Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-03-18
ECLI:NL:RBOVE:2025:1531
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,415 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11390867 \ CV EXPL 24-3982
Vonnis van 18 maart 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap [eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigden: mr. W. Meijs en mr. M.W.M. Peters,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [bedrijf],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.
1Waar deze zaak over gaat
[eiser] en [gedaagde] hebben een kredietovereenkomst gesloten waarbij [eiser] geld heeft geleend aan [gedaagde]. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] zich niet aan de afspraken gehouden. [eiser] vordert daarom terugbetaling van de gehele lening. De kantonrechter wijst de vordering toe.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 oktober 2024;
- de conclusie van antwoord;- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 14 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben in mei 2024 een kredietovereenkomst gesloten. Op basis van die overeenkomst heeft [eiser] een geldbedrag van € 10.000,00 aan [gedaagde] geleend.
3.2.
In de kredietovereenkomst staat onder andere dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de lening elke week moet aflossen door het betalen van een ‘weektermijn’. Verder hebben partijen afgesproken dat de gehele schuld direct opeisbaar wordt als [gedaagde] meer dan vier keer een weektermijn niet betaalt.
3.3.
In de kredietovereenkomst hebben partijen ook afgesproken dat [gedaagde] al zijn vorderingen verpandt aan [eiser] als zekerheid voor de geldlening en dat [eiser] altijd mededeling mag doen van het pandrecht aan de schuldenaren van [gedaagde].
3.4.
[eiser] heeft bij brief van 2 augustus 2024 aan [gedaagde] meegedeeld dat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft van meer dan vier weektermijnen. [eiser] vraagt [gedaagde] in deze brief om de gehele schuld terug te betalen, op dat moment een bedrag van € 10.182,58.
3.5.
[eiser] heeft de schuldenaren van [gedaagde] bij brief op de hoogte gebracht van het pandrecht op de vorderingen van [gedaagde].
3.6.
Bij brieven van 9 en 13 augustus 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd om de gehele schuld terug te betalen. [gedaagde] heeft niet betaald. [eiser] en [gedaagde] hebben hierna nog overleg gevoerd, maar ze zijn niet tot een gezamenlijke oplossing gekomen.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 11.374,65, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen zal voor zover dit voor de beoordeling van belang is hierna worden ingegaan.
Beoordeling
5.1.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] toe. In de kredietovereenkomst staat duidelijk vermeld dat bij een betalingsachterstand van vier weektermijnen de gehele schuld van [gedaagde] aan [eiser] opeisbaar wordt. Ook geeft [gedaagde] toe dat hij is tekortgeschoten in de nakoming van de kredietovereenkomst en dat [eiser] de gehele geldlening in één keer van hem kan terugvragen.
5.2.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij niet kan betalen, omdat [eiser] het pandrecht heeft meegedeeld aan de schuldenaren van [gedaagde] en hij hierdoor opdrachtgevers en inkomsten kwijtraakt. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat het openbaar maken van het pandrecht een negatieve invloed heeft op de onderneming van [gedaagde], is dit geen grond om de vordering af te wijzen. Het openbaar maken van het pandrecht door [eiser] is namelijk het gevolg van het niet betalen van de weektermijnen door [gedaagde]. Voor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij het onredelijk vindt dat [eiser] het pandrecht heeft meegedeeld aan zijn schuldenaren, overweegt de kantonrechter dat partijen dit nu eenmaal zo hebben afgesproken en dat [gedaagde] geen feiten heeft aangevoerd op grond waarvan van die afspraak zou moeten worden afgeweken. Dat [gedaagde] hierdoor nog meer in betalingsproblemen komt doet niet af aan de rechten die [eiser] met de kredietovereenkomst van [gedaagde] heeft gekregen.
5.3.
[eiser] vordert de contractuele rente over de hoofdsom. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De contractuele rente zal dan ook, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
5.4.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €876,73. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [eiser] heeft voldoende aangetoond dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en het gevorderde bedrag komt overeen met het tarief vermeld in het Besluit.
5.5.
[eiser] vordert BTW over het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van €184,13. De kantonrechter wijst ook dit bedrag toe, omdat [eiser] heeft gesteld als ondernemer een prestatie vrijgesteld van BTW te hebben verricht waardoor [eiser] de BTW niet kan verrekenen.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- rente tot en met 31 oktober 2024
€
€
10.182,58
456,93
- buitengerechtelijke incassokosten
- BTW over buitengerechtelijke incassokosten
€
€
876,73
184,13
+
totaal
€
11.700,37
- betaling
€
325,82
-/-
Totaal
€
11.374,55
5.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
- kosten dagvaarding
€
€
812,00
113,54
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
1.584,54
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing hieronder.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 11.374,55, te vermeerderen met de contractuele rente over de hoofdsom van € 10.182,58 vanaf 1 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.584,54, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.