Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-06-10
ECLI:NL:RBOVE:2025:3694
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,448 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1409
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Almelo, het college,
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2].
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de bijstandsaanvraag van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens en hij heeft tegen het besluit van het college waarin de aanvraag is afwezen, bezwaar gemaakt. Hij verzoekt ook om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk, omdat het zogeheten spoedeisend belang ontbreekt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1
Verzoeker heeft zich op 9 januari 2025 bij het college gemeld voor bijstand. De bijstandsaanvraag heeft verzoeker ingediend op 24 januari 2025. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2025 afgewezen. Ook moet verzoeker voorschotten van in totaal € 1.700,- terugbetalen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn moeder en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
4.2
Verzoeker heeft op de zitting zijn persoonlijke situatie toegelicht. Hij heeft zelf geen geld om in zijn levensonderhoud te voorzien en heeft al lang op een besluit op zijn bijstandsaanvraag moeten wachten. Hij woont momenteel bij zijn ouders en zij voorzien in zijn levensonderhoud. Verder leent verzoeker geld van bekenden en dat kan hij niet blijven doen. Hij heeft ook betalingsverplichtingen naar zijn ex-partner en ook daar kan hij niet meer aan voldoen. Ook haalt verzoeker zijn zoontje, die aan de andere kant van het land woont, elke twee weken op en de kosten daarvan kan hij nauwelijks dragen. Eiser vreest dat als deze situatie te lang blijft voortduren, dat gevolgen kan hebben voor de omgangsregeling die hij en zijn ex-partner voor zijn zoontje hebben.
4.3
De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang. Een dergelijk belang kan worden aangenomen als iemand door het bestreden besluit schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Dat van zo’n situatie sprake is, volgt niet uit wat verzoeker op de zitting naar voren heeft gebracht. Verzoeker woont bij zijn ouders en zij voorzien hem in zijn levensonderhoud. De voorzieningenrechter betrekt hierbij verder dat het college op de zitting heeft toegezegd dat in afwachting van de beslissing op bezwaar – die naar verwachting eind juli 2025 volgt – niet tot invordering overgegaan zal worden van de voorschotten die in afwachting van het besluit op de bijstandsaanvraag aan verzoeker zijn betaald en van hem zijn teruggevorderd. De voorzieningenrechter heeft ook overigens geen aanwijzingen dat onomkeerbare gevolgen zullen intreden, als de behandeling van de bezwaarprocedure afgewacht wordt, mits er eind juli een beslissing op bezwaar volgt. Temeer nu zijn moeder heeft verklaard verzoeker (in ieder geval – zo begrijpt de voorzieningenrechter – voor die periode) nog wel wil ondersteunen. De voorzieningenrechter meent wel dat een spoedige besluitvorming – uiterlijk eind juli 2025 – aangewezen is, om onomkeerbare gevolgen voor de omgangsregeling met het zoontje te voorkomen.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Omdat het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat er voor nu voor de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om de inhoudelijke bezwaren die verzoeker tegen de afwijzing van zijn bijstandsaanvraag heeft aangevoerd, waaronder zijn verklaringen rondom zijn pintransacties, te bespreken. Die zullen eerst door het college in de beslissing op bezwaar moeten worden beoordeeld. Verzoeker kan, eventueel bijgestaan door zijn moeder, de inhoudelijke gronden toelichten in de hoorzitting in bezwaar waarvan het college ter zitting heeft verklaard dat die zal worden gepland op 30 juni 2025, en waarvoor door het college (zo heeft zij toegezegd) nog een uitnodiging aan verzoeker zal worden gestuurd.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.