Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-01-17
ECLI:NL:RBOVE:2025:247
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,471 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2904
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. L. de Widt),
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college
(gemachtigden:. I.T.M. te Brinke en N.A.H. Kosters)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Participatiewet (PW).
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 oktober 2023 (primair besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Op dezelfde zitting is, gelet op de inhoudelijke samenhang, een andere procedure van eiser behandeld, met procedurenummer AWB 24/13617. In deze zaak wordt apart uitspraak gedaan.
1.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser heeft op 6 oktober 2023 een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de PW. Op de aanvraag heeft hij vermeld dat hij geen inkomsten meer heeft sinds 11 september 2023. In het primaire besluit van 12 oktober 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen omdat eiser niet de Nederlandse nationaliteit heeft en ook niet rechtmatig in Nederland verblijft.Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.In het bestreden besluit heeft het college het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Redengevend is dat eiser geen geldige verblijfstitel heeft in Nederland. Zonder geldige verblijfstitel bestaat er geen recht op bijstand. Het beroep op dringende redenen slaagt niet.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om bijstand op grond van de PW. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Eiser voert aan dat het college een bijstandsuitkering dient toe te kennen. Hij voert daartoe het volgende aan.Eiser mag van de IND niet werken tot zijn verblijfstitel is hersteld. Hij heeft de afgelopen jaren op basis van een geldige verblijfstitel in Nederland verbleven en gewerkt. De bijstandsaanvraag is daarom enkel ter overbrugging voor de periode dat hij geen geldige verblijfstitel heeft.Daarnaast wijst eiser er op dat hij in Nederland woont met zijn vijftienjarige zoon. Zijn zoon heeft een geldige verblijfstitel, gaat hier naar school en is hier ingeburgerd. Aangezien eiser niet kan werken en wel zijn zoon moet onderhouden, ervaart hij thans grote financiële problemen omdat zijn eerder opgebouwde spaargeld nagenoeg op is omdat hij daarvan heeft geleefd. Er is daarom sprake van (zeer) dringende redenen op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW, gelegen in humanitaire redenen.Eiser stelt dat sprake is van een acute noodsituatie zoals beschreven in vast rechtspraak. Het is evident dat weigeren van bijstand onaanvaardbaar is.Voorts wijst eiser op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser wijst daarbij op het gezinsleven dat hij heeft met zijn zoon, en de omstandigheden van zijn zoon zoals onder meer de inburgering hierboven beschreven.Ten slotte stelt eiser dat het college de bijstand voorwaardelijk had kunnen toekennen, onder de voorwaarde dat de IND het verblijfsrecht van eiser herstelt, of als lening.Eiser wijst er op dat de Centrale Raad van Beroep inmiddels het begrip dringende redenen voortaan ruimer uitlegt, waarbij ook betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser betoogt dat deze bredere uitleg ook op zijn situatie van toepassing is. Van een evenredig besluit is geen sprake.
5. Het beroep is gegrond, voor zover het ziet op de weigering om bijstand te verlenen aan de zoon van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Niet in geschil is dat eiser in de periode in geding, zijnde de periode tussen het moment van de bijstandsaanvraag tot de datum van het primaire besluit, niet op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de PW, met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Het gevolg daarvan is dat eiser ook geen beroep kan doen op dringende redenen. Dit volgt uit artikel 16, tweede lid, van de PW waarin dit uitdrukkelijk zo is benoemd.
5.3.
Eiser kan in dit kader evenmin een geslaagd beroep doen op artikel 8 EVRM. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de CRvB.De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die op grond van het in artikel 11 van de PW opgenomen koppelingsbeginsel geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid van de PW, uitdrukkelijk buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de PW opgenomen hardheidsclausule gebracht. Aan eventuele positieve verplichtingen om recht te doen aan internationaalrechtelijke verdragsbepalingen zoals artikel 8 van het EVRM kan, gelet op het primaat van de wetgever en om een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de PW, niet met toepassing van de PW gestalte worden gegeven. Als voor vreemdelingen op wie het koppelingsbeginsel van toepassing is een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, berust deze verplichting primair op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.
5.4.
Gelet op het voorgaande heeft het college de bijstand voor zover deze ziet op eiser terecht afgewezen. Echter, gelet op wat ter zitting is besproken, is niet in geschil dat de aanvraag van eiser ook ziet op bijstand voor zijn minderjarige zoon. In dat kader wijst de rechtbank op het volgende.
5.5.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de PW heeft degene die jonger is dan achttien jaar geen recht op bijstand. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Omdat de minderjarige zoon van eiser wel op grond van artikel 11, tweede lid, van de PW met een Nederlander kan worden gelijkgesteld, is artikel 16, eerste lid, van de PW wel op hem van toepassing.
5.6.
Het is vaste rechtspraak dat het begrip ‘zeer dringende redenen’ in artikel 16, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ten aanzien van minderjarige kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK moet worden uitgelegd. Hierin ligt besloten dat van zeer dringende redenen sprake is indien de ouders, die zelf geen recht op bijstand hebben, zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële voor hun minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen. Indien deze situatie zich voordoet, komt het minderjarige kind een individueel recht toe op algemene bijstand, waarbij, wat betreft de hoogte van de bijstand, aansluiting dient te worden gezocht bij de norm voor een alleenstaande van achttien, negentien of twintig jaar als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verder dient het college gelet op het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde afstemmingsvereiste, aan de hand van de individuele omstandigheden van betrokkene, waaronder zijn woonsituatie, en mede gelet op artikel 27, derde lid, van het IVRK te bezien welk bedrag aan bijstand is aangewezen. Deze rechtspraak heeft onder de PW haar betekenis behouden.
5.7.
Het college had gelet op het voorgaande daarom reden moeten zien om te onderzoeken of de minderjarige zoon van eiser in aanmerking gebracht kan worden voor bijstand op grond van de PW. Het beroep slaagt omdat het college dat nog niet heeft onderzocht.
6. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat vandaag ook een uitspraak is gedaan in de verblijfsrechtelijke procedure van eiser. Dit beroep is eveneens gegrond verklaard. Indien als gevolg van deze uitspraak alsnog een verblijfsrecht aan eiser wordt toegekend door de IND dan kan eiser bij het college een herhaalde aanvraag doen voor bijstand met dezelfde ingangsdatum als in deze procedure.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij bijstand aan de zoon van eiser is geweigerd.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen ten aanzien van de zoon van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voorts komen de reiskosten van eiser in aanmerking a € 26,34.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 mei 2024 voor zover daarin de bijstand aan de zoon van eiser is geweigerd;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.840,34 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzitter, en mr. T.J. Thurlings-Rassa en mr. M. Eikelenboom, leden, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
de rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 11. Rechthebbenden
1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
2 Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.
3 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of
b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.
4 Het recht op bijstand komt de echtgenoten gezamenlijk toe, tenzij een van de echtgenoten geen recht op bijstand heeft.
Artikel 16. Zeer dringende redenen
1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid.
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;
indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;
gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
Eiser verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1480
Zie de uitspraken van de CRvB van 9 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4382, en van 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0734
Zie de uitspraak van de CRvB van 9 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3080