Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-01-15
ECLI:NL:RBOVE:2025:3231
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
28,658 tokens
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/316902 / HA ZA 24-263
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
1 [partij A1] ,
te [woonplaats] ,2. [partij A2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. J.X.C. Peters,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. K. Dekker.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 37,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met de producties 1 tot en met 22,- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 38 tot en met 43,
- de akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis met de producties 44 tot en met 49 van de zijde van [partij A] ,
- de producties 23 tot en met 26 van de zijde van [partij B] ,- de mondelinge behandeling van 4 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- de pleitnota van mr. Peters,
- de pleitnota van mr. Dekker,- het slotpleidooi van de heer [naam 1] ..
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak en het oordeel in het kort
2.1.
Dit is een tussenvonnis waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten en dat [partij A] zijn aan te merken als consumenten. De rechtbank volgt [partij A] niet in hun stelling dat [partij B] gehouden was alle te plaatsen meubels te maken van HPL in plaats van (grotendeels) van Melamine. Om te kunnen beoordelen of [partij A] op goede gronden stellen dat het door [partij B] uitgevoerde werk gebreken vertoont, acht de rechtbank het noodzakelijk zich te laten voorlichten door een deskundige. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om bij akte uitlaten te kennen te geven wie zij als deskundige(n) wensen in te schakelen en welke vragen zij aan deze deskundige(n) willen voorleggen.
Feiten
3.1.
[partij A] hebben in [woonplaats] een woning laten bouwen. Voor het ontwerpen van inbouwmeubels is [naam 2] van Building Design Architectuur in ingeschakeld. Via deze interieurarchitect zijn [partij A] in contact gekomen met [partij B] B.V., ook handelend onder de naam [partij B] (hierna: [partij B] ), die van hen de opdracht heeft gekregen om de ontworpen meubels in te meten, te fabriceren en in te bouwen. Het gaat om een keuken met kookeiland, een haardmeubel, servieskasten, halkasten, toiletmeubels, badkamermeubels en een zitbank voor de tv-kamer.
3.2.
Op basis van tekeningen van Building Design stelt [partij B] op 22 maart 2022 een offerte op. Op 6 april 2022 vindt er op kantoor bij [partij B] een gesprek plaats waarbij het interieurontwerp wordt besproken. Bij dat gesprek zijn aanwezig [partij A1] , [partij A2] , [naam 2] en [naam 1] .
3.3.
Bij e-mail van 20 april 2022 stuurt [partij B] een tweede offerte waarin ook wanden tussen TV/haard en servieskasten zijn opgenomen. De algemene voorwaarden van [partij B] zijn meegestuurd.
3.4.
Vervolgens stuurt [partij B] op 13 mei, 2 juni, 8 juni, 14 juni en 23 juni 2022 aangepaste offertes, waarin nog extra meubels, te weten een garderobekast en een inloopkast, een bureau en een meubel voor in de bijkeuken zijn toegevoegd. Ook zal nog losse apparatuur worden geleverd.
3.5.
Op 14 juli 2022 tekenen [partij A] de offerte van 23 juni 2022.
3.6.
Uit de orderbevestiging blijkt dat de order in totaal een bedrag van € 157.725,39 inclusief btw beslaat.
Opgenomen is ook:
Betaling: 35 % Bij opdracht
30 % Bij aanvang werkzaamheden
30 % Bij aanvang stelwerkzaamheden
5 % Bij gereed
Met betrekking tot de prijzen is onder meer opgenomen dat:
- bij het doorschuiven van de levertijden extra voortkomende kosten kunnen worden berekend,
- meerwerk niet vanzelfsprekend gelijktijdig met de hoofdopdracht uitgevoerd zal worden,
- werktekening(en) van [partij B] ter goedkeuring worden aangeboden, dat één correctieronde is inbegrepen en dat eventuele meerdere correctierondes worden verrekend.
In de offerte is niet meegenomen:
- niet nader omschreven werkzaamheden en/of materialen,
- bouwkundige werk zoals onder andere constructie-, hak-, breek-, egaliseer-, metsel-, stuc-
en schilderwerkzaamheden,
- constructies en de uitwerking daarvan die door de opdrachtgever aan het meubel of interieur gekoppeld worden,
- het bijwonen van bouw- en/of werkvergaderingen.
3.7.
Op 26 oktober 2022 legt [partij B] werktekeningen ter goedkeuring voor aan
[partij A] . In de begeleidende e-mail merkt [partij B] op dat een tweede correctieronde in rekening gebracht kan worden.
3.8.
In november 2022 corresponderen [partij A] met de haardleverancier over onder meer de tekening van de haard.
3.9.
Op 22 november 2022 stuurt [partij B] werktekeningen van andere meubels. Ook op
13 januari 2023 stuurt [partij B] nog een aangepaste tekening.
3.10.
Nadat [partij A] de werktekeningen hebben geaccordeerd start [partij B] met het uitvoeren van de werkzaamheden. Op 19 januari 2023 laat [partij B] het door haar ingeschakelde Technoplanning inmeten bij [partij A] , die daarbij zelf niet aanwezig zijn. Zij laten zich vertegenwoordigen door [naam 3] , de broer [partij A1] , die architect is.
3.11.
Op 24 januari 2023 stuurt [naam 3] een e-mail aan [partij B] waarin hij een opsomming maakt van de opmerkingen die [partij A] bij de laatste tekeningen hebben gemaakt en waarin hij nog enkele punten opneemt die bij de bespreking ter plaatse op 19 januari 2023 aan de orde zijn geweest. [partij B] reageert daarop per e-mail van 11 maart 2023 en stuurt bij die gelegenheid ook een nieuwe tekening, namelijk van de haard en de servieskast, mee In de mail komt onder andere aan de orde meer- en minderwerk, het te gebruiken plaatmateriaal en de kleur van het materiaal.
3.12.
Naar aanleiding van e-mailcorrespondentie op 24 en 25 maart 2023, waarin aan de orde komt dat sprake is van fouten in de tekeningen, onder meer als het gaat om het gebruikte materiaal en de kleur, vindt er op 12 april 2023 een gesprek plaats tussen [partij A1] , [partij A2] en [naam 4] , een van de directeuren van [partij B] B.V. Naar aanleiding van dit gesprek laat [partij B] op 13 april 2023 weten:
‘Ik was het even aan het uitzoeken voor het verhaal FB49 ltalian Stone en FB49 Metallic. FB49 Metallic is in plaatmateriaal te krijgen en HPL, FB49 ltalian Stone
is allen in HPL te krijgen dus daar kunnen we niks meer voor dit meubel. Dan wordt het automatisch de kleur FB49 Metallic. Dan hoeven we geen monster te sturen ga ik van
uit’.
Op 14 april 2023 laten [partij A] weten:
‘Vwb het FB49 Metallic/ FB49 Italian Stone, zijn wij ok met het voorstel om dan voor de FB49 Metallic te gaan. Alhoewel we geloven dat de ltalian stone iets warmer is en dus net iets meer sfeer zou kunnen geven’.
3.13.
Tijdens het gesprek op 12 april 2023 wordt ook een meerwerkofferte besproken. Vervolgens corresponderen partijen tussen 17 en 26 april 2023 over meerwerk als gevolg van aangepaste wensen van [partij A] dan wel noodgedwongen als gevolg van leveringsproblemen en voor wiens rekening de financiële consequenties van de wijzigingen komen. Ook de tijd die [partij A] hebben moeten wachten voordat er is ingemeten, de tijd die [partij B] kwijt was aan het doornemen en beantwoorden van de vragen en opmerkingen van [partij A] , de gevolgen daarvan en van het nog niet hebben van goedkeuring voor het meerwerk voor de planning van [partij B] die in die periode ook twee mensen miste en de datum waarop [partij A] in het huis wilden gaan wonen, komen in de correspondentie aan de orde. Op 24 april 2023 geven [partij A] akkoord voor het meerwerk.
3.14.
Op 3 mei 2023 verstuurt [partij B] de definitieve werktekeningen en de dag erop kan worden begonnen met het zaagwerk. Op 6 mei 2023 geven [partij A] akkoord op de tekeningen, maar zij maken daarbij nog wel een aantal opmerkingen en stellen nog een vraag over de bladen en de wasbakken van Asselux.
3.15.
Op 11 mei 2023 laat [partij B] weten dat er wat is verschoven in de planning en vraagt of er in week 21 en 22 kan worden gemonteerd.
3.16.
Op 16 mei 2023 verstuurt [partij B] een meer- en minderwerkfactuur.
3.17.
Eind mei start het door [partij B] ingeschakelde Technoplanning met de montagewerkzaamheden.
3.18.
Tussen 8 juni en 5 juli 2023 corresponderen partijen onder meer over de Asseluxbladen voor de keuken en bijkeuken, de badkamers, de toiletmeubels en het haardmeubel. Partijen discussiëren over de namen van de gekozen bladen, de maatvoering van de bladen, het aantal naden in de bladen en de zichtbaarheid ervan, de kleur- en materiaalkeuze van de bladen en over het tijdstip van bestellen. [partij B] geeft in die periode twee keer (te weten op 12 juni en op 4 juli) aan dat het van belang is daarover duidelijkheid van [partij A] te krijgen omdat het anders gevolgen heeft voor de planning. Op 5 juli 2023 geven [partij A] akkoord op de tekeningen, waarbij zij opmerken ervan uit te gaan dat het materiaal overeenkomt met de sample die zij hebben ontvangen en met het materiaal dat in de tekeningen van Building Design is omschreven.
3.19.
Tussen 13 en 18 juni 2023 discussiëren partijen over de vraag welk plaatmateriaal zij zijn overeengekomen om te gebruiken voor het maken van het meubilair en over de kleurstelling ervan.
Geschil
in conventie
4.1.
[partij A] vorderen na vermeerdering van eis - samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. te verklaren voor recht dat [partij A] . de overeenkomst tot levering van diverse (inbouw)meubels terecht hebben ontbonden, althans dat de rechtbank deze overeenkomst ontbindt, althans (subsidiair) te verklaren voor recht dat de overeenkomst terecht (partieel) is ontbonden en vast te stellen welk deel van de overeenkomst betreffende welke meubels partieel is ontbonden;
[partij B] te veroordelen tot terugbetaling van de door [partij A] betaalde koopsom van € 158.339,13, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, althans het bedrag dat correspondeert met de ontbinding als gevorderd onder A;
[partij A] te machtigen de betreffende meubels af te voeren indien [partij B] de goederen niet binnen 3 weken na betekening van het vonnis heeft laten ophalen door een door [partij B] aan te wijzen derde, danwel (subsidiair) [partij B] te veroordelen om binnen 3 weken na betekening van het vonnis de goederen heeft laten ophalen door een door [partij B] aan te wijzen derde op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;
Subsidiair: indien en voor zover het gevorderde onder primair wordt afgewezen
A) te verklaren voor recht dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ter zake de gebreken die zijn genoemd onder l t/m 71 in deze dagvaarding en dat [partij A] gerechtigd zijn deze gebreken door een andere meubelbouwer te laten herstellen op kosten van [partij B] , althans ter zake de door de rechtbank vast te stellen gebreken;
B) [partij B] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de kosten die [partij A] hebben moeten maken om die gebreken door derden te laten herstellen;
Meer subsidiair: indien en voor zover het gevorderde onder primair en subsidiair wordt afgewezen
A. te verklaren voor recht dat de koopprijs dient te worden verminderd in verband met de vastgestelde gebreken, voor een door de rechtbank vast te stellen koopprijs althans een door de echtbank aan te wijzen deskundige;
[partij B] te veroordelen om het te veel betaalde bedrag van de koopprijs aan [partij A] terug te betalen en wel binnen 10 dagen na het in deze te wijzen vonnis;
Nog meer subsidiair: indien en voor zover het gevorderde onder primair, subsidiair en meer subsidiair wordt afgewezen .
