Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-06-17
ECLI:NL:RBOVE:2025:3878
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71-137768-23
Datum vonnis: 17 juni 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats],
nu verblijvende in de P.I. [locatie].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 juni 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat in Kloetinge, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdachte is na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 3 juni 2025, ten laste gelegd dat:
1.
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2024 tot en met 13 september 2024, te Slootdorp en/of te Wieringerwerf, althans (ook) elders in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem verdachte, en/of (onder andere) medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in
artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of
artikel 10a eerste lid Opiumwet en/of
artikel 11, derde, vierde, vijfde lid en/of
artikel 11a Opiumwet,
betreffende het buiten het grondgebied van Nederland brengen (uitvoeren) en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van harddrugs, te weten cocaïne en/of heroïne, althans harddrugs, zijnde (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk;
2.
Hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 2 september 2024 en/of op of omstreeks 13 september 2024, te Slootdorp en/of te Wieringerwerf, althans (ook elders) in Nederland, en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen, (telkens) opzettelijk
A binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), en/of
B heeft geteeld en/of bereid, en/of bewerkt, en/of verwerkt en/of verkocht, en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
C (althans in elk geval) aanwezig heeft gehad, en/of
D heeft vervaardigd
ongeveer 12 kilogram harddrugs, althans een hoeveelheid harddrugs (in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 2 september 2024), en/of
ongeveer 24,9 kilogram heroïne en/of ongeveer 105,2 kilogram cocaïne, althans een of meer hoeveelhe(i)d(en) heroïne en/of cocaïne (op of omstreeks 13 september 2024)
zijnde cocaïne en/of heroïne en/of harddrugs (telkens) (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
Hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2020 tot en met 13 augustus 2020, te Vinkeveen, althans (ook) elders in Nederland, en/of het Verenigd Koninkrijk, en/of Ierland,
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
A binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), en/of
B heeft geteeld en/of bereid, en/of bewerkt, en/of verwerkt en/of verkocht, en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
C (althans in elk geval) aanwezig heeft gehad, en/of
D heeft vervaardigd
147,1 kilogram Cannabis, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj,
zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(len) als bedoeld als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
Hij in of omstreeks de periode van 19 april 2020 tot en met 21 april 2020, te Vinkeveen, althans (ook) elders in Nederland, en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
A binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), en/of
B heeft geteeld en/of bereid, en/of bewerkt, en/of verwerkt en/of verkocht, en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
C (althans in elk geval) aanwezig heeft gehad, en/of
D heeft vervaardigd
28 kilogram Cannabis, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj,
zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(len) als bedoeld als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
5.
Hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 23 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 te Vinkeveen, althans (ook elders) in Nederland en/of Finland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen, (telkens) opzettelijk
A binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), en/of
B heeft geteeld en/of bereid, en/of bewerkt, en/of verwerkt en/of verkocht, en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of
C (althans in elk geval) aanwezig heeft gehad, en/of
D heeft vervaardigd
ongeveer 26 kilogram marihuana, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, en/of
ongeveer 38 kilo marihuana, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, en/of 5000 XTC-pillen, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of 1 kilo cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, en/of
ongeveer 48,5 kilo marihuana, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of hasjiesj, en/of 5120 XTC pillen, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of
zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(len) als bedoeld als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en/of zijnde cocaïne en/of MDMA en/of harddrugs (telkens) (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3Het afdoeningsvoorstel
Op 27 mei 2025 zijn door de officier van justitie en de verdachte, laatstgenoemde vertegenwoordigd door zijn raadsman, afspraken gemaakt over de afdoening van de zaak. Het afdoeningsvoorstel is op schrift gesteld, door de officier van justitie, de verdachte en de raadsman ondertekend en aan de rechtbank ter afdoening van de zaak voorgelegd. Op de terechtzitting van 3 juni 2025 heeft de officier van justitie, op verzoek van de verdediging en anders dan in het getekende afdoeningsvoorstel is opgenomen, zijn eis in maanden in plaats van jaren geformuleerd. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die afspraken.
Beoordeling
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het mogelijk is de zaak conform de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte afspraken af te doen. De rechtbank beantwoordt die vraag in dit geval bevestigend. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de door de Hoge Raad geformuleerde aandachtspunten die de strafrechter bij de beoordeling van procesafspraken in acht moet nemen. Deze houden onder meer het volgende in:
de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 Sv;
verdachte is voorzien van rechtsbijstand;
de inhoud van het afdoeningsvoorstel is op de openbare terechtzitting besproken;
de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
De rechtbank is van oordeel dat, rekening houdend met de hiervoor genoemde aandachtspunten, het afdoeningsvoorstel recht doet aan de uitgangspunten van het Wetboek van Strafvordering en het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en dat de belangen van zowel verdachte als de maatschappij met dit afdoeningsvoorstel voldoende zijn gewaarborgd. Nu de bewezenverklaring aansluit bij de bewijsmiddelen in het dossier ziet de rechtbank geen aanleiding van het afdoeningsvoorstel af te wijken.
6De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in het dossier bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 mei 2024 tot en met 13 september 2024 in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in
artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en
artikel 10a eerste lid Opiumwet,
betreffende het buiten het grondgebied van Nederland brengen en afleveren en vervoeren van harddrugs, te weten cocaïne en/of heroïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk;
2.
hij in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 2 september 2024 en op 13 september 2024, in Nederland, en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk
A buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), en
B heeft afgeleverd en vervoerd,
ongeveer 12 kilogram harddrugs, (in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 2 september 2024), en
24,9 kilogram heroïne en 105,2 kilogram cocaïne, (op 13 september 2024)
zijnde cocaïne en/of heroïne telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij in de periode van 4 augustus 2020 tot en met 13 augustus 2020, in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
A buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
147,1 kilogram Cannabis,
zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4.
hij in de periode van 19 april 2020 tot en met 21 april 2020, in Nederland, en/of het Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
A buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
28 kilogram Cannabis,
zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(len) als bedoeld als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
5.
hij in de periode van 23 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 in Nederland en Finland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk
A buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
5000 XTC-pillen en 1 kilo cocaïne, en
5120 XTC pillen,
zijnde cocaïne en MDMA, telkens (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
en
hij in de periode van 23 maart 2020 tot en met 7 mei 2020 in Nederland en Finland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens opzettelijk
A buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
ongeveer 26 kilogram marihuana, en
ongeveer 38 kilo marihuana, en
ongeveer 48,5 kilo marihuana,
zijnde hennep en/of hasjiesj telkens (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
7Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit vonnis, dat aan het verkort vonnis wordt gehecht.
8De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 3, 10, 11 en 11b van de Opiumwet (Ow) en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
feit 2
eendaadse samenloop van
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
feit 3 en feit 4
telkens, het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
9De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1 tot en met 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
feit 2
eendaadse samenloop van
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
feit 3 en feit 4
telkens, het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
en
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 (achtenzestig) maanden;
- bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave aan verdachte van:
- het geldbedrag van € 110.000,--,
- het Rolex horloge (goednummer PL2600-LEFCL23001-827236) en
- de Rolex Oyster S-doos (goednummer PL2600-LEFCL23001-287231).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. M.J.A.L. Beljaars en mr. A.J. de Loor, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek en mr. B. Kleinlugtenbeld, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.
Buiten staat
De griffiers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252
Beoordeling
De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
10De op te leggen straf of maatregel
10.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – conform het afdoeningsvoorstel – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
10.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om ten voordele van verdachte gebruik te maken van de marge van drie maanden die in het afdoeningsvoorstel is opgenomen, in die zin dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 65 maanden dient te worden opgelegd. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een goedlopend bedrijf heeft. Hij beschikt over een financiële buffer en er is geen sprake van financiële problematiek. Dit maakt dat het recidiverisico nihil is. Gelet op de capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen is het nog maar de vraag op welke termijn verdachte wordt overgeplaatst van het huis van bewaring naar het reguliere gevangenisregime, na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De raadsman verzoekt de rechtbank hier in strafmatigende zin rekening mee te houden.
