Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-03-04
ECLI:NL:RBOVE:2025:1214
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,785 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.290463.24 (P)
Datum vonnis: 4 maart 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] (Somalië),
wonende aan de [woonplaats],
nu verblijvende in de P.I. [locatie].
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 december 2024 en 18 februari 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een Aldi in Zwolle heeft overvallen en daarbij onder bedreiging van een mes een geldbedrag heeft gestolen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 27 januari 2024 te Zwolle een bedrag van 180 euro, in elk geval
enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Aldi
(filiaal [adres] te Zwolle), heeft weggenomen met het oogmerk
om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan,
vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer]
(medewerker van die Aldi), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te
bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat
hij, verdachte, een mes toonde aan voornoemde [slachtoffer] en/of [slachtoffer] met
dat mes op haar onderarm sloeg dan wel tikte.
3De bewijsmotivering
3.1
Beoordeling
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
1. de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 februari 2025;
2. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], mede namens Aldi (filiaal [adres] te Zwolle), van 27 januari 2024, pagina’s 12 en 13;
3. het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden van Aldi, van verbalisant [verbalisant] van 25 juli 2024, pagina’s 30 tot en met 37.
3.2
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 januari 2024 te Zwolle een bedrag van 180 euro dat toebehoorde aan Aldi (filiaal [adres] te Zwolle), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] (medewerker van die Aldi), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een mes toonde aan voornoemde [slachtoffer] en [slachtoffer] met dat mes op haar onderarm sloeg dan wel tikte.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
het misdrijf: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland (hierna: het reclasseringsadvies) van 4 februari 2025.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld zich te kunnen vinden in de eis van de officier van justitie.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een Aldi-filiaal in Zwolle waar op dat moment een negentienjarige caissière achter de kassa zat. Om de caissière te bewegen de kassalade te openen heeft verdachte een mes getoond en – toen de kassalade volgens verdachte kennelijk niet snel genoeg open werd gemaakt – heeft hij met het mes op de onderarm van de caissière geslagen of getikt. Nadat de kassalade door een andere winkelmedewerker was geopend, heeft verdachte een geldbedrag uit de kassa gestolen en is hij de winkel uit gerend. Het spreekt voor zich dat de overval voor met name de jonge caissière een enorm beangstigende situatie moet zijn geweest. Verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen en voor andermans eigendommen. Dit soort feiten hebben over het algemeen grote impact op de betrokken slachtoffers en roepen bij hen, en ook in de samenleving in het algemeen, nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid op. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Dat verdachte heeft verklaard dat hij zich niets van de gebeurtenis kan herinneren; naar eigen zeggen omdat hij die avond alcohol had gedronken, had geblowd en vanwege zijn mentale problemen, doet naar het oordeel van de rechtbank niets af aan de ernst en impact van het strafbare feit en maakt het strafbare handelen van verdachte des te zorgelijker.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 27 november 2024. Hieruit blijkt dat aan verdachte op 28 juli 2024 een strafbeschikking is opgelegd ter zake van een overtreding, wat maakt dat artikel 63 Sr van toepassing is.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de verdiepingsdiagnostiek van JusTact Zwolle en het reclasseringsadvies, neergelegd in rapporten van respectievelijk 11 december 2024 en
4 februari 2025. De reclassering beschrijft dat, hoewel zij gelet op de proceshouding van verdachte geen delictgerelateerde factoren kan vaststellen, het middelengebruik en het psychosociaal functioneren een rol lijken te hebben gespeeld bij het plegen van het delict. Ook kan een financieel motief volgens de reclassering niet worden uitgesloten. Uit de verrichte verdiepingsdiagnostiek volgt dat bij verdachte sprake is van verslavingsproblematiek met daarnaast, naar het lijkt, onderliggende traumaklachten. Verder is volgens de reclassering sprake van schuldenproblematiek, instabiliteit op het gebied van huisvesting en dagbesteding en zijn er signalen dat verdachte zich in een negatief netwerk bevindt. De band die verdachte heeft met zijn familie en de omstandigheid dat hij wil meewerken aan hulpverlening, ziet de reclassering daarentegen als mogelijk beschermende factoren. Het risico op recidive wordt door de reclassering daarom ingeschat als gemiddeld. De reclassering acht het – in lijn met de verdiepingsdiagnostiek – van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn cannabisverslaving, dat nader onderzoek wordt gedaan naar deze traumaklachten en dat wordt ingezet op daarop aansluitende vervolgbehandeling en begeleiding. De reclassering adviseert daarom om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden die zich richten op (behandeling van) de bij verdachte geconstateerde problematiek.
De rechtbank stelt voorop dat, gezien de aard en ernst van het gepleegde feit, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank houdt voorts in sterke mate rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze zijn gebleken uit de hiervoor besproken rapportages.
Beoordeling
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
De door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor materiële schade is niet onderbouwd met concrete gegevens. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de schade, als gevolg van de studievertraging, rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.
Hetzelfde geldt voor de gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. In dit geval heeft de benadeelde partij gesteld dat haar gevoel van veiligheid is aangetast en dat zij angst- en stressklachten ondervindt als gevolg van de overval. De benadeelde partij heeft een dergelijke aantasting echter niet onderbouwd met (voldoende) concrete gegevens. Het is in dit geval niet zo dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de daardoor geleden schade zo voor hand ligt, dat een aantasting in de persoon in dit geval kan worden aangenomen.
Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de gestelde materiële en immateriële schade alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de gehele vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
8De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 62 Sr.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de
proeftijd van 2 (twee) jaren de navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Verslavingszorg Noord Nederland meldt op het adres Overcingellaan 19 (9401 LA) in Assen. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zijn medewerking verleent aan diagnostiek en behandeling door Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra de proeftijd ingaat of zoveel later als er een plaats beschikbaar is voor verdachte. De behandeling dient in elk geval gericht te zijn op de cannabisverslaving. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De
justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
- geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met
urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- zijn medewerking verleent aan ambulante begeleiding door een maatschappelijke
instelling, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de begeleider;
- indien ambulante begeleiding naar het oordeel van de reclassering ontoereikend blijkt, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt tot het einde van de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk wordt aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, en mr. A. van Holten en
mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
Buiten staat
Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, met onderzoeksnummer ON1R024013 BENGAAL en proces-verbaalnummer 2024042144. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.