A) [partij B] te veroordelen tot herstel van de gebreken genoemd onder 1 t/m 71 in deze dagvaarding, althans ter zake de door de rechtbank te benoemen gebreken en wel binnen 5 weken na betekening van het vonnis, althans een termijn door de rechtbank te bepalen en wel op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag tot een maximum van € 200.000,--;
Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair:
A. te verklaren voor recht dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [partij A] ;
[partij B] te veroordelen tot betaling van de door [partij A] geleden schade ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, nader op te maken bij staat;
[partij B] te veroordelen tot betaling van de door [partij A] gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 2.750,--, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
voor zover vereist: een deskundige te benoemen die de aard en omvang van de gebreken ter zake de nakoming van de overeenkomst kan vaststellen;
[partij B] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten;
[partij B] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de door [partij A] gemaakte kosten van de deskundige van € 1.691,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening waarbij het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
4.2.
[partij B] voert verweer.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
Kwalificatie van de overeenkomst
5.1.
Partijen zijn het er niet over eens hoe de overeenkomst die zij hebben gesloten moet worden gekwalificeerd. [partij A] zijn van mening dat sprake is van een koop aannemingsovereenkomst. Zij stellen dat partijen hebben afgesproken dat
[partij A] diverse meubels zouden kopen en dat [partij B] zou deze inmeten, plaatsen en afwerken. [partij B] betwist dat sprake is van een koop- aannemingsovereenkomst - een wijze van contracteren waarbij (kort gezegd) de koper eigenaar is van een stuk grond, waarop een woning moet worden gerealiseerd. Volgens [partij B] is sprake van aanneming van werk, omdat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij [partij B] zich heeft verbonden om tegen betaling door [partij A] een stoffelijk werk tot stand te brengen en te leveren. [partij B] is (enkel) gevraagd om onderdelen uit een interieurontwerp te realiseren.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat overeenkomst op de door [partij B] genoemde gronden kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk. Van een gecombineerde koop-aannemingsovereenkomst, waarbij niet alleen de grond waarop de woning wordt gebouwd wordt gekocht, maar ook een overeenkomst tot bouw van de woning wordt gesloten, is in de relatie met [partij B] geen sprake. Van toepassing zijn enkel de artikelen 7:750 BW en verder die zien op aanneming van werk en niet, zoals [partij A] stellen, ook de regels die gelden voor de koopovereenkomst. Alle daarop gebaseerde stellingen kunnen derhalve onbesproken blijven.
Consumenten
5.3.
[partij A] stellen dat zij consumenten zijn en als zodanig recht hebben op extra bescherming. [partij B] erkent dat [partij A] consumenten zijn, maar betwist dat zij in dit geval worden beschermd door de regels die gelden voor een koopovereenkomst voor consumenten. Ten eerste omdat van een koop of koop-aannemingsovereenkomst geen sprake is, en ten tweede omdat [partij A] zijn bijgestaan door de architect van hun nieuwbouwwoning, [naam 3] en door de vader van [partij A1] , [naam 5] , een gepensioneerd architect. Beiden dienen volgens [partij B] als deskundige te worden beschouwd en hebben zich in het traject ook zo gedragen, door onderdeel uit te maken van e-mailwisselingen en inhoudelijk betrokken te zijn bij die e-mailwisselingen, maar ook omdat deze deskundigen bij gesprekken aanwezig waren en beslissingen ten aanzien van het interieurontwerp hebben genomen.
5.4.
Anders dan [partij B] stelt verliezen [partij A] hun status als consument niet doordat zij zich al dan niet hebben laten bijstaan door professionals. Nu geen sprake is van een koopovereenkomst en dus ook niet van consumentenkoop, kunnen [partij A] geen bescherming ontlenen aan de regels met betrekking tot consumentenkoop.
Het plaatmateriaal
5.5.
Een van de grootste geschilpunten tussen partijen betreft het overeengekomen plaatmateriaal: HPL of melamine. Tussen partijen is niet in geschil dat HPL ten opzichte van melamine een kwalitatief hoogwaardiger en duurder product is.
5.6.
[partij A] stellen dat partijen zijn overeengekomen dat voor alle door [partij B] te fabriceren meubelen HPL gebruikt zou worden. Zij baseren zich er daarbij op dat de getekende offerte, net als alle andere offertes en alle werkvoorbereidingen van [partij B] , zijn gebaseerd op de set tekeningen die [partij B] van Building Design heeft gekregen en waarin als te gebruiken materiaal HPL staat vermeld. De overeenkomst is dus gebaseerd op de tekeningen van Building Design, tenzij partijen daar uitdrukkelijk van zijn afgeweken. Van dat uitgangspunt zijn [partij A] nooit afgeweken en dat hebben ze zeker nooit bedoeld te doen. Op grond hiervan concluderen [partij A] dat al het meubilair in HPL uitgevoerd moet worden.
5.7.
[partij B] betwist dat partijen zijn overeengekomen dat enkel HPL zou worden gebruikt en wijst erop dat [partij A] niet hebben onderbouwd dat door [partij B] HPL is geoffreerd. [partij A] gaan er in de visie van [partij B] ten onrechte van uit dat in een offerte het materiaal zoals beschreven in het interieurontwerp overgenomen dient te worden. [partij B] stelt dat partijen het voor de meubels te gebruiken materiaal op kantoor bij [partij B] hebben besproken op 6 april 2022. Bij die gelegenheid stelt [partij B] het verschil tussen melamine en HPL te hebben uitgelegd, te hebben verteld dat het ongebruikelijk is om HPL te gebruiken in een interieur van een nieuwbouwwoning en dat HPL normaal gesproken wordt gebruikt in omgevingen waar interieurs meer te lijden hebben. Volgens [partij B] hebben [partij A] toen gekozen voor melamine in plaats van HPL om kosten te besparen en blijkt dat ook uit de daarop volgende correspondentie tussen partijen. Door vervolgens de tekeningen van [partij B] waarop melamine staat vermeld als te gebruiken materiaal goed te keuren, hebben [partij A] ingestemd met het gebruik van melamine, zo stelt [partij B] .
5.8.
[partij A] ontkennen dat partijen hebben gesproken over een materiaalkeuze en dat [partij B] het verschil tussen HPL en melamine heeft uitgelegd en zij betwisten dat zij hebben ingestemd met het gebruik van melamine.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat partijen met betrekking tot het te gebruiken materiaal van mening verschillen over wat zij zijn overeengekomen en of dat is nagekomen.
5.10.
Bij de uitleg van de overeenkomst komt het gelet op de Haviltexmaatstaf aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die verklaringen en de in die overeenkomst vervatte bedingen mochten toekennen. Daarbij kan mede van belangzijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.
5.11.
De partij die zich op het rechtsgevolg van bepaalde feiten en omstandigheden beroept, moet deze stellen en (in geval van gemotiveerde betwisting) bewijzen. Nu [partij A] rechtsgevolgen verbinden aan de betwiste stelling dat [partij B] voor alle door haar te fabriceren meubels HPL zou gebruiken, ligt het op hun weg om die stelling te concreet te maken.
5.12.
[partij A] hebben zich als consumenten tot [partij B] in haar professionele hoedanigheid van interieurbouwer gewend. Vanuit dat perspectief moet worden beoordeeld wat [partij A] redelijkerwijs van [partij B] mocht verwachten.
5.13.
De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat Building Design in haar ontwerptekeningen is uitgegaan van het gebruik van HPL. Het ligt voor de hand dat een interieurbouwer bij het offreren naar aanleiding van een ontwerptekening van een interieurarchitect uitgaat van het in die ontwerptekening beschreven materiaal. Maar zoals [partij B] terecht heeft opgemerkt, verplicht is dat niet. De rechtbank gaat er vanuit dat Building Design HPL in haar ontwerp heeft opgenomen om tegemoet te komen aan de wens van
[partij A] om kwalitatief hoogwaardige en duurzame meubels aan te schaffen. Het ligt dan ook niet voor de hand dat [partij A] hebben ingestemd met minder hoogwaardig materiaal als melamine, zonder dat zij over de voor- en nadelen zijn voorgelicht.
5.14.
[partij A] ontkennen dat zij daarover door [partij B] zijn voorgelicht, terwijl [partij B] stelt dat zowel de kwalitatieve als de prijstechnische verschillen tussen HPL en melamine zijn besproken op 6 april 2022 en dat juist die uitleg voor [partij A]
reden is geweest om voornamelijk voor het gebruik van melamine te kiezen.
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 februari 2025 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
6.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/316902 / HA ZA 24-263
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
1 [partij A1] ,
te [woonplaats] ,2. [partij A2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. J.X.C. Peters,
tegen
[partij B] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. K. Dekker.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 37,- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met de producties 1 tot en met 22,- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met de producties 38 tot en met 43,
- de akte overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis met de producties 44 tot en met 49 van de zijde van [partij A] ,
- de producties 23 tot en met 26 van de zijde van [partij B] ,- de mondelinge behandeling van 4 december 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
- de pleitnota van mr. Peters,
- de pleitnota van mr. Dekker,- het slotpleidooi van de heer [naam 1] ..
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak en het oordeel in het kort
2.1.
Dit is een tussenvonnis waarin de rechtbank tot het oordeel komt dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten en dat [partij A] zijn aan te merken als consumenten. De rechtbank volgt [partij A] niet in hun stelling dat [partij B] gehouden was alle te plaatsen meubels te maken van HPL in plaats van (grotendeels) van Melamine. Om te kunnen beoordelen of [partij A] op goede gronden stellen dat het door [partij B] uitgevoerde werk gebreken vertoont, acht de rechtbank het noodzakelijk zich te laten voorlichten door een deskundige. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om bij akte uitlaten te kennen te geven wie zij als deskundige(n) wensen in te schakelen en welke vragen zij aan deze deskundige(n) willen voorleggen.
Feiten
3.1.
[partij A] hebben in [woonplaats] een woning laten bouwen. Voor het ontwerpen van inbouwmeubels is [naam 2] van Building Design Architectuur in ingeschakeld. Via deze interieurarchitect zijn [partij A] in contact gekomen met [partij B] B.V., ook handelend onder de naam [partij B] (hierna: [partij B] ), die van hen de opdracht heeft gekregen om de ontworpen meubels in te meten, te fabriceren en in te bouwen. Het gaat om een keuken met kookeiland, een haardmeubel, servieskasten, halkasten, toiletmeubels, badkamermeubels en een zitbank voor de tv-kamer.
3.2.
Op basis van tekeningen van Building Design stelt [partij B] op 22 maart 2022 een offerte op. Op 6 april 2022 vindt er op kantoor bij [partij B] een gesprek plaats waarbij het interieurontwerp wordt besproken. Bij dat gesprek zijn aanwezig [partij A1] , [partij A2] , [naam 2] en [naam 1] .
3.3.
Bij e-mail van 20 april 2022 stuurt [partij B] een tweede offerte waarin ook wanden tussen TV/haard en servieskasten zijn opgenomen. De algemene voorwaarden van [partij B] zijn meegestuurd.
3.4.
Vervolgens stuurt [partij B] op 13 mei, 2 juni, 8 juni, 14 juni en 23 juni 2022 aangepaste offertes, waarin nog extra meubels, te weten een garderobekast en een inloopkast, een bureau en een meubel voor in de bijkeuken zijn toegevoegd. Ook zal nog losse apparatuur worden geleverd.
3.5.
Op 14 juli 2022 tekenen [partij A] de offerte van 23 juni 2022.
3.6.
Uit de orderbevestiging blijkt dat de order in totaal een bedrag van € 157.725,39 inclusief btw beslaat.
Opgenomen is ook:
Betaling: 35 % Bij opdracht
30 % Bij aanvang werkzaamheden
30 % Bij aanvang stelwerkzaamheden
5 % Bij gereed
Met betrekking tot de prijzen is onder meer opgenomen dat:
- bij het doorschuiven van de levertijden extra voortkomende kosten kunnen worden berekend,
- meerwerk niet vanzelfsprekend gelijktijdig met de hoofdopdracht uitgevoerd zal worden,
- werktekening(en) van [partij B] ter goedkeuring worden aangeboden, dat één correctieronde is inbegrepen en dat eventuele meerdere correctierondes worden verrekend.
In de offerte is niet meegenomen:
- niet nader omschreven werkzaamheden en/of materialen,
- bouwkundige werk zoals onder andere constructie-, hak-, breek-, egaliseer-, metsel-, stuc-
en schilderwerkzaamheden,
- constructies en de uitwerking daarvan die door de opdrachtgever aan het meubel of interieur gekoppeld worden,
- het bijwonen van bouw- en/of werkvergaderingen.
3.7.
Op 26 oktober 2022 legt [partij B] werktekeningen ter goedkeuring voor aan
[partij A] . In de begeleidende e-mail merkt [partij B] op dat een tweede correctieronde in rekening gebracht kan worden.
3.8.
In november 2022 corresponderen [partij A] met de haardleverancier over onder meer de tekening van de haard.
3.9.
Op 22 november 2022 stuurt [partij B] werktekeningen van andere meubels. Ook op
13 januari 2023 stuurt [partij B] nog een aangepaste tekening.
3.10.
Nadat [partij A] de werktekeningen hebben geaccordeerd start [partij B] met het uitvoeren van de werkzaamheden. Op 19 januari 2023 laat [partij B] het door haar ingeschakelde Technoplanning inmeten bij [partij A] , die daarbij zelf niet aanwezig zijn. Zij laten zich vertegenwoordigen door [naam 3] , de broer [partij A1] , die architect is.
3.11.
Op 24 januari 2023 stuurt [naam 3] een e-mail aan [partij B] waarin hij een opsomming maakt van de opmerkingen die [partij A] bij de laatste tekeningen hebben gemaakt en waarin hij nog enkele punten opneemt die bij de bespreking ter plaatse op 19 januari 2023 aan de orde zijn geweest. [partij B] reageert daarop per e-mail van 11 maart 2023 en stuurt bij die gelegenheid ook een nieuwe tekening, namelijk van de haard en de servieskast, mee In de mail komt onder andere aan de orde meer- en minderwerk, het te gebruiken plaatmateriaal en de kleur van het materiaal.
3.12.
Naar aanleiding van e-mailcorrespondentie op 24 en 25 maart 2023, waarin aan de orde komt dat sprake is van fouten in de tekeningen, onder meer als het gaat om het gebruikte materiaal en de kleur, vindt er op 12 april 2023 een gesprek plaats tussen [partij A1] , [partij A2] en [naam 4] , een van de directeuren van [partij B] B.V. Naar aanleiding van dit gesprek laat [partij B] op 13 april 2023 weten:
‘Ik was het even aan het uitzoeken voor het verhaal FB49 ltalian Stone en FB49 Metallic. FB49 Metallic is in plaatmateriaal te krijgen en HPL, FB49 ltalian Stone
is allen in HPL te krijgen dus daar kunnen we niks meer voor dit meubel. Dan wordt het automatisch de kleur FB49 Metallic. Dan hoeven we geen monster te sturen ga ik van
uit’.
Op 14 april 2023 laten [partij A] weten:
‘Vwb het FB49 Metallic/ FB49 Italian Stone, zijn wij ok met het voorstel om dan voor de FB49 Metallic te gaan. Alhoewel we geloven dat de ltalian stone iets warmer is en dus net iets meer sfeer zou kunnen geven’.
3.13.
Tijdens het gesprek op 12 april 2023 wordt ook een meerwerkofferte besproken. Vervolgens corresponderen partijen tussen 17 en 26 april 2023 over meerwerk als gevolg van aangepaste wensen van [partij A] dan wel noodgedwongen als gevolg van leveringsproblemen en voor wiens rekening de financiële consequenties van de wijzigingen komen. Ook de tijd die [partij A] hebben moeten wachten voordat er is ingemeten, de tijd die [partij B] kwijt was aan het doornemen en beantwoorden van de vragen en opmerkingen van [partij A] , de gevolgen daarvan en van het nog niet hebben van goedkeuring voor het meerwerk voor de planning van [partij B] die in die periode ook twee mensen miste en de datum waarop [partij A] in het huis wilden gaan wonen, komen in de correspondentie aan de orde. Op 24 april 2023 geven [partij A] akkoord voor het meerwerk.
3.14.
Op 3 mei 2023 verstuurt [partij B] de definitieve werktekeningen en de dag erop kan worden begonnen met het zaagwerk. Op 6 mei 2023 geven [partij A] akkoord op de tekeningen, maar zij maken daarbij nog wel een aantal opmerkingen en stellen nog een vraag over de bladen en de wasbakken van Asselux.
3.15.
Op 11 mei 2023 laat [partij B] weten dat er wat is verschoven in de planning en vraagt of er in week 21 en 22 kan worden gemonteerd.
3.16.
Op 16 mei 2023 verstuurt [partij B] een meer- en minderwerkfactuur.
3.17.
Eind mei start het door [partij B] ingeschakelde Technoplanning met de montagewerkzaamheden.
3.18.
Tussen 8 juni en 5 juli 2023 corresponderen partijen onder meer over de Asseluxbladen voor de keuken en bijkeuken, de badkamers, de toiletmeubels en het haardmeubel. Partijen discussiëren over de namen van de gekozen bladen, de maatvoering van de bladen, het aantal naden in de bladen en de zichtbaarheid ervan, de kleur- en materiaalkeuze van de bladen en over het tijdstip van bestellen. [partij B] geeft in die periode twee keer (te weten op 12 juni en op 4 juli) aan dat het van belang is daarover duidelijkheid van [partij A] te krijgen omdat het anders gevolgen heeft voor de planning. Op 5 juli 2023 geven [partij A] akkoord op de tekeningen, waarbij zij opmerken ervan uit te gaan dat het materiaal overeenkomt met de sample die zij hebben ontvangen en met het materiaal dat in de tekeningen van Building Design is omschreven.
3.19.
Tussen 13 en 18 juni 2023 discussiëren partijen over de vraag welk plaatmateriaal zij zijn overeengekomen om te gebruiken voor het maken van het meubilair en over de kleurstelling ervan.
Geschil
in conventie
4.1.
[partij A] vorderen na vermeerdering van eis - samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. te verklaren voor recht dat [partij A] . de overeenkomst tot levering van diverse (inbouw)meubels terecht hebben ontbonden, althans dat de rechtbank deze overeenkomst ontbindt, althans (subsidiair) te verklaren voor recht dat de overeenkomst terecht (partieel) is ontbonden en vast te stellen welk deel van de overeenkomst betreffende welke meubels partieel is ontbonden;
[partij B] te veroordelen tot terugbetaling van de door [partij A] betaalde koopsom van € 158.339,13, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, althans het bedrag dat correspondeert met de ontbinding als gevorderd onder A;
[partij A] te machtigen de betreffende meubels af te voeren indien [partij B] de goederen niet binnen 3 weken na betekening van het vonnis heeft laten ophalen door een door [partij B] aan te wijzen derde, danwel (subsidiair) [partij B] te veroordelen om binnen 3 weken na betekening van het vonnis de goederen heeft laten ophalen door een door [partij B] aan te wijzen derde op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag;
Subsidiair: indien en voor zover het gevorderde onder primair wordt afgewezen
A) te verklaren voor recht dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst ter zake de gebreken die zijn genoemd onder l t/m 71 in deze dagvaarding en dat [partij A] gerechtigd zijn deze gebreken door een andere meubelbouwer te laten herstellen op kosten van [partij B] , althans ter zake de door de rechtbank vast te stellen gebreken;
B) [partij B] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de kosten die [partij A] hebben moeten maken om die gebreken door derden te laten herstellen;
Meer subsidiair: indien en voor zover het gevorderde onder primair en subsidiair wordt afgewezen
A. te verklaren voor recht dat de koopprijs dient te worden verminderd in verband met de vastgestelde gebreken, voor een door de rechtbank vast te stellen koopprijs althans een door de echtbank aan te wijzen deskundige;
[partij B] te veroordelen om het te veel betaalde bedrag van de koopprijs aan [partij A] terug te betalen en wel binnen 10 dagen na het in deze te wijzen vonnis;
Nog meer subsidiair: indien en voor zover het gevorderde onder primair, subsidiair en meer subsidiair wordt afgewezen .
A) [partij B] te veroordelen tot herstel van de gebreken genoemd onder 1 t/m 71 in deze dagvaarding, althans ter zake de door de rechtbank te benoemen gebreken en wel binnen 5 weken na betekening van het vonnis, althans een termijn door de rechtbank te bepalen en wel op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag tot een maximum van € 200.000,--;
Primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair:
A. te verklaren voor recht dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met [partij A] ;
[partij B] te veroordelen tot betaling van de door [partij A] geleden schade ten gevolge van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, nader op te maken bij staat;
[partij B] te veroordelen tot betaling van de door [partij A] gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 2.750,--, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;
voor zover vereist: een deskundige te benoemen die de aard en omvang van de gebreken ter zake de nakoming van de overeenkomst kan vaststellen;
[partij B] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten;
[partij B] te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de door [partij A] gemaakte kosten van de deskundige van € 1.691,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening waarbij het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
4.2.
[partij B] voert verweer.
Beoordeling
in conventie en in reconventie
Kwalificatie van de overeenkomst
5.1.
Partijen zijn het er niet over eens hoe de overeenkomst die zij hebben gesloten moet worden gekwalificeerd. [partij A] zijn van mening dat sprake is van een koop aannemingsovereenkomst. Zij stellen dat partijen hebben afgesproken dat
[partij A] diverse meubels zouden kopen en dat [partij B] zou deze inmeten, plaatsen en afwerken. [partij B] betwist dat sprake is van een koop- aannemingsovereenkomst - een wijze van contracteren waarbij (kort gezegd) de koper eigenaar is van een stuk grond, waarop een woning moet worden gerealiseerd. Volgens [partij B] is sprake van aanneming van werk, omdat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij [partij B] zich heeft verbonden om tegen betaling door [partij A] een stoffelijk werk tot stand te brengen en te leveren. [partij B] is (enkel) gevraagd om onderdelen uit een interieurontwerp te realiseren.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat overeenkomst op de door [partij B] genoemde gronden kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk. Van een gecombineerde koop-aannemingsovereenkomst, waarbij niet alleen de grond waarop de woning wordt gebouwd wordt gekocht, maar ook een overeenkomst tot bouw van de woning wordt gesloten, is in de relatie met [partij B] geen sprake. Van toepassing zijn enkel de artikelen 7:750 BW en verder die zien op aanneming van werk en niet, zoals [partij A] stellen, ook de regels die gelden voor de koopovereenkomst. Alle daarop gebaseerde stellingen kunnen derhalve onbesproken blijven.
Consumenten
5.3.
[partij A] stellen dat zij consumenten zijn en als zodanig recht hebben op extra bescherming. [partij B] erkent dat [partij A] consumenten zijn, maar betwist dat zij in dit geval worden beschermd door de regels die gelden voor een koopovereenkomst voor consumenten. Ten eerste omdat van een koop of koop-aannemingsovereenkomst geen sprake is, en ten tweede omdat [partij A] zijn bijgestaan door de architect van hun nieuwbouwwoning, [naam 3] en door de vader van [partij A1] , [naam 5] , een gepensioneerd architect. Beiden dienen volgens [partij B] als deskundige te worden beschouwd en hebben zich in het traject ook zo gedragen, door onderdeel uit te maken van e-mailwisselingen en inhoudelijk betrokken te zijn bij die e-mailwisselingen, maar ook omdat deze deskundigen bij gesprekken aanwezig waren en beslissingen ten aanzien van het interieurontwerp hebben genomen.
5.4.
Anders dan [partij B] stelt verliezen [partij A] hun status als consument niet doordat zij zich al dan niet hebben laten bijstaan door professionals. Nu geen sprake is van een koopovereenkomst en dus ook niet van consumentenkoop, kunnen [partij A] geen bescherming ontlenen aan de regels met betrekking tot consumentenkoop.
Het plaatmateriaal
5.5.
Een van de grootste geschilpunten tussen partijen betreft het overeengekomen plaatmateriaal: HPL of melamine. Tussen partijen is niet in geschil dat HPL ten opzichte van melamine een kwalitatief hoogwaardiger en duurder product is.
5.6.
