Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-01-27
ECLI:NL:RBOVE:2025:424
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,925 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.036833.22
Datum vonnis: 27 januari 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel.
Procesverloop
De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke vordering samenhangende strafdossier en de schriftelijke conclusiewisseling die tussen de officier van justitie en de verdediging heeft plaatsgevonden. De vordering is vervolgens gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde, op 2, 9, 12 en 17 december 2024, behandeld. Veroordeelde, bijgestaan door haar raadsman mr. Rispens, advocaat in Hilversum, is op die terechtzittingen verschenen en over de vordering gehoord. Het onderzoek is op 13 januari 2025 gesloten en de uitspraak is bepaald op 27 januari 2025.
De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de conclusie van repliek ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op € 294.213,-- en veroordeelde ter hoogte van dit bedrag de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. Dit wederrechtelijk verkregen voordeel is door veroordeelde en haar (ex)partner [medeveroordeelde] gezamenlijk genoten. Om die reden heeft de officier van justitie gevorderd dat de betalingsverplichting aan de Staat hoofdelijk wordt opgelegd.
De verdediging heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank het door veroordeelde te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op het gebruik van de Audi Q8 en een pondspondsgewijze verdeling tussen [medeveroordeelde] en veroordeelde wat betreft de contante gelden die op haar rekening zijn gestort, moet vaststellen op € 54.757,80. Veroordeelde heeft afstand gedaan van het waardebeslag van
€ 7.397,19, gedaan ter inning van het ontnemingsbedrag. Met dit bedrag moet rekening worden gehouden bij het vaststellen van de betalingsverplichting, wat maakt dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een bedrag van € 47.360,61.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2025 veroordeeld, voor zover van belang, voor het strafbare feit:
het misdrijf: een gewoonte maken van het medeplegen van witwassen.
3.2
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht het op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, de bewijsmiddelen zoals omschreven in voornoemd vonnis en het opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 20 oktober 2022, aannemelijk dat veroordeelde een bedrag van € 294.213,10 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en ontleent aan de inhoud van deze bewijsmiddelen ook de schatting van dat voordeel.
De rechtbank stelt vast dat de periode die ten grondslag ligt aan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ruimer is dan de door de rechtbank bij voornoemd vonnis bewezen verklaarde pleegperiode. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht naast bewezen verklaarde feiten ook andere strafbare feiten als grondslag kunnen dienen voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien het aannemelijk is dat deze op enige wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot het oordeel dat van die situatie hier sprake is. Het door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de volgende onderdelen.
A) Ontvangsten uit contante stortingen op eigen rekening
€ 75.413,--
B) Ontvangsten via derden
€ 13.477,--
C) Gelden op bankrekening [rekeningnummer 1]
€ 167.931,--
D) Gebruik leaseauto
€ 13.476,30
E) Huurwoning in Spanje en servies
€ 23.915,80
Totaal (2017 tot en met 2021)
€ 294.213,10
Veroordeelde heeft erkend het onder de posten A, B en D berekende wederrechtelijk voordeel te hebben genoten. De rechtbank is van oordeel dat de berekening van deze posten is gegrond op het in de strafzaak bewezen verklaarde feit en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen. Deze posten tellen op tot een bedrag van € 102.366,30 en behoren tot het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.
De gelden op bankrekening [rekeningnummer 1]
De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde niet de beschikking over de rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] heeft gehad. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat veroordeelde en [medeveroordeelde] gedurende de ontnemingsperiode in gemeenschap van goederen waren gehuwd en samenwoonden. De bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] is door [naam 1] voor [medeveroordeelde] geopend. [medeveroordeelde] gebruikte deze rekening. Blijkens een analyse van deze rekening zijn via de bankrekening een geursysteem voor in huis en een Black Bananas-trainingspak aangeschaft. Ook vinden er meerdere overboekingen plaats naar een rekening op naam van [naam 2]. Deze overboekingen hebben omschrijvingen als ‘barbie auto’, ‘PlayStation + spellen’, ‘slaapfeestje’ en ‘bedankt voor de gezellige avond’. Uit een analyse van de rekening op naam van veroordeelde, met nummer [rekeningnummer 2], blijkt dat óók via deze rekening overboekingen naar [naam 2] hebben plaatsgevonden. Deze overboekingen hebben omschrijvingen als ‘ongelukje schoolplein’ en ‘kun je mij bellen of//appen gr. [naam 3]’.
Gelet op voernoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat veroordeelde meerdere betalingen heeft verricht via de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1]. Daarmee heeft zij beschikkingsmacht over (de gelden op) deze bankrekening gehad. Dat [medeveroordeelde] eveneens de beschikking had over deze bankrekening doet aan de beschikkingsmacht van veroordeelde niet af. Op deze rekening is een bedrag van
€ 167.931,-- ontvangen afkomstig van aan de criminele organisatie gelieerde personen, van welke organisatie [medeveroordeelde] voor deelname aan als één van de leiders is veroordeeld bij vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2025. Dit bedrag behoort tot het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde.
De huurwoning in Spanje en het servies.
De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde niet over de huurwoning in Spanje en het servies kon beschikken, omdat zij als gevolg van haar werk en de zorg voor haar kinderen niet voor langere periodes naar Spanje kon afreizen. De rechtbank overweegt als volgt.
Veroordeelde en [medeveroordeelde] hebben enkele maanden een woning in Spanje gehuurd.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat veroordeelde niet naar de huurwoning kon afreizen, niet afdoet aan de beschikkingsmacht over deze woning en het in de woning aangetroffen servies. De maandelijkse lasten van deze woning bedragen € 3.201,36.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de woning is gehuurd van juni 2021 tot en met november 2021, een periode van zes maanden. Omdat de huur eenmaal via de rekening met nummer [rekeningnummer 1] is voldaan, is deze onder post C al meegerekend. Dit betekent dat deze post € 16.006,80 bedraagt. Ook het in de huurwoning aangetroffen servies en glazen van het merk Versace met een waarde van € 7.909,-- merkt de rechtbank aan als wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel schat en zal vaststellen op € 294.213,10.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank ziet aanleiding om aan veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 286.815,91. Op dit bedrag is een bedrag van € 7.397,19 in mindering gebracht, omdat veroordeelde afstand heeft gedaan van het waardebeslag ter hoogte van dat bedrag.
De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel door haar en [medeveroordeelde] gezamenlijk is genoten.
De rechtbank zal daarom bepalen dat veroordeelde voor een bedrag van € 286.815,91 hoofdelijk aansprakelijk is.
4De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 294.213,10;
legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 286.815,91 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt dat veroordeelde voor betaling van het gehele genoemde bedrag hoofdelijk aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover haar mededader betaalt, veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. D. ten Boer en
mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder en mr. M.G. Drent, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Sr van 20 oktober 2022, met rapportnummer 20.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 1] van 9 december 2021, pagina’s 518 tot en met 521 (deel I).