10.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het buiten het grondgebied brengen en het vervoeren en afleveren van grote hoeveelheden harddrugs, waaronder heroïne en cocaïne. Hij maakte daartoe deel uit van een criminele organisatie die gericht was op de export van verdovende middelen naar het Verenigd Koninkrijk. Ter voorbereiding van de transporten van de verdovende middelen werden een tot camper omgebouwde vrachtwagen en twee crossmotoren aangeschaft. Vervolgens werden met deze camper diverse testritten uitgevoerd. In de camper was, achter de werkbank, een verborgen ruimte ingebouwd waarin de verdovende middelen werden verborgen. De criminele organisatie deed zich voor als een motorsportteam om met deze dekmantel onder de radar van overheidsdiensten te blijven. De organisatie was, voor de interceptie van het arrestatieteam op 13 september 2024, verantwoordelijk voor minimaal één geslaagde overtocht met harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk. Verdachte had een sturende rol binnen de criminele organisatie. Hij onderhield contact met de leveranciers en de afnemers van de verdovende middelen. Enkele jaren hieraan voorafgaand, in 2020, was verdachte ook betrokken bij diverse transporten van (grote hoeveelheden) verdovende middelen, zowel hard- als softdrugs, naar het Verenigd Koninkrijk en Finland. Bij deze transporten vervulde verdachte eveneens steeds een coördinerende rol.
Het spreekt voor zich dat een criminele organisatie met een dergelijke doelstelling een ernstige en ontoelaatbare ondermijning van de rechtsorde betekent. Hiertegen dient dan ook hard te worden opgetreden. Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie heeft verdachte een weloverwogen keuze gemaakt voor het verkrijgen van inkomsten op een illegale wijze en heeft hij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die verdovende middelen met zich brengen. Het is algemeen bekend dat harddrugs en softdrugs een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid en dat het gebruik kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van drugs tot vele andere vormen van criminaliteit. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 29 november 2024. Hieruit blijkt dat verdachte bij vonnis van 9 december 2020 van de rechtbank Noord-Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden ter zake van onder meer feiten strafbaar gesteld in de Opiumwet. Deze forse gevangenisstraf heeft verdachte er niet van kunnen weerhouden om opnieuw druggerelateerde feiten te plegen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat de voorlopige hechtenis in het Huis van Bewaring hem zwaar valt. De familie van verdachte zorgt ervoor dat het bedrijf van verdachte blijft lopen. De communicatie met zijn familie is goed. Verdachte stelt dat de kans nihil is dat hij zich opnieuw met druggerelateerde activiteiten inlaat omdat hij met deze levenswijze wil stoppen.
De op te leggen straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de afdoening zoals geëist door de officier van justitie, mede in het licht van de belangen die met het gemaakte afdoeningsvoorstel gemoeid zijn, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak en daarbij voldoende recht doen aan de inhoud van de strafzaak en alle betrokken belangen. De voorgestelde gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden acht de rechtbank, gelet op alle feiten en omstandigheden in deze zaak en de sturende rol van verdachte in het geheel, passend en geboden. Voor vermindering van de straf met drie maanden zoals de raadsman heeft verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank zal de straf dan ook opleggen conform het afdoeningsvoorstel.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het aan verdachte toebehorende geldbedrag van € 110.000,--, het Rolex horloge (goednummer PL2600-LEFCL23001-827236) en de Rolex Oyster S-doos (goednummer PL2600-LEFCL23001-287231) aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
9De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 55, 57 en 63 Sr.