Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-03-03
ECLI:NL:RBOVE:2025:1193
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
918 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/694
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, het college
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker gericht tegen het besluit van het college van 14 januari 2025. Daarin heeft het college besloten een tijdelijke omgevingsvergunning voor de duur van een jaar te verlenen voor het realiseren van een jongerenontmoetingsplek op de [adres] . Verzoeker woont in de buurt van deze plek.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 14 januari 2025 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Het verzoek is echter kennelijk ongegrond. Daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
1. Om een voorlopige voorziening te treffen, dient op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb sprake te zijn van “onverwijlde spoed”. Omdat het gaat om een verzoek dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure, moet er sprake zijn van een zodanige spoedeisende situatie, dat het besluit van het college op de ingediende bezwaren niet kan worden afgewacht.
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. De jongerenontmoetingsplek zal gerealiseerd worden door het plaatsen van één (zee)container, met enig toebehoren (waaronder een afvalcontainer en een plek voor het parkeren van (brom)fietsen en scooters). Uit de brief van het college van 20 februari 2025 blijkt daarnaast dat de container niet duurzaam met de grond zal worden verenigd en dat er bewust is gekozen voor een container, omdat die gemakkelijk verplaatsbaar of te verwijderen is. Met het feitelijk uitvoeren van het besluit, de plaatsing van de container met toebehoren, ontstaat daarmee geen situatie met onomkeerbare gevolgen. Indien het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden, kan de container met toebehoren op eenvoudige wijze worden verwijderd. Bovendien is niet aannemelijk dat het gebruik van de jongerenontmoetingsplek tijdens de bezwaarprocedure zal leiden tot dergelijke (onaanvaardbare) overlast, gelet op de waarborgen die hierover bij de vergunning zijn gegeven, op basis waarvan geconcludeerd moet worden dat sprake is van een zodanig spoedeisende situatie.
3. Bij het ontbreken van spoedeisend belang, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Conclusie
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter.