Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-01-17
ECLI:NL:RBOVE:2025:250
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,276 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/13617
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel “humanitair niet-tijdelijk”.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet. De rechtbank doet in beide zaken afzonderlijk uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Achtergrond
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1986 en van Turkse nationaliteit. Eisers zoon is geboren op [geboortedatum 2] 2008. Aan eiser is op 12 september 2019 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel “arbeid als kennismigrant” verleend, vanwege een baan als programmeur bij het bedrijf [bedrijf] B.V. Aan eisers zoon is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij eiser”.
3. Met het besluit van 23 december 2021 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. Gebleken is dat eiser per 1 oktober 2021 niet meer in dienst is van het bedrijf [bedrijf] B.V. Volgens de minister heeft eiser onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden, omdat bij de verlengingsaanvraag was aangegeven dat eiser een contract voor onbepaalde tijd had, terwijl dat niet het geval is.
4. Met het besluit van 23 december 2021 heeft de minister de aanvraag van eisers zoon om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning ingewilligd. Aan eisers zoon is daarom een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, geldig van 28 september 2021 tot 28 september 2026, voor het verblijfsdoel “humanitair niet-tijdelijk”.
Totstandkoming van het besluit
5. Eiser heeft op 15 juni 2023 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel “humanitair niet-tijdelijk”.
6. Met het besluit van 28 september 2023 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens de minister is er geen sprake van strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en is het tegenwerpen van het mvv-vereiste ook niet onredelijk hard voor eiser.
7. Met het besluit van 19 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Beoordeling
8. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. Eiser voert aan dat hij had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Hij wijst erop dat hij gezinsleven uitoefent met zijn minderjarige zoon, aan wie een zelfstandig verblijfsrecht is verleend. Het afwijzen van eisers aanvraag heeft tot gevolg dat zijn zoon zonder ouders in Nederland mag verblijven, terwijl zijn zoon afhankelijk is van eiser. Volgens eiser is onvoldoende gewicht toegekend aan de belangen van hem en zijn zoon in de belangenafweging die de minister heeft gemaakt. Deze belangenafweging moet in hun voordeel uitvallen. Eiser verwijst daarbij nog naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 10 april 2020.
11. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een ‘fair balance’ worden gevonden tussen het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het gezinsleven in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank moet allereerst beoordelen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de afweging heeft betrokken. De rechtbank toetst dit vol. Als alle belangen zijn meegewogen, moet de rechtbank beoordelen of de uitkomst van de weging getuigt van een ‘fair balance’. Bij deze afweging komt aan de minister een zekere beoordelingsruimte toe. De rechtbank moet de uitkomst van die belangenafweging daarom enigszins terughoudend toetsen. Verder volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging moeten vormen en aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht moet toekomen.
12. De rechtbank stelt voorop dat tussen eiser en de minister niet in geschil is dat tussen eiser en zijn zoon beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De moeder van eisers zoon verblijft in Syrië en verricht geen zorgtaken. Eisers zoon is dus als minderjarige afhankelijk van eiser. Verder staat vast dat de zoon van eiser een zelfstandig verblijfsrecht heeft in Nederland.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte niet alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende onderzocht of bij de afwijzing van eisers aanvraag, en de daarop volgende uitzetting van eiser naar Turkije, het verblijfsrecht van zijn zoon de facto inhoudsloos wordt gemaakt. Eisers zoon zal mogelijk immers vanwege zijn minderjarigheid en de afhankelijkheid van eiser feitelijk gedwongen worden om eiser te volgen naar Turkije. De rechtbank is van oordeel dat in een situatie waarbij de minister eerder aan een minderjarig kind een zelfstandig verblijfsrecht heeft verleend, terwijl de minister aan de verzorgende ouder geen verblijfsrecht wil verlenen, het aan de minister is om diepgaander onderzoek te doen naar de belangen van het minderjarige kind. Daarbij is met name van belang of tussen eiser en zijn zoon een (al dan niet emotionele) afhankelijkheidsrelatie bestaat, en of daardoor met uitzetting van eiser het verblijfsrecht van zijn zoon feitelijk inhoudsloos wordt. Door de minister is bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende volledig in kaart gebracht welke belangen eisers zoon heeft. In de belangenafweging zijn de belangen van eisers zoon enkel in algemene zin benoemd en beoordeeld. Verder is enkel eiser gehoord op een hoorzitting in de bezwaarfase, maar is eisers zoon zelf niet gehoord en zijn de belangen van eisers zoon ook niet op een andere manier onderzocht of uitgevraagd. Het is aan de minister om hier nader onderzoek naar te doen en de uitkomsten van dit onderzoek kenbaar te betrekken in een nieuw te maken belangenafweging.
14. De rechtbank geeft de minister mee dat indien de minister na dit nader onderzoek van mening blijft dat het belang van de Nederlandse staat – waaronder met name het economisch belang – zwaarder weegt dan de belangen van eiser en zijn zoon bij uitoefening van hun gezinsleven in Nederland, de minister dat nader zal moeten motiveren. Hierbij zal de minister in het bijzonder moeten ingaan op de vraag of en waarom eisers zoon ook zonder eiser in Nederland kan verblijven, gelet op zijn zelfstandig verblijfsrecht. Uitgangspunt moet zijn dat de zoon zijn zelfstandige verblijfsrecht ook daadwerkelijk moet kunnen effectueren en dus niet de facto inhoudsloos mag worden door het vertrek van de vader, omdat hij als gevolg van bijvoorbeeld de afhankelijkheidsrelatie tot zijn vader hem zal moeten nareizen.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het berust op een onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat het aan de minister is om de belangen van eisers zoon concreet te onderzoeken en vervolgens aan de hand daarvan een nieuwe belangenafweging te maken.
15.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
15.2.
Gelet op het belang van eiser om de nieuwe beslissing op bezwaar in Nederland af te mogen wachten, ziet de rechtbank reden om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de minister eiser niet mag uitzetten tot vier weken nadat opnieuw op het bezwaar van eiser is beslist. Dit betreft aldus geen beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep, waar een aparte uitspraak op zal volgen.
15.3.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 augustus 2024;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- treft de voorlopige voorziening dat de minister eiser niet mag uitzetten tot vier weken nadat opnieuw op het bezwaar van eiser is beslist;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzitter, en mr. T.J. Thurlings-Rassa en mr. M. Eikelenboom, leden, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
De voorzitter is verhinderd
te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer ZWO 24/2904.
Deze vrijstelling staat in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2020:5270.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, en de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2780.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810.
Op grond van artikel 3.50, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Met zaaknummer AWB 24/14242.