Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-01-13
ECLI:NL:RBOVE:2025:163
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,889 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.234609.23 (P)
Datum vonnis: 13 januari 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 december 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 13 september 2023 te Huissen opzettelijk professioneel vuurwerk bestemd voor
particulier gebruik heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander (pseudokoper) ter beschikking heeft gesteld;
feit 2: op 13 en 14 september 2023 te Huissen opzettelijk aanwezig heeft gehad verdovende middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op of omstreeks 13 september 2023 te Huissen in de gemeente Lingewaard, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten 450, althans één of meerdere stuks knalvuurwerk (Super Cobra 6), heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad en/of aan een ander, te weten PS1183 ter beschikking heeft gesteld;
2.
hij op of omstreeks 13 september 2023 en op of omstreeks 14 september 2023 te Huissen in de gemeente Lingewaard, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,03 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (-)-3-beta-benzoyloxytropaan-2-beta-carbonzure methylester, en/of ongeveer 2,98 gram XTC wikkels met tekst SPACE PACK in poedervorm, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-DMA (MDEA) en/of methamfetamine en/of ongeveer 20 gele gleuftabletten 2C-B, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-bromo-2,5-dimethoxyfenetylamine en/of ongeveer 78,84 gram 3-CMC, crème / lichtroze kristalachtige brokjes, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 3-chloormethcathinon en/of clofedron en/of ongeveer 1 flesje (vloeistof) GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GammaHydroxyButyraat en/of 4-Hydroxyboterzuur,
zijnde cocaïne en/of XTC en/of 2C-B en/of 3-CMC en/of GammaHydroxyButyraat en/of 4-Hydroxyboterzuur (GHB) en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsoverwegingen
3.1
Inleiding
Een politieambtenaar zag dat via de applicatie Telegram door gebruiker ‘ [gebruikersnaam] ’ in de telegramgroep ‘ [groepsnaam] ’ professioneel vuurwerk werd aangeboden. Naar aanleiding hiervan ging de politie over tot een zogenaamde pseudokoopactie. Verdachte werd daarna op heterdaad aangehouden. Daarnaast werden de verblijfsadressen van verdachte doorzocht. Zowel in de woning van zijn moeder (aan de [adres 2] ) als in de woning van zijn vader (aan de [adres 1] ) werden diverse verdovende middelen aangetroffen.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van het bestanddeel medeplegen (feit 1) en het opzettelijk aanwezig hebben gehad van een flesje GHB (feit 2).
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.4
Beoordeling
Feit 1
De rechtbank komt, op grond van de hierna te noemen opsomming van de bewijsmiddelen, tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit met uitzondering van het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het dossier wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander. De rechtbank zal verdachte ter zake van het onderdeel ‘medeplegen’ vrijspreken.
De rechtbank komt ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit voor het overige tot een bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem ten aanzien van deze onderdelen geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, zoals opgenomen in proces-verbaal van de zitting van 16 december 2024;
het proces-verbaal van pseudokoop van 19 september 2023, pagina’s 20 t/m 21;
het proces-verbaal (met bijlage) van 2 oktober 2023 betreffende het onderzoek door het COV aan het inbeslaggenomen vuurwerk, pagina’s 69 t/m 86.
Feit 2
De rechtbank komt, op grond van de hierna te noemen opsomming van de bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit met uitzondering van het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in het dossier wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte een flesje (vloeistof) GHB aanwezig heeft gehad. Deze aangetroffen substantie is namelijk niet onderzocht. Verdachte kon evenmin bevestigen dat het GHB betrof. Verdachte heeft over het flesje verklaard dat dit van een vriend was en dat hij de substantie niet heeft gebruikt. De rechtbank zal verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.
De rechtbank komt ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit voor het overige tot een bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem ten aanzien van deze onderdelen geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:
4. de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, zoals opgenomen in proces-verbaal van de zitting van 16 december 2024;
5. het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2024 (losbladig);
6. het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 19 oktober 2023, pagina’s 102 t/m 115;
7. de rapportage van het NFI d.d. 20 oktober 2023 betreffende amfetamine, pagina 116;
8. de rapportage van het NFI d.d. 20 oktober 2023 betreffende amfetamine, pagina 117;
9. de rapportage van het NFI d.d. 20 oktober 2023 betreffende cocaïne, pagina 118;
10. de rapportage van het NFI d.d. 22 december 2023 betreffende 3-CMC en 2C-B, pagina’s 100 t/m 101.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op of omstreeks 13 september 2023 te Huissen in de gemeente Lingewaard opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten 450 stuks knalvuurwerk Super Cobra 6, heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad en aan een ander, te weten
P1183 ter beschikking heeft gesteld;
2.
hij op 14 september 2023 te Huissen in de gemeente Lingewaard opzettelijk aanwezig heeft gehad
0,03 gram cocaïne en
2,98 gram XTC wikkels met tekst SPACE PACK in poedervorm bevattende amfetamine en
20 gele gleuftabletten 2C-B en
78,84 gram 3-CMC
zijnde cocaïne en 2C-B en 3-CMC en amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende kennelijke schrijffout van pseudokoper (PS1183) is verbeterd in de bewezenverklaring als P1183. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer in samenhang met artikel 1.2.2 lid 1 van het Vuurwerkbesluit en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Het onder 2 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 2 aanhef onder C van de Opiumwet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de
Opiumwet gegeven verbod.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet
worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder het feit dat hij openheid van zaken heeft gegeven, verantwoordelijkheid wil nemen voor zijn handelen, hij een first offender is en de strafzaak veel impact op hem heeft gehad. De raadsman heeft -onder verwijzing naar jurisprudentie - verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf tussen de 200 en 240 uren. Een dergelijke afdoening is passend en op die wijze komen de zzp-werkzaamheden van verdachte en zijn toekomstige woning ook niet in gevaar, aldus de raadsman.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft een hoeveelheid van 450 stuks Super Cobra’s 6 (aan een pseudokoper) verkocht.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de
Opiumwet gegeven verbod.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Pouw, voorzitter, mr. H. Stam en mr. R. Hamers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie, eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024101237. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.