Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-04-18
ECLI:NL:RBOVE:2025:2461
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,942 tokens
Dictum
RECHTBANK OVERIJSSEL
Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: 329372 KG RK 25-110
Dictum
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking,
advocaat: mr. J. Biemond te ’s-Gravenhage
Procesverloop
1.1.
Op 20 februari 2025 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan vanmr. B.T.C. Jordaans, belast met de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker, geregistreerd onder het parketnummer 08.167942-24.
1.2.
Tijdens de openbare behandeling ter terechtzitting van deze strafzaak heeft (de advocaat van) verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van de rechter gedaan. Dat is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van 20 februari 2025.
1.3.
Mr. Jordaans heeft niet berust in de wraking.
1.4.
Het wrakingsverzoek is op 9 april 2025 in het openbaar behandeld.
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, samen met zijn advocaat en vergezeld door [naam] . Mr. Jordaans heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
Feiten
2.1.
De zaak draait om hond [naam hond] , die in beslag is genomen na een bijtincident. Na een onderzoek door de [locatie] heeft het Openbaar Ministerie aan verzoeker kenbaar gemaakt de hond te willen euthanaseren.
2.2.
Op 2 augustus 2024 heeft de rechter-commissaris een door verzoeker ingediend verzoek tot gedragsdeskundig tegenonderzoek ex artikel 182 Wetboek van Strafvordering (Sv) afgewezen.
2.4.
De kantonrechter (mr. Hangx) heeft op de zitting van 4 oktober 2024 een nieuw verzoek tot gedragsdeskundig tegenonderzoek afgewezen. Verzoeker heeft vervolgens een verzoek tot wraking gedaan van mr. Hangx, waarna het onderzoek ter zitting werd geschorst. Mr. Hangx heeft berust in de wraking.
2.5.
De kantonrechter mr. Jordaans heeft het onderzoek ter zitting op 13 december 2024 heropend. Een nieuw ingediend verzoek tot tegenonderzoek heeft hij afgewezen. Een subsidiair verzoek om de officier van justitie beelden van het onderzoek van de [locatie] aan het dossier toe te laten voegen, heeft mr. Jordaans toegewezen.
2.6.
De officier van justitie heeft begin februari 2025 laten weten dat de beelden niet bewaard zijn gebleven en dus niet aan het dossier toegevoegd kunnen worden.
2.7.
Op de zitting van 20 februari 2025 heeft de advocaat van verzoeker toegelicht dat, omdat de beelden niet kunnen worden toegevoegd aan het dossier, er teruggevallen wordt op het primaire verzoek tot tegenonderzoek.
2.8.
Mr. Jordaans heeft het verzoek tot tegenonderzoek opnieuw afgewezen omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden waren die aanleiding gaven om de afwijzing van 13 december 2024 te heroverwegen.
2.9.
Verzoeker heeft hierop een mondeling verzoek tot wraking van mr. Jordaans gedaan.
3Het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de afwijzing van het tegenonderzoek, zonder mogelijkheid van appèl, en het ontbreken van een argumentatie geen recht doen aan de situatie van verzoeker. Het oorspronkelijke verzoek was ofwel een tegenonderzoek, ofwel het toevoegen van de beelden aan het dossier. Nu de beelden niet aanwezig blijken, dient er een tegenonderzoek uitgevoerd te worden. De rechtspraak verzet zich hier niet tegen.
4Het standpunt van mr. Jordaans
Mr. Jordaans stelt zich primair op het standpunt dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat het te laat is ingediend. De voor de verdachte onwelgevallige beslissing was immers reeds op 13 december 2024 genomen. Subsidiair stelt mr. Jordaans zich op het standpunt dat het verzoek ongegrond verklaard moet worden, omdat onwelgevallige procesbeslissingen geen reden kunnen zijn voor een geslaagd wrakingsverzoek.
Beoordeling
De ontvankelijkheid van het verzoek
5.1.
Volgens artikel 513, eerste lid, Sv moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.
5.2.
De rechtbank constateert dat mr. Jordaans op 13 december 2024 reeds een verzoek tot tegenonderzoek heeft afgewezen, maar dat het subsidiaire verzoek om de beelden van het onderzoek van de [locatie] aan het dossier toe te voegen, is toegewezen. Pas begin februari 2025 werd duidelijk dat de beelden al vernietigd waren, en niet aan het dossier toegevoegd konden worden. Om deze reden heeft verzoeker ter zitting op 20 februari 2025 het verzoek tot een gedragskundig tegenonderzoek herhaald.
5.3.
Naar het oordeel van de wrakingskamer richt het wrakingsverzoek zich niet tegen de beslissing van mr. Jordaans van 13 december 2024 maar op diens beslissing van 20 februari 2025 dat is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan hij zijn weigering van een tegenonderzoek zou moeten heroverwegen.
5.4.
Gelet op het bovenstaande heeft verzoeker niet te laat het wrakingsverzoek ingediend en is het wrakingsverzoek dus ontvankelijk. De wrakingskamer zal het verzoek hierna inhoudelijk behandelen.
Beoordeling
5.5.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat hij die indruk bij verzoeker heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat hij vooringenomen is.
5.6.
Dictum
5.7.
De klachten van verzoeker zijn in wezen gericht tegen de beslissing van mr. Jordaans om niet terug te komen van de afwijzing van 13 december 2024 om tegenonderzoek te laten verrichten. Deze beslissing heeft mr. Jordaans gemotiveerd met de overweging dat er geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die moeten leiden tot het heroverwegen van de eerdere afwijzing. Hoewel een andere beslissing denkbaar zou zijn geweest, levert de beslissing van mr. Jordaans om niet terug te komen van de afwijzing van 13 december 2024, gelet op het criterium van de hiervoor genoemde uitspraak van de Hoge Raad, naar objectieve maatstaven geen vooringenomenheid of partijdigheid op.
5.8.
Er is geen sprake van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking zal daarom ongegrond worden verklaard.
Dictum
De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, J.H.M. Hesseling en
M. van Bruggen in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op
18 april 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.