verzoek van het college om dit te doen. Ook daarom is de aanvraag voor een pgb terecht afgewezen. Het college merkt nog op dat niet is onderzocht of wordt voldaan aan de eisen die artikel 8.1.1 van de Jeugdwet stelt om in aanmerking te komen voor een pgb juist omdat geen jeugdhulpbepaling door de GI is afgegeven.
3.2.
Eiser voert aan dat de het LdH heeft laten weten niet bevoegd te zijn een aanvraag om een pgb in te dienen en te beheren. Toch blijft het college verwijzen naar het LdH. De ondertoezichtstelling betrof enkel de zorgen rondom een passende schoolplek. Eiser vraagt het pgb aan voor begeleiding van [minderjarige] vanwege de beperkingen die hij ervaart in verband met zijn autisme spectrum stoornis. Omdat de aanvraag voor een pgb buiten de ots-doelen valt is volgens eiser niet het LdH maar het college bevoegd. Eiser verwijst ook naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933, waaruit blijkt dat instanties moeten samenwerken om te voorkomen dat kinderen zonder de juiste zorg of ondersteuning komen te zitten.
De bevoegdheid van het LdH en van het college
4. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat het LdH bevoegd was (ten tijde van het bestreden besluit) om te bepalen welke jeugdhulp voor [minderjarige] nodig is. Uit artikel 3.5 Jeugdwet vloeit voor dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel zoals een ots. Voor de stelling van eiser dat artikel 3.5 van de Jeugdwet niet geldt voor de gevallen waarin de verzochte hulp buiten de doelen van de ots valt ziet de rechtbank geen aanknopingspunt in de wet, de geschiedenis daarvan of de rechtspraak daarover. Als een ots is uitgesproken dient de gecertificeerde instelling in alle gevallen te bepalen welke jeugdhulp nodig is.
De uitspraak van de CRvB dat, kort gezegd, instanties in het belang van het kind moeten samenwerken doet daaraan niet af. Op grond van artikel 3.5, eerste lid van de Jeugdwet overleggen de gecertificeerde instelling en het college over de uitvoering van de ots. In dit geval heeft het college ook overleg gepleegd met het LdH. Het LdH is echter niet met een bepaling van de jeugdhulp gekomen.
De toepassing van artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht
5. Eiser heeft op 17 september 2024 een aanvraag om een pgb ingediend. Bij besluit van 19 september 2024 is de aanvraag afgewezen. Op 16 november 2024 heeft eiser vervolgens opnieuw een aanvraag om een pgb ingediend. Hij heeft daarbij geen nieuwe of gewijzigde omstandigheden genoemd. Het college, gelet daarop, terecht de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Awb afgewezen.
6. Het beroep is dus ongegrond.
De ondertoezichtstelling is inmiddels opgeheven
7. De rechtbank overweegt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling bij beschikking van 22 augustus 2025 heeft opgeheven. Dat betekent dat met ingang van die datum het college bevoegd en verplicht is te onderzoeken of een voorziening op het gebied van jeugdhulp voor [minderjarige] nodig is. Op de zitting is van de zijde van het college toegezegd dat het onderzoek voortvarend en met voorrang wordt opgepakt. De rechtbank verwacht dat ook vader zich voor het onderzoek inzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van
mr. F Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.