Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-01-27
ECLI:NL:RBOVE:2025:410
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,113 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.310744-21
Datum vonnis: 27 januari 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van veroordeelde:
[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1].
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel.
Procesverloop
De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke vordering samenhangende strafdossier en de schriftelijke conclusiewisseling die tussen de officier van justitie en de verdediging heeft plaatsgevonden. De vordering is gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde, op 4, 9, 11 en 17 december 2024, behandeld. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.M. van Dungen, advocaat in Venlo, is op die terechtzittingen verschenen en over de vordering gehoord. Het onderzoek is op 13 januari 2025 gesloten en de uitspraak is bepaald op 27 januari 2025.
De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de conclusie van repliek ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op € 197.161,-- en veroordeelde ter hoogte van dit bedrag de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. Subsidiair heeft de officier van justitie gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op
€ 33.000,--.
De verdediging heeft zich onder verwijzing naar de conclusie van dupliek ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank het door veroordeelde te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, wat in de visie van de verdediging
€ 10.500,-- betreft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn moet vaststellen op € 9.540,--.
Beoordeling
3.1
Veroordeling
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2025 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
feit 1
het misdrijf: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht het op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, de bewijsmiddelen zoals omschreven in voornoemd vonnis en het opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 juli 2022, aannemelijk dat veroordeelde een bedrag van € 33.000,-- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en ontleent aan de inhoud van deze bewijsmiddelen ook de schatting van dat voordeel.
De rechtbank stelt vast dat de periode die ten grondslag ligt aan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel ruimer is dan de door de rechtbank bij vonnis bewezen verklaarde pleegperiode van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht naast bewezen verklaarde feiten ook andere strafbare feiten als grondslag kunnen dienen voor de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien het aannemelijk is dat deze op enige wijze ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot het oordeel dat van die situatie hier sprake is.
Katvangersvergoeding
Op 15 november 2021 zijn verbalisanten het bedrijfspand aan de [adres 2] binnengetreden. In dit bedrijfspand is onder meer handgeschreven administratie van de criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen aangetroffen. In die administratie is een opstelling aangetroffen onder de naam '[omschrijving]'. Uit de bewijsmiddelen volgt dat veroordeelde onder meer '[omschrijving]' wordt genoemd. Uit de opstelling is op te maken dat ‘[omschrijving]’, oftewel veroordeelde een maandbedrag van € 1.500,-- ontvangt.
Uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat veroordeelde op 20 januari 2021 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] BV is geworden. Per 1 februari 2021 is veroordeelde bovendien bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 2] BV. De rechtbank acht het aannemelijk dat veroordeelde van februari 2021 tot en met
1 november 2021 voor het op naam hebben van deze bedrijven een maandelijkse vergoeding van € 1.500,-- heeft ontvangen.
Maandelijkse vergoeding
€ 1.500,--
Totale vergoeding (februari 2021 tot en met november 2021)
€ 15.000,--
Bankrekening [rekeningnummer]
De officier van justitie heeft gesteld dat veroordeelde de beschikking heeft gehad over (de gelden op) op de bankrekening met nummer [rekeningnummer]. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het procesdossier volgt dat de criminele organisatie meerdere bedrijven als dekmantel heeft gebruikt. In de administratie van de criminele organisatie zijn documenten van in totaal 83 bedrijven aangetroffen. Deze rechtspersonen zijn veelal op naam van katvangers gezet. Op naam van rechtspersonen zijn vervolgens onder meer tal van auto’s geleased, diverse locaties in binnen- en buitenland gehuurd, betalingen gedaan en opdrachten voor (drugs)transporten gegeven. Ook [bedrijf 1] BV heeft als dekmantel voor de criminele organisatie gefungeerd. Zo zijn er tal van voertuigen geleased op naam van deze rechtspersoon. In deze voertuigen werd gereden door leden van de criminele organisatie of familie van hen. Verder zijn in het bedrijfspand aan de [adres 2] drie bankpassen en een creditcard op naam van [bedrijf 1] BV aangetroffen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de aan deze bankpassen gekoppelde bankrekeningen zijn gebruikt door leden van de criminele organisatie. Hoewel de bankpas horend bij de bankrekening [rekeningnummer] niet in voornoemd bedrijfspand is aangetroffen, acht de rechtbank het aannemelijk dat óók deze bankrekening door de criminele organisatie is gebruikt. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat alleen veroordeelde als lid van de criminele organisatie als enige de beschikkingsmacht over die bankrekening heeft gehad. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk (alleen) de beschikking heeft gehad over (de gelden op) deze bankrekening. Deze gelden zijn dan ook niet als door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken zijn.
Dienstreizen
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde een vergoeding heeft ontvangen voor zijn werkzaamheden in Zweden. Veroordeelde was een van de kernleden van de criminele organisatie. Zo zat hij samen met andere leden van de criminele organisatie in WhatsApp-groepen ‘[groepsnaam 1]’ en ‘[groepsnaam 2]’. Ook was hij aanwezig bij het etentje op
12 september 2021 in een restaurant in [plaats], alwaar volgens WhatsApp-berichten zaken omtrent het reilen en zeilen van de criminele organisatie zijn besproken. Uit onderzoek naar de vluchtgegevens volgt dat veroordeelde twaalf keer naar Zweden is gevlogen. Uit chatgesprekken volgt dat veroordeelde hier onder meer uitleveringen van partijen drugs heeft verzorgd.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat andere leden van de criminele organisatie, waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een vergoeding ontvingen voor hun werkzaamheden in het buitenland. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat óók veroordeelde een vergoeding heeft ontvangen voor de reizen naar Zweden en zijn werkzaamheden aldaar. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat deze vergoeding op € 1.500,-- per dienstreis. Dit komt neer op een totaal van € 18.000,--.
Maandelijkse vergoeding x 10 maanden
€ 15.000,--
Vergoeding voor dienstreizen
€ 18.000,--
Totale vergoeding (februari 2021 tot en met november 2021)
€ 33.000,--
Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening gegrond op de bewezen verklaarde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 33.000,--;
legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 33.000,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 660 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. D. ten Boer en
mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder en mr. M.G. Drent, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht van 11 juli 2022, met rapportnummer 07 en BVH-nummer 2021530788.
Het proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2022, pagina 2606 tot en met 2608 (Deel II)
Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, pagina’s 1142 en 1143 (deel I).
Een proces-verbaal van bevindingen van 23 maart 2022, pagina’s 1683 tot en met 1698 (deel I), met de daarbij als bijlage gevoegde appberichten van de WhatsAppgroepen ‘[groepsnaam 1]’ en ‘[groepsnaam 2]’, pagina’s 1699 tot en met 1888 (deel I).
Een proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2022, pagina’s 207 tot en met 212 (deel II).
Een proces-verbaal van bevindingen van 4 maart 2022, pagina’s 4235 tot en met 4244 (deel I) en een proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2022, pagina’s 3779 tot en met 3783 (deel I).