Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-08-18
ECLI:NL:RBOVE:2025:5228
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,253 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter, in deze zaak als voorzieningenrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11769057 \ CV EXPL 25-1955
Vonnis in kort geding van 18 augustus 2025
in de zaak van
1 [eiseres] V.O.F.,
te [vestigingsplaats] , hierna te noemen [eiseres] VOF,2. [eiser 1],
te [woonplaats 1] , hierna te noemen [eiser 1] , 3. [eiser 2],
te [woonplaats 2] , hierna te noemen [eiser 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L.AW. Hermans, in plaats van mr. C.A.M.J.M. Joosten
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [woonplaats 3] ,2. [gedaagde 2],
te [woonplaats 4] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. H.G. Ruis.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de nagezonden producties (1 tot en met 6, waarvan productie 2 niet is overgelegd),- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de spreekaantekeningen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiser 2] huurt sinds 1 januari 2018 de bedrijfsruimte aan de [adres] (hierna: gehuurde). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn vanaf 1 december 2021 eigenaar van het gehuurde. In het gehuurde is een pizzeria gevestigd die met ingang van 1 januari 2022 wordt geëxploiteerd onder de naam [eiseres] VOF. [eiser 2] en [eiser 1] zijn de vennoten van [eiseres] VOF.
2.2.
Op 1 oktober 2024 heeft de kantonrechter van deze rechtbank vonnis gewezen, waarin de huurovereenkomst wegens een huurachterstand van in ieder geval acht maanden is ontbonden per 1 januari 2025. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiseres] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Op 9 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden en de zaak staat nu op de rol voor arrest op 23 september 2025.
2.3.
[eiseres] heeft na voornoemd vonnis de achterstallige huurpenningen en sindsdien maandelijks een bedrag ter hoogte van de maandelijkse huur aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldaan.
2.4.
Op 17 juni 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank vonnis gewezen, waarin [eiseres] is veroordeeld het gehuurde binnen vier weken na de betekening van dat vonnis te ontruimen. Ook dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiseres] heeft op 5 augustus 2025 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
2.5.
De ontruiming is aan [eiseres] aangezegd en staat gepland op dinsdag 19 augustus 2025 om 10:00 uur.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair: schorsing van de executie van het vonnis van 17 juni 2025 tot de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het hoger beroep tegen het vonnis van 1 oktober 2024;
II. Subsidiair: vaststelling van een ontruimingstermijn van ten minste zes maanden, zodat [eiseres] tijdig een alternatieve locatie kan realiseren;
III. Primair en subsidiair: veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van dit geding.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 438 lid 3 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (hierna: Rv) de executie kan schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, als de belangenafweging dat vereist. Zij verwijst hierbij naar vaste rechtspraak.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Onder verwijzing naar dezelfde vaste rechtspraak concluderen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot afwijzing van de gevraagde voorzieningen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Dit geding betreft een executiegeschil. Het spoedeisend belang bij het gevorderde volgt uit de aard daarvan. [eiseres] is dus ontvankelijk in haar vordering.
Juridisch kader
4.2.
Onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, met daarin maatstaven voor de beoordeling van executie kort gedingen, stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop:a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
Geen kennelijke misslag
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen in de bodemzaak met eindvonnis van 17 juni 2025, debat hebben gevoerd over de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 oktober 2024. In het vonnis van 17 juni 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat, gelet op de ontbinding van de huurovereenkomst per 1 januari 2025, op grond van artikel 7:224 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), op [eiseres] de verplichting rust om het gehuurde weer ter beschikking te stellen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat de vordering tot ontruiming daarmee in beginsel toewijsbaar is. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat [eiseres] zich met haar verweer in de ontruimingszaak in wezen heeft beroepen op schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 oktober 2024 totdat het hof in hoger beroep heeft beslist. Onder toepassing van de maatstaven voor de beoordeling van (onder meer) executie kort gedingen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.2, is de kantonrechter vervolgens overgegaan tot een afweging van de belangen van enerzijds [eiseres] bij het voorlopig behoud van de huidige situatie en het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om na de ontbinding van de huurovereenkomst het gehuurde te ontruimen. De kantonrechter is daarbij tot het oordeel gekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , in navolging van de uitvoerbaar bij voorraad uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst, recht en belang hebben bij de ontruiming van het gehuurde, waarbij met inachtneming van een ontruimingstermijn van vier weken, ook dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. [eiseres] beroept zich nu weliswaar op schorsing van de executie van het vonnis van 17 juni 2025, maar met de beoordeling door de kantonrechter van het beroep van [eiseres] op schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 1 oktober 2024 heeft de kantonrechter feitelijk ook de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 17 juni 2025 gemotiveerd. Daarmee is het toetsingskader genoemd in rechtsoverweging 4.2 onder c. van toepassing en komt de voorzieningenrechter in dit kort geding niet toe aan een volledig hernieuwde afweging van de belangen tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds. De maatstaf onder c. brengt met zich dat [eiseres] , afgezien van het geval dat de beslissing berust op een kennelijke misslag, aan de vordering tot schorsing van de executie feiten en omstandigheden ten grondslag moet leggen die de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing niet in aanmerking heeft kunnen nemen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Dat de oordeelsvorming door de kantonrechter berust op een kennelijke misslag is ook in dit kort geding niet gesteld en niet gebleken.
Geen nieuwe feiten of omstandigheden
4.4.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat [eiseres] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die de kantonrechter bij het nemen van zijn beslissing niet in aanmerking heeft kunnen nemen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
4.5.
In de eerste plaats heeft [eiseres] in dit kort geding gesteld dat een geschikt vervangend pand in of nabij [vestigingsplaats] (ondanks intensieve inspanningen) niet beschikbaar is op korte termijn. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat [eiseres] niet heeft gezocht naar een vervangend pand, zodat die stelling onjuist is, althans niet feitelijk is onderbouwd. Daarmee hebben zij het door hen gestelde verlies van broodwinning, bestaanszekerheid, werkgelegenheid, klantenkring, reputatie en de mogelijkheid om op korte termijn elders te exploiteren evenmin feitelijk onderbouwd, gelet op de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat [eiseres] wel degelijk elders bedrijfsruimte kan huren en daar de inventaris en apparatuur mee naar toe kan nemen.
4.6.
In de tweede plaats heeft [eiseres] gesteld dat lopende gesprekken met potentiële overnamepartners alleen door kunnen gaan zolang de huidige locatie beschikbaar blijft tot het hof in de ontbindingszaak uitspraak doet. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze stelling haaks staat op de door [eiseres] in hoger beroep ingenomen stelling. In de memorie van grieven heeft [eiseres] namelijk gesteld dat zij de vordering in conventie tot indeplaatstelling niet langer handhaaft en dat zij de bedrijfsvoering zelf wenst voort te zetten. Tijdens de mondelinge behandeling in dit kort geding is dat ook uitdrukkelijk bevestigd door [eiser 2] . In het licht van het hoger beroep kan deze stelling dus niet als nieuwe omstandigheid worden aangemerkt die zou moeten lijden tot schorsing van de executie. De voorzieningenrechter volgt [eiseres] evenmin in haar nadere stellingname tijdens de mondelinge behandeling, dat deze nieuwe omstandigheid aan de orde zal zijn in het geval het hof het ontbindingsvonnis van 1 oktober 2024 bekrachtigt. In dat geval zou [eiseres] tijd willen krijgen om een geschikte overnamepartner te zoeken. De voorzieningenrechter overweegt dat schorsing van de executie is verzocht totdat het hof uitspraak heeft gedaan in de ontbindingszaak en dat een derde zich in het geval van bekrachtiging van het vonnis bovendien ook niet in het gehuurde zal mogen vestigen omdat [eiseres] het gehuurde aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beschikbaar moet stellen.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] VOF, [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2025. (jm)