[partij A] stellen dat partijen zijn overeengekomen dat voor alle door [partij B] te fabriceren meubelen HPL gebruikt zou worden. Zij baseren zich er daarbij op dat de getekende offerte, net als alle andere offertes en alle werkvoorbereidingen van [partij B] , zijn gebaseerd op de set tekeningen die [partij B] van Building Design heeft gekregen en waarin als te gebruiken materiaal HPL staat vermeld. De overeenkomst is dus gebaseerd op de tekeningen van Building Design, tenzij partijen daar uitdrukkelijk van zijn afgeweken. Van dat uitgangspunt zijn [partij A] nooit afgeweken en dat hebben ze zeker nooit bedoeld te doen. Op grond hiervan concluderen [partij A] dat al het meubilair in HPL uitgevoerd moet worden.
5.7.
[partij B] betwist dat partijen zijn overeengekomen dat enkel HPL zou worden gebruikt en wijst erop dat [partij A] niet hebben onderbouwd dat door [partij B] HPL is geoffreerd. [partij A] gaan er in de visie van [partij B] ten onrechte van uit dat in een offerte het materiaal zoals beschreven in het interieurontwerp overgenomen dient te worden. [partij B] stelt dat partijen het voor de meubels te gebruiken materiaal op kantoor bij [partij B] hebben besproken op 6 april 2022. Bij die gelegenheid stelt [partij B] het verschil tussen melamine en HPL te hebben uitgelegd, te hebben verteld dat het ongebruikelijk is om HPL te gebruiken in een interieur van een nieuwbouwwoning en dat HPL normaal gesproken wordt gebruikt in omgevingen waar interieurs meer te lijden hebben. Volgens [partij B] hebben [partij A] toen gekozen voor melamine in plaats van HPL om kosten te besparen en blijkt dat ook uit de daarop volgende correspondentie tussen partijen. Door vervolgens de tekeningen van [partij B] waarop melamine staat vermeld als te gebruiken materiaal goed te keuren, hebben [partij A] ingestemd met het gebruik van melamine, zo stelt [partij B] .
5.8.
[partij A] ontkennen dat partijen hebben gesproken over een materiaalkeuze en dat [partij B] het verschil tussen HPL en melamine heeft uitgelegd en zij betwisten dat zij hebben ingestemd met het gebruik van melamine.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat partijen met betrekking tot het te gebruiken materiaal van mening verschillen over wat zij zijn overeengekomen en of dat is nagekomen.
5.10.
Bij de uitleg van de overeenkomst komt het gelet op de Haviltexmaatstaf aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en op de zin die zij in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die verklaringen en de in die overeenkomst vervatte bedingen mochten toekennen. Daarbij kan mede van belangzijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht.
5.11.
De partij die zich op het rechtsgevolg van bepaalde feiten en omstandigheden beroept, moet deze stellen en (in geval van gemotiveerde betwisting) bewijzen. Nu [partij A] rechtsgevolgen verbinden aan de betwiste stelling dat [partij B] voor alle door haar te fabriceren meubels HPL zou gebruiken, ligt het op hun weg om die stelling te concreet te maken.
5.12.
[partij A] hebben zich als consumenten tot [partij B] in haar professionele hoedanigheid van interieurbouwer gewend. Vanuit dat perspectief moet worden beoordeeld wat [partij A] redelijkerwijs van [partij B] mocht verwachten.
5.13.
De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat Building Design in haar ontwerptekeningen is uitgegaan van het gebruik van HPL. Het ligt voor de hand dat een interieurbouwer bij het offreren naar aanleiding van een ontwerptekening van een interieurarchitect uitgaat van het in die ontwerptekening beschreven materiaal. Maar zoals [partij B] terecht heeft opgemerkt, verplicht is dat niet. De rechtbank gaat er vanuit dat Building Design HPL in haar ontwerp heeft opgenomen om tegemoet te komen aan de wens van
[partij A] om kwalitatief hoogwaardige en duurzame meubels aan te schaffen. Het ligt dan ook niet voor de hand dat [partij A] hebben ingestemd met minder hoogwaardig materiaal als melamine, zonder dat zij over de voor- en nadelen zijn voorgelicht.
5.14.
[partij A] ontkennen dat zij daarover door [partij B] zijn voorgelicht, terwijl [partij B] stelt dat zowel de kwalitatieve als de prijstechnische verschillen tussen HPL en melamine zijn besproken op 6 april 2022 en dat juist die uitleg voor [partij A]
reden is geweest om voornamelijk voor het gebruik van melamine te kiezen.
Dictum
De rechtbank
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 12 februari 2025 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht,
6.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158
Feiten
3.20.
Bij het plaatsen van de keukenbladen op 28 juli 2023 blijkt dat daarmee het keukenblok uitkomt op een hoogte van 105 cm. De bladen worden in verband met deze hoogte op verzoek van [partij A] niet geplaatst.
3.21.
Ter voorbereiding op een gesprek dat de dag erna zal plaatsvinden, stuurt [partij B] op 1 augustus 2023 aan [partij A] een e-mail over het verloop van het project en de problemen die zijn gesignaleerd als het gaat om (verschuivingen in) de planning, het meerwerk en de daaraan verbonden kosten, de personeelscapaciteit, het aanpassen van werktekeningen naar aanleiding van gewenste wijzigingen, het gebruikte plaatmateriaal en in dat verband kleurverschillen, het ladesysteem, de (keuken)bladen en de betaling van de facturen. [partij B] doet voorstellen om tot een oplossing te komen. Onderdelen waarvan partijen zijn overeengekomen dat die van HPL gemaakt zullen worden, zullen door [partij B] worden vervangen. [partij B] kondigt ook aan dat kosten voor correcties, kosten voortkomend uit de verschoven planning en extra werkzaamheden met een afzonderlijke factuur in rekening zullen worden gebracht en dienen te worden verrekend.
3.22.
[partij A] reageren in een e-mail van 10 augustus 2023 en stellen ontevreden zijn over de geboden oplossingen, omdat deze meestal extra kosten voor hun betekenen. Zij maken een opsomming van gebreken, afwijkingen van de opdracht en opleverpunten en stellen [partij B] de gelegenheid om die op te lossen voor 15 september 2023. Daarbij tekenen zij aan dat als [partij B] dit nalaat, zij de kosten in verband met de vertraging van de bouw en het niet in gebruik kunnen nemen van de meubelen aan [partij B] zullen doorberekenen en zij een derde zullen benaderen om de werkzaamheden alsnog uit te voeren. Op 17 augustus 2023 sturen [partij A] een herinnering met het verzoek uiterlijk de volgende dag te reageren.
3.23.
Op 18 augustus 2023 laat [partij B] weten dat zij tijdens het gesprek op 2 augustus 2023 al gezegd heeft dat het bedrijf vanaf week 32 drie weken gesloten is vanwege de bouwvak. Na terugkomst van vakantie is tijd nodig om inhoudelijk op de e-mail te kunnen reageren.
3.24.
Na ruggespraak met Technoplanning reageert [partij B] op 1 september 2023 richting [partij A] op de e-mail van 1 augustus 2023 en laat weten dat veel punten niet duidelijk zijn en nader onderzoek behoeven waarvoor het wellicht nodig is om in de woning af te spreken. [partij B] stelt te verwachten binnen 5 – 8 dagen inhoudelijk te kunnen reageren. Op 2 september 2023 laten [partij A] weten hun standpunten en de tot 15 september 2023 geboden termijn te handhaven.
3.25.
Op 9 september 2023 reageert [partij B] voor zover mogelijk puntsgewijs op de e-mail van 10 augustus 2023 en stelt daarbij dat de overige punten onderzocht dienen te worden en dat [partij B] daarvoor een afspraak wil maken. Vanwege het benodigde onderzoek is herstel voor 15 september 2023 niet mogelijk. Vergoeding van de door [partij A] genoemde extra kosten wijst [partij B] van de hand. Als bijlage stuurt [partij B] een van eveneens
9 september 2023 daterende factuur van € 30.106,72 mee voor extra gemaakte uren tekenen en werkvoorbereiding, montage en inmeten, verlies aan capaciteit na aftrek opvulling ander werk, bladen en legraboxen. Zolang geen overeenstemming is bereikt over betaling van de nog openstaande kosten, schort [partij B] de herstelwerkzaamheden op.
3.26.
Op 12 september 2024 wijzen [partij A] de verschuldigdheid van het bedrag in de factuur van 9 september 2023 de hand. Zij blijven bij het standpunt dat zij [partij B] een redelijke (herstel)termijn hebben gegeven. [partij A] nodigen [partij B] uit om op korte termijn in de woning onderzoek te komen doen naar de punten die voor [partij B] nog onduidelijk zijn.
3.27.
Op 16 oktober 2023 spreken partijen elkaar bij [partij A] over de lijst met punten. Partijen lopen de lijst na maar bereiken geen overeenstemming over de werkzaamheden die [partij B] zal gaan uitvoeren en of [partij A] daarvoor gaan betalen. Ook over de betaling van de factuur van 9 september 2023 bereiken partijen geen overeenstemming. Op 27 oktober 2023 handhaaft [partij B] de al eerder aangezegde opschorting van (het merendeel van de) werkzaamheden totdat [partij A] de openstaande factuur van 9 september 2023 en ook de factuur van de laatste termijnen en verrekende kosten betalen.
3.28.
Bij brief van 16 november 2023 van de advocaat van [partij A] wordt [partij B] nogmaals in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 7 dagen te bevestigen dat genoemde gebreken en afwijkingen worden hersteld conform de opdracht, waarbij concreet wordt aangegeven wanneer door wie en wat zal worden hersteld volgens een concreet plan van aanpak, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat indien [partij B] daartoe niet bereid is [partij A] zich genoodzaakt zien deze werkzaamheden door een derde te laten uitvoeren en de kosten daarvan op [partij B] te verhalen. Voorts wordt [partij B] aansprakelijk gesteld voor de door [partij A] geleden en nog te lijden schade. In deze brief wordt tevens uitvoerig ingegaan op de geschilpunten.
3.29.
De inmiddels door [partij B] ingeschakelde advocaat heeft bij brief van 6 december 2023 gereageerd, zowel op de geschilpunten als op de sommatie. [partij B] laat weten bereid te zijn om (herstel)werkzaamheden uit te voeren, als [partij A] de betaling van openstaande facturen in het vooruitzicht stellen. Als [partij A] binnen
7 dagen betalen, zal [partij B] de (herstel)werkzaamheden uitvoeren uiterlijk eind januari 2024 (mede gelet op de feestdagen en de vakantieperiode).
3.30.
Bij brief van 28 december 2023 betwist de advocaat van [partij A] (nogmaals) de verschuldigdheid van de factuur van 9 september 2023 en de slotfactuur van 5% van de aanneemsom omdat de werkzaamheden nog niet zijn afgerond. Betwist wordt ook dat [partij B] zijn werkzaamheden mag opschorten en gesteld wordt dat sprake is van schuldeisersverzuim. [partij B] wordt gewaarschuwd dat de weigering om nog werkzaamheden uit te voeren kan leiden tot ontbinding van de overeenkomst en tot een terugbetalingsverplichting van het tot dat moment betaalde bedrag van € 158.000,- met rente en tot een verplichting tot vergoeding van aanvullende schade die wordt begroot op ongeveer € 100.000,-. [partij A] stellen voor gezamenlijke een deskundige in te schakelen.
3.31.
De advocaat die het dossier van zijn collega heeft overgenomen, reageert namens [partij B] bij e-mail van 1 februari 2024 en laat weten dat [partij B] uit coulance, zonder erkenning van aansprakelijkheid, een aantal specifiek benoemde punten op (zeer) korte termijn wil oplossen. Met betrekking tot de overige punten stelt [partij B] voor om in een parallel met het uitvoeren van voornoemde herstelwerkzaamheden verlopend traject een gezamenlijke deskundige in te schakelen en deze te laten beoordelen (a) of de werkzaamheden conform overeenkomst zijn uitgevoerd en (b) of de uitgevoerde werkzaamheden voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
Namens [partij B] wordt voorgesteld dat, nadat [partij B] op basis van het deskundigenrapport noodzakelijke geachte herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, dus op het moment dat de feitelijke samenwerking tussen partijen zal zijn beëindigd, tussen partijen zal worden besproken welke kosten als gevolg van uitgevoerde wijzigingen ten aanzien van het ontwerp en de overeenkomst voor wiens rekening dienen te komen. Als partijen niet uit deze "papieren" discussie komen, dan kan daarover zo nodig een procedure bij de rechtbank worden gevoerd.
3.32.
Bij brief van 15 februari 2024 ontbinden [partij A] vervolgens de overeenkomst met [partij B] .
Geschil
[partij B] concludeert [partij A] in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hun vorderingen te ontzeggen met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[partij B] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen het bedrag van de meerwerkfactuur van 9 september 2023, zijnde een bedrag van € 30.106,72, te vermeerderen met de in de algemene offerte-, leverings- en betalingsvoorwaarden van [partij B] overeengekomen rentevergoeding van 1% van het factuurbedrag voor iedere maand of elk gedeelte van een maand, waarmee de vervaldag wordt overschreden, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
II.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 1.076,07 zijnde de buitengerechtelijke incassokosten, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
III.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 24.736,35, bestaande uit de schade die Technoplanning heeft geleden en zal verhalen op [partij B] , bestaande uit het bedrag van
€ 20.443,27, vermeerderd met BTW, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan
IV.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 8.954,66, bestaande uit de uiteengezette uren van [partij B] maal het arbeidsloon, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan.
V.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 88.504,00, bestaande uit de door [partij B] misgelopen omzet, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan.
VI.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 3.071,00 zijnde de kosten van juridische bijstand en advies voorafgaand aan de procedure, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
VII.
[partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] van de kosten van deze procedure, waaronder uitdrukkelijk begrepen het salaris van de gemachtigde van [partij B] , en de nakosten, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan.
4.5.
[partij A] voeren verweer. [partij A] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten en de nakosten van deze procedure, zo nodig te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.15.
Om te beoordelen wie op dit punt gelijk heeft, is onder meer de correspondentie die daarna tussen partijen heeft plaatsgevonden van belang.
5.16.
Het eerste mailcontact na het gesprek van 6 april 2022 vindt plaats op 20 april 2022.
[partij B] mailt dan:
‘Hierbij de aangepaste offerte zoals besproken, tevens zijn alle extra onderdelen voor de bovenverdieping toegevoegd.
Paar opmerkingen:
- De gewijzigde Decolegno structuur 'Italian Stone is niet te koop in melamine, dus het wordt duurder omdat alles in HPL moet (deels dubbelzijdig geplakt, deels met backing) (…)’.
[partij A] leggen de nadruk op de woorden ‘omdat alles in HPL moet’ en zien mede daarin een onderbouwing van hun stelling dat het gebruik van HPL is overeengekomen. [partij B] wijst erop dat als op 6 april 2022 niet gesproken zou zijn over het gebruik van HPL en melamine, [partij A] gereageerd zouden hebben op deze zinsnede als zij zich er niet in zouden kunnen vinden. Dit baseert [partij B] op de werkwijze van [partij A] die zich in haar visie gedurende het gehele project kenmerkt door een uitgebreide wijze van communiceren.
5.17.
Op grond van het feit dat in de email van 20 april 2022 onder verwijzing naar het gesprek tussen partijen eerder die maand het materiaal melamine ter sprake komt, acht de rechtbank de stelling van [partij A] dat het gebruik van melamine en het verschil tussen melamine en HPL op 6 april 2022 niet aan de orde is geweest, onhoudbaar. Daarnaast duidt het feit dat in de email staat dat de kleur Italian Stone niet verkrijgbaar is in melamine erop dat, zoals [partij B] ook stelt, [partij A] hebben gekozen om de meubels grotendeels van melamine te laten maken. De omstandigheid dat de door hun gewenste kleur niet in dat materiaal verkrijgbaar is rechtvaardigt en verklaart daarom dat [partij B] hen in de mail waarschuwt voor een prijsstijging als wordt vastgehouden aan de gewenste kleur en uitvoering als gevolg daarvan in HPL in plaats van melamine moet plaatsvinden. Deze uitleg is ook in lijn met de bijgevoegde offerte, waarin het gebruik van het materiaal HPL enkel op specifiek benoemde onderdelen, te weten plinten en passtroken is opgenomen. Ook in de orderbevestiging is enkel waar het gaat om plinten en passtroken en het blad van het bureau specifiek het gebruik van HPL vermeld. Gelet op de door [partij B] beschreven werkwijze van [partij A] , die ook de rechtbank in het gehele dossier terugziet en waaruit blijkt dat zij het proces nauwlettend volgen en uitgebreid communiceren, waarbij zij vragen stellen die opkomen en opmerkingen plaatsen als zij het ergens niet mee eens zijn, hecht de rechtbank waarde aan zowel de omstandigheid dat de door [partij B] gegeven uitleg past in de gehele context, als aan de omstandigheid dat
[partij A] niet hebben gereageerd.
5.18.
De rechtbank stelt vast dat in alle offertes en dus ook in de ondertekende offerte, in afwijking van de ontwerptekeningen van Building Design, melamine is geoffreerd tenzij expliciet HPL staat vermeld. Daarmee is ook in lijn dat [partij B] geen prijsverlaging heeft doorgevoerd in verband met het gebruik van melamine in plaats van HPL. Met het offreren van melamine is [partij B] afgeweken van het ontwerp van Building Design. De rechtbank acht het aannemelijk dat de door [partij B] toegelichte prijs-kwaliteitverhouding bij [partij A] de doorslag hebben gegeven om op 6 april 2022 voor melamine te kiezen.
5.19.
Dat er uiteindelijk niet enkel gekozen is voor HPL conform het ontwerp van Building Design, maar (grotendeels) voor melamine, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit een email die [partij A] op 1 november 2022 naar [partij B] hebben gestuurd. Daarin staat, voor zover hier van belang:
‘Hierbij onze opmerkingen op het vaste interieur.
Wij zien dat de materiaal / plaatkeuzes zijn overgenomen van de tekening van Building Design, maar er zijn wat wijzigingen geweest zoals ook doorgesproken bij jullie op kantoor. Deze wijzigingen staan in de opdracht maar lijken niet correct te zijn verwerkt in de tekeningen. We hebben [naam 2] ook op copy gezet om te bevestigen dat onderstaande materialen nu wel kloppen’.
5.20.
Naar aanleiding van de email van 1 november 2022 past [partij B] op 8 november 2022 de werktekeningen aan en stuurt die op 22 november 2022 aan [partij A] : daar waar in de werktekeningen van 26 oktober 2022 voor de plinten, passtroken, de fronten en de zichtpanelen van het badkamermeubel, de hoge kasten en de toiletmeubels nog HPL staat vermeld, terwijl bij de rest van die meubelen SPPL Gem staat, is dat naar aanleiding van de email van [partij A] aangepast op de tekeningen van
8 november 2022. In die werktekeningen staat HPL enkel vermeld voor het werkblad bureau studeerkamer en de plinten, fronten en zichtpanelen in de bijkeuken, voor het fabriceren waarvan inmiddels een aanvullende opdracht aan [partij B] was verstrekt. Bij alle overige meubelen staat SPPL Gem vermeld.
5.21.
Op 5 december 2022 stellen [partij A] het materiaalgebruik expliciet aan de orde (zwarte tekst), daarop reageert [partij B] op 7 december 2022 (rode tekst), waarop [partij A] nog een keer reageren op 13 december 2022 (blauw):
[afbeelding]
Na nog twee rondes waarin aangepaste werktekeningen van [partij B] worden toegezonden, en na de onder 3.12 vermelde correspondentie, waarin zowel het materiaal al de kleur aan de orde komt en waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat het gebruik van melamine uitgangspunt is, volgen op 3 mei 2023 de definitieve werktekeningen van niet alleen meubels waarvoor oorspronkelijk al opdracht was gegeven, maar ook voor een aantal meubels waarvoor een aanvullende opdracht is verstrekt. Op de definitieve werktekeningen staat dat alle meubelen gemaakt zullen worden van SPPL Gem met uitzondering van het bureaublad in de werkkamer en de fronten, zichtpanelen en plinten in de bijkeuken.
5.22.
Op 6 mei 2023 geven [partij A] akkoord gegeven op die tekeningen, met een aantal opmerkingen, die geen betrekking hebben op het te gebruiken materiaal.
5.23.
De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat [partij A] hun stelling dat enkel het gebruik van HPL is overeengekomen in het licht van de gemotiveerde betwisting van [partij B] onvoldoende hebben onderbouwd. Vanwege de manier waarop [partij A] het hele proces minutieus hebben gemonitord en de manier waarop zij over van alles hebben gecommuniceerd, ziet de rechtbank in het feit dat zij pas meer concrete vragen zijn gaan stellen over het gebruikte materiaal op het moment dat zij in augustus 2023 kleurverschil bemerkten in het gebruikte plaatmateriaal een aanwijzing dat zij wel degelijk wisten dat het plaatmateriaal melamine in de werktekeningen werd aangeduid met SPPL Gem (gemelamineerd). Maar ook indien dit niet het geval is geweest, dan heeft [partij B] juist vanwege het feit dat [partij A] niet schroomden om bij onduidelijkheden vragen te stellen, erop mogen vertrouwen dat zij wisten waar SPPL Gem voor staat en mogen verwachten dat zij anders al op een eerder moment dan na het plaatsen van de meubelen (meer) vragen hadden gesteld over het gebruik van de term SPPL Gem of [partij B] erop hadden gewezen dat hun daarover gestelde vragen (bijvoorbeeld in de mail van 7 december 2022) nog niet naar behoren waren beantwoord. Die term is immers al vanaf het begin af aan in de werktekeningen van [partij B] opgenomen is geweest.
Feiten
3.20.
Bij het plaatsen van de keukenbladen op 28 juli 2023 blijkt dat daarmee het keukenblok uitkomt op een hoogte van 105 cm. De bladen worden in verband met deze hoogte op verzoek van [partij A] niet geplaatst.
3.21.
Ter voorbereiding op een gesprek dat de dag erna zal plaatsvinden, stuurt [partij B] op 1 augustus 2023 aan [partij A] een e-mail over het verloop van het project en de problemen die zijn gesignaleerd als het gaat om (verschuivingen in) de planning, het meerwerk en de daaraan verbonden kosten, de personeelscapaciteit, het aanpassen van werktekeningen naar aanleiding van gewenste wijzigingen, het gebruikte plaatmateriaal en in dat verband kleurverschillen, het ladesysteem, de (keuken)bladen en de betaling van de facturen. [partij B] doet voorstellen om tot een oplossing te komen. Onderdelen waarvan partijen zijn overeengekomen dat die van HPL gemaakt zullen worden, zullen door [partij B] worden vervangen. [partij B] kondigt ook aan dat kosten voor correcties, kosten voortkomend uit de verschoven planning en extra werkzaamheden met een afzonderlijke factuur in rekening zullen worden gebracht en dienen te worden verrekend.
3.22.
[partij A] reageren in een e-mail van 10 augustus 2023 en stellen ontevreden zijn over de geboden oplossingen, omdat deze meestal extra kosten voor hun betekenen. Zij maken een opsomming van gebreken, afwijkingen van de opdracht en opleverpunten en stellen [partij B] de gelegenheid om die op te lossen voor 15 september 2023. Daarbij tekenen zij aan dat als [partij B] dit nalaat, zij de kosten in verband met de vertraging van de bouw en het niet in gebruik kunnen nemen van de meubelen aan [partij B] zullen doorberekenen en zij een derde zullen benaderen om de werkzaamheden alsnog uit te voeren. Op 17 augustus 2023 sturen [partij A] een herinnering met het verzoek uiterlijk de volgende dag te reageren.
3.23.
Op 18 augustus 2023 laat [partij B] weten dat zij tijdens het gesprek op 2 augustus 2023 al gezegd heeft dat het bedrijf vanaf week 32 drie weken gesloten is vanwege de bouwvak. Na terugkomst van vakantie is tijd nodig om inhoudelijk op de e-mail te kunnen reageren.
3.24.
Na ruggespraak met Technoplanning reageert [partij B] op 1 september 2023 richting [partij A] op de e-mail van 1 augustus 2023 en laat weten dat veel punten niet duidelijk zijn en nader onderzoek behoeven waarvoor het wellicht nodig is om in de woning af te spreken. [partij B] stelt te verwachten binnen 5 – 8 dagen inhoudelijk te kunnen reageren. Op 2 september 2023 laten [partij A] weten hun standpunten en de tot 15 september 2023 geboden termijn te handhaven.
3.25.
Op 9 september 2023 reageert [partij B] voor zover mogelijk puntsgewijs op de e-mail van 10 augustus 2023 en stelt daarbij dat de overige punten onderzocht dienen te worden en dat [partij B] daarvoor een afspraak wil maken. Vanwege het benodigde onderzoek is herstel voor 15 september 2023 niet mogelijk. Vergoeding van de door [partij A] genoemde extra kosten wijst [partij B] van de hand. Als bijlage stuurt [partij B] een van eveneens
9 september 2023 daterende factuur van € 30.106,72 mee voor extra gemaakte uren tekenen en werkvoorbereiding, montage en inmeten, verlies aan capaciteit na aftrek opvulling ander werk, bladen en legraboxen. Zolang geen overeenstemming is bereikt over betaling van de nog openstaande kosten, schort [partij B] de herstelwerkzaamheden op.
3.26.
Op 12 september 2024 wijzen [partij A] de verschuldigdheid van het bedrag in de factuur van 9 september 2023 de hand. Zij blijven bij het standpunt dat zij [partij B] een redelijke (herstel)termijn hebben gegeven. [partij A] nodigen [partij B] uit om op korte termijn in de woning onderzoek te komen doen naar de punten die voor [partij B] nog onduidelijk zijn.
3.27.
Op 16 oktober 2023 spreken partijen elkaar bij [partij A] over de lijst met punten. Partijen lopen de lijst na maar bereiken geen overeenstemming over de werkzaamheden die [partij B] zal gaan uitvoeren en of [partij A] daarvoor gaan betalen. Ook over de betaling van de factuur van 9 september 2023 bereiken partijen geen overeenstemming. Op 27 oktober 2023 handhaaft [partij B] de al eerder aangezegde opschorting van (het merendeel van de) werkzaamheden totdat [partij A] de openstaande factuur van 9 september 2023 en ook de factuur van de laatste termijnen en verrekende kosten betalen.
3.28.
Bij brief van 16 november 2023 van de advocaat van [partij A] wordt [partij B] nogmaals in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen 7 dagen te bevestigen dat genoemde gebreken en afwijkingen worden hersteld conform de opdracht, waarbij concreet wordt aangegeven wanneer door wie en wat zal worden hersteld volgens een concreet plan van aanpak, waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld dat indien [partij B] daartoe niet bereid is [partij A] zich genoodzaakt zien deze werkzaamheden door een derde te laten uitvoeren en de kosten daarvan op [partij B] te verhalen. Voorts wordt [partij B] aansprakelijk gesteld voor de door [partij A] geleden en nog te lijden schade. In deze brief wordt tevens uitvoerig ingegaan op de geschilpunten.
3.29.
De inmiddels door [partij B] ingeschakelde advocaat heeft bij brief van 6 december 2023 gereageerd, zowel op de geschilpunten als op de sommatie. [partij B] laat weten bereid te zijn om (herstel)werkzaamheden uit te voeren, als [partij A] de betaling van openstaande facturen in het vooruitzicht stellen. Als [partij A] binnen
7 dagen betalen, zal [partij B] de (herstel)werkzaamheden uitvoeren uiterlijk eind januari 2024 (mede gelet op de feestdagen en de vakantieperiode).
3.30.
Bij brief van 28 december 2023 betwist de advocaat van [partij A] (nogmaals) de verschuldigdheid van de factuur van 9 september 2023 en de slotfactuur van 5% van de aanneemsom omdat de werkzaamheden nog niet zijn afgerond. Betwist wordt ook dat [partij B] zijn werkzaamheden mag opschorten en gesteld wordt dat sprake is van schuldeisersverzuim. [partij B] wordt gewaarschuwd dat de weigering om nog werkzaamheden uit te voeren kan leiden tot ontbinding van de overeenkomst en tot een terugbetalingsverplichting van het tot dat moment betaalde bedrag van € 158.000,- met rente en tot een verplichting tot vergoeding van aanvullende schade die wordt begroot op ongeveer € 100.000,-. [partij A] stellen voor gezamenlijke een deskundige in te schakelen.
3.31.
De advocaat die het dossier van zijn collega heeft overgenomen, reageert namens [partij B] bij e-mail van 1 februari 2024 en laat weten dat [partij B] uit coulance, zonder erkenning van aansprakelijkheid, een aantal specifiek benoemde punten op (zeer) korte termijn wil oplossen. Met betrekking tot de overige punten stelt [partij B] voor om in een parallel met het uitvoeren van voornoemde herstelwerkzaamheden verlopend traject een gezamenlijke deskundige in te schakelen en deze te laten beoordelen (a) of de werkzaamheden conform overeenkomst zijn uitgevoerd en (b) of de uitgevoerde werkzaamheden voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk.
Namens [partij B] wordt voorgesteld dat, nadat [partij B] op basis van het deskundigenrapport noodzakelijke geachte herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, dus op het moment dat de feitelijke samenwerking tussen partijen zal zijn beëindigd, tussen partijen zal worden besproken welke kosten als gevolg van uitgevoerde wijzigingen ten aanzien van het ontwerp en de overeenkomst voor wiens rekening dienen te komen. Als partijen niet uit deze "papieren" discussie komen, dan kan daarover zo nodig een procedure bij de rechtbank worden gevoerd.
3.32.
Bij brief van 15 februari 2024 ontbinden [partij A] vervolgens de overeenkomst met [partij B] .
Geschil
[partij B] concludeert [partij A] in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hun vorderingen te ontzeggen met veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[partij B] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen het bedrag van de meerwerkfactuur van 9 september 2023, zijnde een bedrag van € 30.106,72, te vermeerderen met de in de algemene offerte-, leverings- en betalingsvoorwaarden van [partij B] overeengekomen rentevergoeding van 1% van het factuurbedrag voor iedere maand of elk gedeelte van een maand, waarmee de vervaldag wordt overschreden, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
II.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 1.076,07 zijnde de buitengerechtelijke incassokosten, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
III.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 24.736,35, bestaande uit de schade die Technoplanning heeft geleden en zal verhalen op [partij B] , bestaande uit het bedrag van
€ 20.443,27, vermeerderd met BTW, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan
IV.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 8.954,66, bestaande uit de uiteengezette uren van [partij B] maal het arbeidsloon, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan.
V.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 88.504,00, bestaande uit de door [partij B] misgelopen omzet, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeend te behoren, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan.
VI.
[partij A] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [partij B] te voldoen een bedrag van € 3.071,00 zijnde de kosten van juridische bijstand en advies voorafgaand aan de procedure, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
VII.
[partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] van de kosten van deze procedure, waaronder uitdrukkelijk begrepen het salaris van de gemachtigde van [partij B] , en de nakosten, vermeerderd met de in artikel 119 van boek 6 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis, indien en voor zover mogelijk niet binnen te termijn zijn voldaan.
4.5.
[partij A] voeren verweer. [partij A] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten en de nakosten van deze procedure, zo nodig te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.15.
Om te beoordelen wie op dit punt gelijk heeft, is onder meer de correspondentie die daarna tussen partijen heeft plaatsgevonden van belang.
5.16.
Het eerste mailcontact na het gesprek van 6 april 2022 vindt plaats op 20 april 2022.
[partij B] mailt dan:
‘Hierbij de aangepaste offerte zoals besproken, tevens zijn alle extra onderdelen voor de bovenverdieping toegevoegd.
Paar opmerkingen:
- De gewijzigde Decolegno structuur 'Italian Stone is niet te koop in melamine, dus het wordt duurder omdat alles in HPL moet (deels dubbelzijdig geplakt, deels met backing) (…)’.
[partij A] leggen de nadruk op de woorden ‘omdat alles in HPL moet’ en zien mede daarin een onderbouwing van hun stelling dat het gebruik van HPL is overeengekomen. [partij B] wijst erop dat als op 6 april 2022 niet gesproken zou zijn over het gebruik van HPL en melamine, [partij A] gereageerd zouden hebben op deze zinsnede als zij zich er niet in zouden kunnen vinden. Dit baseert [partij B] op de werkwijze van [partij A] die zich in haar visie gedurende het gehele project kenmerkt door een uitgebreide wijze van communiceren.
5.17.
Op grond van het feit dat in de email van 20 april 2022 onder verwijzing naar het gesprek tussen partijen eerder die maand het materiaal melamine ter sprake komt, acht de rechtbank de stelling van [partij A] dat het gebruik van melamine en het verschil tussen melamine en HPL op 6 april 2022 niet aan de orde is geweest, onhoudbaar. Daarnaast duidt het feit dat in de email staat dat de kleur Italian Stone niet verkrijgbaar is in melamine erop dat, zoals [partij B] ook stelt, [partij A] hebben gekozen om de meubels grotendeels van melamine te laten maken. De omstandigheid dat de door hun gewenste kleur niet in dat materiaal verkrijgbaar is rechtvaardigt en verklaart daarom dat [partij B] hen in de mail waarschuwt voor een prijsstijging als wordt vastgehouden aan de gewenste kleur en uitvoering als gevolg daarvan in HPL in plaats van melamine moet plaatsvinden. Deze uitleg is ook in lijn met de bijgevoegde offerte, waarin het gebruik van het materiaal HPL enkel op specifiek benoemde onderdelen, te weten plinten en passtroken is opgenomen. Ook in de orderbevestiging is enkel waar het gaat om plinten en passtroken en het blad van het bureau specifiek het gebruik van HPL vermeld. Gelet op de door [partij B] beschreven werkwijze van [partij A] , die ook de rechtbank in het gehele dossier terugziet en waaruit blijkt dat zij het proces nauwlettend volgen en uitgebreid communiceren, waarbij zij vragen stellen die opkomen en opmerkingen plaatsen als zij het ergens niet mee eens zijn, hecht de rechtbank waarde aan zowel de omstandigheid dat de door [partij B] gegeven uitleg past in de gehele context, als aan de omstandigheid dat
[partij A] niet hebben gereageerd.
5.18.
De rechtbank stelt vast dat in alle offertes en dus ook in de ondertekende offerte, in afwijking van de ontwerptekeningen van Building Design, melamine is geoffreerd tenzij expliciet HPL staat vermeld. Daarmee is ook in lijn dat [partij B] geen prijsverlaging heeft doorgevoerd in verband met het gebruik van melamine in plaats van HPL. Met het offreren van melamine is [partij B] afgeweken van het ontwerp van Building Design. De rechtbank acht het aannemelijk dat de door [partij B] toegelichte prijs-kwaliteitverhouding bij [partij A] de doorslag hebben gegeven om op 6 april 2022 voor melamine te kiezen.
5.19.
Dat er uiteindelijk niet enkel gekozen is voor HPL conform het ontwerp van Building Design, maar (grotendeels) voor melamine, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit een email die [partij A] op 1 november 2022 naar [partij B] hebben gestuurd. Daarin staat, voor zover hier van belang:
‘Hierbij onze opmerkingen op het vaste interieur.
Wij zien dat de materiaal / plaatkeuzes zijn overgenomen van de tekening van Building Design, maar er zijn wat wijzigingen geweest zoals ook doorgesproken bij jullie op kantoor. Deze wijzigingen staan in de opdracht maar lijken niet correct te zijn verwerkt in de tekeningen. We hebben [naam 2] ook op copy gezet om te bevestigen dat onderstaande materialen nu wel kloppen’.
5.20.
Naar aanleiding van de email van 1 november 2022 past [partij B] op 8 november 2022 de werktekeningen aan en stuurt die op 22 november 2022 aan [partij A] : daar waar in de werktekeningen van 26 oktober 2022 voor de plinten, passtroken, de fronten en de zichtpanelen van het badkamermeubel, de hoge kasten en de toiletmeubels nog HPL staat vermeld, terwijl bij de rest van die meubelen SPPL Gem staat, is dat naar aanleiding van de email van [partij A] aangepast op de tekeningen van
8 november 2022. In die werktekeningen staat HPL enkel vermeld voor het werkblad bureau studeerkamer en de plinten, fronten en zichtpanelen in de bijkeuken, voor het fabriceren waarvan inmiddels een aanvullende opdracht aan [partij B] was verstrekt. Bij alle overige meubelen staat SPPL Gem vermeld.
5.21.
Op 5 december 2022 stellen [partij A] het materiaalgebruik expliciet aan de orde (zwarte tekst), daarop reageert [partij B] op 7 december 2022 (rode tekst), waarop [partij A] nog een keer reageren op 13 december 2022 (blauw):
[afbeelding]
Na nog twee rondes waarin aangepaste werktekeningen van [partij B] worden toegezonden, en na de onder 3.12 vermelde correspondentie, waarin zowel het materiaal al de kleur aan de orde komt en waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat het gebruik van melamine uitgangspunt is, volgen op 3 mei 2023 de definitieve werktekeningen van niet alleen meubels waarvoor oorspronkelijk al opdracht was gegeven, maar ook voor een aantal meubels waarvoor een aanvullende opdracht is verstrekt. Op de definitieve werktekeningen staat dat alle meubelen gemaakt zullen worden van SPPL Gem met uitzondering van het bureaublad in de werkkamer en de fronten, zichtpanelen en plinten in de bijkeuken.
5.22.
Op 6 mei 2023 geven [partij A] akkoord gegeven op die tekeningen, met een aantal opmerkingen, die geen betrekking hebben op het te gebruiken materiaal.
5.23.
De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat [partij A] hun stelling dat enkel het gebruik van HPL is overeengekomen in het licht van de gemotiveerde betwisting van [partij B] onvoldoende hebben onderbouwd. Vanwege de manier waarop [partij A] het hele proces minutieus hebben gemonitord en de manier waarop zij over van alles hebben gecommuniceerd, ziet de rechtbank in het feit dat zij pas meer concrete vragen zijn gaan stellen over het gebruikte materiaal op het moment dat zij in augustus 2023 kleurverschil bemerkten in het gebruikte plaatmateriaal een aanwijzing dat zij wel degelijk wisten dat het plaatmateriaal melamine in de werktekeningen werd aangeduid met SPPL Gem (gemelamineerd). Maar ook indien dit niet het geval is geweest, dan heeft [partij B] juist vanwege het feit dat [partij A] niet schroomden om bij onduidelijkheden vragen te stellen, erop mogen vertrouwen dat zij wisten waar SPPL Gem voor staat en mogen verwachten dat zij anders al op een eerder moment dan na het plaatsen van de meubelen (meer) vragen hadden gesteld over het gebruik van de term SPPL Gem of [partij B] erop hadden gewezen dat hun daarover gestelde vragen (bijvoorbeeld in de mail van 7 december 2022) nog niet naar behoren waren beantwoord. Die term is immers al vanaf het begin af aan in de werktekeningen van [partij B] opgenomen is geweest.
Beoordeling
Nu [partij A] dat niet hebben gedaan en akkoord zijn gegaan met de definitieve werktekeningen waarin net name SPPL Gem als te gebruiken plaatmateriaal staat vermeld, dient dit voor hun rekening en risico te komen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [partij A] door het geven van hun akkoord op 6 mei 2023 ingestemd met het op de definitieve werktekeningen vermelde materiaal, meestal dus met het gebruik van melamine.
5.24.
Uit het feit dat in verschillende stadia van het proces HPL samples zijn ontvangen, kan gelet op de hiervoor beschreven uitkomsten van het werkoverleg tussen partijen, niet worden afgeleid dat het gebruik van enkel dat materiaal is overeengekomen. Dat [partij B] in de persoon van een ex-werknemer de toezegging heeft gedaan om vochtwerend materiaal in alle ruimtes op te nemen kan, anders dan [partij A] stellen, niet worden afgeleid uit hun eigen email van 13 december 2022, zoals (blauw) weergegeven onder 5.21.
5.25.
De rechtbank is van oordeel [partij B] heeft gedaan wat van haar als de professional in haar relatie met [partij A] mag worden verwacht. [partij B] heeft [partij A] in voldoende mate voorgelicht en gewaarschuwd om hen zo in staat te stellen een weloverwogen materiaalkeus te maken. Daarbij is zowel rekening gehouden met wat gebruikelijk is in interieurbouw in woningen als met de budgettaire wensen van
[partij A] en hun wens om kwalitatief hoogwaardig en meubilair met een luxe uitstraling en een lange levensduur aan te schaffen. Uit onder meer de correspondentie zoals verwoord in 3.12 blijkt dat [partij A] zowel het materiaal al de kleur hebben laten meewegen in hun definitief op 6 mei 2023 gemaakte keus.
De gebreken – ontbinding
5.26.
Een ander twistpunt is of [partij B] zijn werk deugdelijk heeft uitgevoerd, of dat [partij A] gelijk hebben als zij stellen dat het werk slecht is gedaan en er daardoor schade is ontstaan.
5.27.
[partij A] stellen dat [partij B] het werk zodanig slecht heeft uitgevoerd en bovendien na ingebrekestelling niet bereid was tot herstel, dat zij de overeenkomst mochten ontbinden.
5.28.
De rechtbank overweegt dat pas beoordeeld kan worden of [partij A]
de overeenkomst mochten ontbinden, als de gestelde gebreken zijn beoordeeld en dus vast staat of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming (artikel 6:265 BW).
Gebreken - beoordeling
5.29.
Volgens [partij A] heeft [partij B] het werk gebrekkig uitgevoerd. De rechtbank kan niet zelf beoordelen of [partij B] het werk gebrekkig heeft uitgevoerd omdat de expertise daarvoor ontbreekt. De rechtbank is daarom van plan om een deskundige te benoemen om die vraag te beantwoorden. De schade die volgens [partij A] voortvloeit uit het gebrekkige werk, kan worden onderverdeeld in een aantal onderdelen. De rechtbank zal deze hierna bespreken.
HPL versus melamine
5.30.
Gelet op wat hiervoor reeds over het materiaalgebruik en de kleurstelling is overwogen kan enkel nog aan de orde komen dat [partij A] stellen dat de melamineplaten nu al kaal en wit uitgeslagen ogen.
5.31.
De rechtbank stelt voor de volgende vragen aan de deskundige te stellen.
kunt u de staat van het melamine plaatmateriaal beoordelen en te kennen geven of de staat van het plaatmateriaal anders is dan je gezien de leeftijd ervan mag verwachten?
kunt u vaststellen waar dat aan ligt en of het is veroorzaakt door gebrekkig werk van [partij B] ?
Hoogte aanrecht
5.32.
[partij A] stellen dat in de eerste tekening van [partij B] conform het ontwerp van Building Design een hoogte van het aanrecht van 95 cm is opgenomen. Op
5 december 2022 verzoeken [partij A] aan de hand van een bijgevoegde detailtekening van de architect om aanpassing van een detail. Op 5 december 2022 mailen [partij A] aan [partij B] (zwart), waarop [partij B] op 7 december 2022 reageert (rood), waarna [partij A] op 13 december 2022 nog een aanvullende vraag stellen: (blauw)
[afbeelding]
[afbeelding]
5.33.
[partij B] heeft op 7 december 2022, conform de van [partij A] verkregen detailtekening, haar tekening aangepast en daarbij de opmerking geplaatst: ‘Bovenkant aanrecht wordt bepaald door detail V05a van de architect, ca 97.5 cm + vloerpeil (maat in het werk te controleren)’. Op de definitieve tekening is een hoogte van 105 cm gegeven. [partij A] hebben hun akkoord op die tekening gegeven.
5.34.
[partij B] verschuilt zich volgens [partij A] ten onrechte achter de eigen fouten in tekeningen en metingen. [partij A] stellen naar beste kunnen fouten uit de tekening te hebben gehaald, maar stellen niet verantwoordelijk te zijn voor fouten die in de tekening zijn blijven staan, zoals bij de hoogte van het aanrecht, terwijl [partij B] uitdrukkelijk heeft bevestigd dat hij deze zou stellen op 97,5 cm. De nu doorgevoerde hoogte van het keukenblok is in de visie van [partij A] zeer ongebruikelijk, onhandig, niet logisch is en te hoog, zeker voor hun kinderen, waarvan de jongste 8 jaar is. Zij zien zich daarin gesteund door [naam 6], een door hun ingeschakelde deskundige. Bovendien komt het aanrecht nu boven het raamkozijn uit. [partij B] heeft een zorgplicht bij de uitvoering van de overeenkomst. [partij B] dient volgens [partij A] tekeningen te maken die aansluiten bij de opdracht. Als [partij B] wel was ingegaan op het verzoek van 13 december 2022 om een detailtekening aan te leveren, was de fout waarschijnlijk aan het licht gekomen. [partij B] had dit ook moeten constateren bij de voorbereiding in de uitvoering en dit met [partij A] moeten bespreken en hen moeten waarschuwen, in het kader van de op [partij B] rustende zorgplicht. Op grond van die zorgplicht moet [partij B] immers waarschuwen wanneer iets niet past en/of er sprake is van erg ongebruikelijke/onhandige toepassingen.
5.35.
[partij B] wijst erop dat [partij A] menen dat de door hen doorgevoerde aanpassing van een detail in de keuken (hoogte aanrechtblad) duidelijk is. [partij B] wijst er ook op dat zij het detail conform de wens van [partij A] heeft aangepast, dat zij de aangepaste tekening ter goedkeuring heeft voorgelegd, dat [partij A] goedkeuring hebben verleend en dat [partij B] conform de goedgekeurde tekening het detail heeft aangepast. De huidige hoogte van het aanrechtblad is volgens [partij B] geen ongebruikelijke hoogte, gezien de lengte van [partij A] . Daarbij wijst [partij B] erop dat De Keukenconcurrent, onderdeel van de Mandemakersgroep, de grootste partij in Nederland op het gebied van het realiseren van keukens, over de hoogte van het aanrechtblad aan geeft dat als de personen waar de keuken voor wordt gemaakt tussen de 175 cm en 185 cm lang zijn, dat dan een hoogte van het aanrechtblad van 100 cm en 110 centimeter een goede hoogte is.
5.36.
De rechtbank stelt voor de volgende vragen aan de deskundige te stellen:
Is op grond van het door [partij A] op 5 december 2022 toegestuurde detail van de architect in samenhang met de opmerking daarbij eenduidig aan te geven op welke hoogte het keukenblad zou komen? Zo ja, welke hoogte dan?
Is een hoogte van 105 cm ongebruikelijk en als dit het geval is, levert dat een gebrek op?
Levert het feit dat een aanrechtblad boven een raamkozijn uitkomt een gebrek op?
Andere herstelpunten dan wel gebreken
5.37.
In randnummer 27 van de dagvaarding maken [partij A] een opsomming van wat in hun visie herstelpunten dan wel gebreken zijn.
Beoordeling
Nu [partij A] dat niet hebben gedaan en akkoord zijn gegaan met de definitieve werktekeningen waarin net name SPPL Gem als te gebruiken plaatmateriaal staat vermeld, dient dit voor hun rekening en risico te komen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [partij A] door het geven van hun akkoord op 6 mei 2023 ingestemd met het op de definitieve werktekeningen vermelde materiaal, meestal dus met het gebruik van melamine.
5.24.
Uit het feit dat in verschillende stadia van het proces HPL samples zijn ontvangen, kan gelet op de hiervoor beschreven uitkomsten van het werkoverleg tussen partijen, niet worden afgeleid dat het gebruik van enkel dat materiaal is overeengekomen. Dat [partij B] in de persoon van een ex-werknemer de toezegging heeft gedaan om vochtwerend materiaal in alle ruimtes op te nemen kan, anders dan [partij A] stellen, niet worden afgeleid uit hun eigen email van 13 december 2022, zoals (blauw) weergegeven onder 5.21.
5.25.
De rechtbank is van oordeel [partij B] heeft gedaan wat van haar als de professional in haar relatie met [partij A] mag worden verwacht. [partij B] heeft [partij A] in voldoende mate voorgelicht en gewaarschuwd om hen zo in staat te stellen een weloverwogen materiaalkeus te maken. Daarbij is zowel rekening gehouden met wat gebruikelijk is in interieurbouw in woningen als met de budgettaire wensen van
[partij A] en hun wens om kwalitatief hoogwaardig en meubilair met een luxe uitstraling en een lange levensduur aan te schaffen. Uit onder meer de correspondentie zoals verwoord in 3.12 blijkt dat [partij A] zowel het materiaal al de kleur hebben laten meewegen in hun definitief op 6 mei 2023 gemaakte keus.
De gebreken – ontbinding
5.26.
Een ander twistpunt is of [partij B] zijn werk deugdelijk heeft uitgevoerd, of dat [partij A] gelijk hebben als zij stellen dat het werk slecht is gedaan en er daardoor schade is ontstaan.
5.27.
[partij A] stellen dat [partij B] het werk zodanig slecht heeft uitgevoerd en bovendien na ingebrekestelling niet bereid was tot herstel, dat zij de overeenkomst mochten ontbinden.
5.28.
De rechtbank overweegt dat pas beoordeeld kan worden of [partij A]
de overeenkomst mochten ontbinden, als de gestelde gebreken zijn beoordeeld en dus vast staat of er sprake is van een tekortkoming in de nakoming (artikel 6:265 BW).
Gebreken - beoordeling
5.29.
Volgens [partij A] heeft [partij B] het werk gebrekkig uitgevoerd. De rechtbank kan niet zelf beoordelen of [partij B] het werk gebrekkig heeft uitgevoerd omdat de expertise daarvoor ontbreekt. De rechtbank is daarom van plan om een deskundige te benoemen om die vraag te beantwoorden. De schade die volgens [partij A] voortvloeit uit het gebrekkige werk, kan worden onderverdeeld in een aantal onderdelen. De rechtbank zal deze hierna bespreken.
HPL versus melamine
5.30.
Gelet op wat hiervoor reeds over het materiaalgebruik en de kleurstelling is overwogen kan enkel nog aan de orde komen dat [partij A] stellen dat de melamineplaten nu al kaal en wit uitgeslagen ogen.
5.31.
De rechtbank stelt voor de volgende vragen aan de deskundige te stellen.
kunt u de staat van het melamine plaatmateriaal beoordelen en te kennen geven of de staat van het plaatmateriaal anders is dan je gezien de leeftijd ervan mag verwachten?
kunt u vaststellen waar dat aan ligt en of het is veroorzaakt door gebrekkig werk van [partij B] ?
Hoogte aanrecht
5.32.
[partij A] stellen dat in de eerste tekening van [partij B] conform het ontwerp van Building Design een hoogte van het aanrecht van 95 cm is opgenomen. Op
5 december 2022 verzoeken [partij A] aan de hand van een bijgevoegde detailtekening van de architect om aanpassing van een detail. Op 5 december 2022 mailen [partij A] aan [partij B] (zwart), waarop [partij B] op 7 december 2022 reageert (rood), waarna [partij A] op 13 december 2022 nog een aanvullende vraag stellen: (blauw)
[afbeelding]
[afbeelding]
5.33.
[partij B] heeft op 7 december 2022, conform de van [partij A] verkregen detailtekening, haar tekening aangepast en daarbij de opmerking geplaatst: ‘Bovenkant aanrecht wordt bepaald door detail V05a van de architect, ca 97.5 cm + vloerpeil (maat in het werk te controleren)’. Op de definitieve tekening is een hoogte van 105 cm gegeven. [partij A] hebben hun akkoord op die tekening gegeven.
5.34.
[partij B] verschuilt zich volgens [partij A] ten onrechte achter de eigen fouten in tekeningen en metingen. [partij A] stellen naar beste kunnen fouten uit de tekening te hebben gehaald, maar stellen niet verantwoordelijk te zijn voor fouten die in de tekening zijn blijven staan, zoals bij de hoogte van het aanrecht, terwijl [partij B] uitdrukkelijk heeft bevestigd dat hij deze zou stellen op 97,5 cm. De nu doorgevoerde hoogte van het keukenblok is in de visie van [partij A] zeer ongebruikelijk, onhandig, niet logisch is en te hoog, zeker voor hun kinderen, waarvan de jongste 8 jaar is. Zij zien zich daarin gesteund door [naam 6], een door hun ingeschakelde deskundige. Bovendien komt het aanrecht nu boven het raamkozijn uit. [partij B] heeft een zorgplicht bij de uitvoering van de overeenkomst. [partij B] dient volgens [partij A] tekeningen te maken die aansluiten bij de opdracht. Als [partij B] wel was ingegaan op het verzoek van 13 december 2022 om een detailtekening aan te leveren, was de fout waarschijnlijk aan het licht gekomen. [partij B] had dit ook moeten constateren bij de voorbereiding in de uitvoering en dit met [partij A] moeten bespreken en hen moeten waarschuwen, in het kader van de op [partij B] rustende zorgplicht. Op grond van die zorgplicht moet [partij B] immers waarschuwen wanneer iets niet past en/of er sprake is van erg ongebruikelijke/onhandige toepassingen.
5.35.
[partij B] wijst erop dat [partij A] menen dat de door hen doorgevoerde aanpassing van een detail in de keuken (hoogte aanrechtblad) duidelijk is. [partij B] wijst er ook op dat zij het detail conform de wens van [partij A] heeft aangepast, dat zij de aangepaste tekening ter goedkeuring heeft voorgelegd, dat [partij A] goedkeuring hebben verleend en dat [partij B] conform de goedgekeurde tekening het detail heeft aangepast. De huidige hoogte van het aanrechtblad is volgens [partij B] geen ongebruikelijke hoogte, gezien de lengte van [partij A] . Daarbij wijst [partij B] erop dat De Keukenconcurrent, onderdeel van de Mandemakersgroep, de grootste partij in Nederland op het gebied van het realiseren van keukens, over de hoogte van het aanrechtblad aan geeft dat als de personen waar de keuken voor wordt gemaakt tussen de 175 cm en 185 cm lang zijn, dat dan een hoogte van het aanrechtblad van 100 cm en 110 centimeter een goede hoogte is.
5.36.
De rechtbank stelt voor de volgende vragen aan de deskundige te stellen:
Is op grond van het door [partij A] op 5 december 2022 toegestuurde detail van de architect in samenhang met de opmerking daarbij eenduidig aan te geven op welke hoogte het keukenblad zou komen? Zo ja, welke hoogte dan?
Is een hoogte van 105 cm ongebruikelijk en als dit het geval is, levert dat een gebrek op?
Levert het feit dat een aanrechtblad boven een raamkozijn uitkomt een gebrek op?
Andere herstelpunten dan wel gebreken
5.37.
In randnummer 27 van de dagvaarding maken [partij A] een opsomming van wat in hun visie herstelpunten dan wel gebreken zijn.
Beoordeling
[partij B] stelt daar in de randnummer 74 van de conclusie van antwoord tegenover dat veel van de punten geen herstelpunten maar meerwerk betreft waarvan eerst duidelijkheid over de betaling moet bestaan voordat zij wordt uitgevoerd. Ook spreekt [partij B] er haar twijfels over uit of een aantal van de gestelde punten wel terecht voor verschillende meubels worden herhaald. Ook wijst [partij B] erop dat er veel herstelpunten door [partij A] zijn opgenomen, die ten tijde van de oplevering niet zijn benoemd. In randnummer 75 gaat [partij B] inhoudelijk in op de gestelde herstelpunten/gebreken.
5.38.
De rechtbank stelt voor aan de deskundige voor te leggen het verzoek om de gestelde herstelpunten / gebreken te bespreken, waarbij de rechtbank het aan de deskundige wil overlaten hoe hij of zij de kritiekpunten die bij meerdere meubels terugkeren bespreekt / rubriceert.
De rechtbank verzoekt de deskundige met in achtneming hiervan om aan te geven:
Of sprake is van een gebrek.
Of dit gebrek is ontstaan door toedoen van [partij B] / de door haar ingeschakelde onderaannemer.
Hoe dit gebrek hersteld kan worden.
Of er schade is ontstaan door het gebrek.
Hoe die schade kan worden hersteld.
Wat de met herstel gemoeide kosten zijn.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
5.39.
Als duidelijk is geworden wat gebreken zijn, zal de rechtbank oordelen of en zo ja, welke gebreken als tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan [partij B] kunnen worden toegerekend en welke gebreken voor rekening van [partij A] dienen te blijven, wie het recht had om op te schorten en of de overeenkomst op goede gronden is ontbonden. De rechtbank zal in dat kader ook bezien of de gebreken zijn geconstateerd in oorspronkelijk overeengekomen werk of in meerwerk en of [partij B] al (eerder) herstel heeft aangeboden en of dat herstel door [partij A] wellicht ten onrechte is geweigerd en wat de consequenties daarvan zijn. Ook zal de rechtbank dan de overige nog openstaande vorderingen beoordelen.
5.40.
Zoals hiervoor al is overwogen overweegt de rechtbank om een onderzoek door een deskundige of door deskundigen in te laten stellen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
5.41.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van interieurbouw en dat de onder 5.31, 5.36 en 5.38 geformuleerde vragen moeten worden gesteld:
5.42.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [partij A] worden betaald.
5.43.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
5.44.
De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
5.45.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
5.46.
Iedere verdere beslissing, ook in reconventie, wordt aangehouden.
Beoordeling
[partij B] stelt daar in de randnummer 74 van de conclusie van antwoord tegenover dat veel van de punten geen herstelpunten maar meerwerk betreft waarvan eerst duidelijkheid over de betaling moet bestaan voordat zij wordt uitgevoerd. Ook spreekt [partij B] er haar twijfels over uit of een aantal van de gestelde punten wel terecht voor verschillende meubels worden herhaald. Ook wijst [partij B] erop dat er veel herstelpunten door [partij A] zijn opgenomen, die ten tijde van de oplevering niet zijn benoemd. In randnummer 75 gaat [partij B] inhoudelijk in op de gestelde herstelpunten/gebreken.
5.38.
De rechtbank stelt voor aan de deskundige voor te leggen het verzoek om de gestelde herstelpunten / gebreken te bespreken, waarbij de rechtbank het aan de deskundige wil overlaten hoe hij of zij de kritiekpunten die bij meerdere meubels terugkeren bespreekt / rubriceert.
De rechtbank verzoekt de deskundige met in achtneming hiervan om aan te geven:
Of sprake is van een gebrek.
Of dit gebrek is ontstaan door toedoen van [partij B] / de door haar ingeschakelde onderaannemer.
Hoe dit gebrek hersteld kan worden.
Of er schade is ontstaan door het gebrek.
Hoe die schade kan worden hersteld.
Wat de met herstel gemoeide kosten zijn.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
5.39.
Als duidelijk is geworden wat gebreken zijn, zal de rechtbank oordelen of en zo ja, welke gebreken als tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan [partij B] kunnen worden toegerekend en welke gebreken voor rekening van [partij A] dienen te blijven, wie het recht had om op te schorten en of de overeenkomst op goede gronden is ontbonden. De rechtbank zal in dat kader ook bezien of de gebreken zijn geconstateerd in oorspronkelijk overeengekomen werk of in meerwerk en of [partij B] al (eerder) herstel heeft aangeboden en of dat herstel door [partij A] wellicht ten onrechte is geweigerd en wat de consequenties daarvan zijn. Ook zal de rechtbank dan de overige nog openstaande vorderingen beoordelen.
5.40.
Zoals hiervoor al is overwogen overweegt de rechtbank om een onderzoek door een deskundige of door deskundigen in te laten stellen. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
5.41.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van interieurbouw en dat de onder 5.31, 5.36 en 5.38 geformuleerde vragen moeten worden gesteld:
5.42.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [partij A] worden betaald.
5.43.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
5.44.
De rechtbank geeft partijen de gelegenheid om in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige gaat optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij een deskundige voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundige en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige. Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van een potentiële deskundige, een door partijen aangedragen deskundige of een eigen deskundige benoemen.
5.45.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
5.46.
Iedere verdere beslissing, ook in reconventie, wordt aangehouden.