Rechtspraak
2025-02-27
ECLI:NL:RBOVE:2025:1166
4,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2025:1166 text/xml public 2025-11-17T14:44:30 2025-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2025-02-27 ak_24_963 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:1166 text/html public 2025-11-17T14:42:16 2025-11-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2025:1166 Rechtbank Overijssel , 27-02-2025 / ak_24_963 Tijdelijke buitenwettelijke begunstigende maatregel voor werknemers ouder dan 60 jaar (60plus-maatregel). Verwezen naar eerdere rechtbank uitspraak. ECLI:NL:RBOVE:2024:1317. Beroep ongegrond RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Almelo Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 24/963 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Stichting Buurtzorg Nederland, uit Almelo, eiseres, gemachtigde: mr. S.J. Heijtlager, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gemachtigde: A.B. Froentjes. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van een uitkering aan een ex-werkneemster op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). 1.1. Bij besluit van 7 november 2022 heeft het UWV aan een (ex)-werkneemster van eiseres, mevrouw [ex-werkneemster], (ex-werkneemster) vanaf 12 januari 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten(WGA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met het bestreden besluit van 15 december 2023 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de toekenning van deze uitkering gebleven 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het besluit 2. Ex-werkneemster is geboren op [geboortedatum] 1958. Zij heeft als huishoudelijke hulp gewerkt bij eiseres. Op 13 januari 2023 is ex-werkneemster uitgevallen voor haar werkzaamheden. Vervolgens heeft zij op 5 oktober 2022 bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Daarop heeft het UWV de re-integratie-inspanningen van eiseres beoordeeld. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Inleiding’. 3. Het UWV heeft de toekenning gebaseerd op een tijdelijke buitenwettelijke begunstigende maatregel voor werknemers ouder dan 60 jaar (60plus-maatregel). Ex-werkneemster voldoet aan deze maatregel. Ze was na 1 oktober 2022 en op de datum van het bereiken van het einde van de wachttijd voor de WIA ouder dan 60 jaar. Ex-werkneemster en eiseres zijn akkoord gegaan met toepassing van deze regeling. Het UWV heeft ex-werkneemster daarom niet volledig medisch en arbeidskundig beoordeeld, maar meteen in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering. Beoordeling door de rechtbank 4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de aan ex-werkneemster toegekende Wet WIA-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 5.1 Eiseres is eigen risico drager en moet de WIA-uitkering van haar (ex) werknemers zelf betalen. Eiseres is het er niet mee eens dat in dit geval de zogenoemde maatregel voor werknemers ouder dan 60 jaar door het UWV is toegepast. Eiseres stelt dat het UWV een inhoudelijk besluit dient te nemen op basis van een volledig arbeidsdeskundig en verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Thans is een uitkering toegekend zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Er is weliswaar sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid, maar dat beleid is in strijd met (de systematiek van) de Wet WIA, omdat een volledig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek achterwege is gebleven.Eiseres wijst er ook op dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft erkend dat deze maatregel in strijd is met de wet, omdat daarmee onderscheid wordt gemaakt naar leeftijd. 5.2 Dat de buitenwettelijke maatregel voor niemand benadelend mag zijn en dat alleen van de wet wordt afgeweken als beide partijen daarmee akkoord gaan, doet volgens eiseres niet af aan het contra-legem karakter van de regeling. Eiseres was genoodzaakt om toestemming te geven voor de vereenvoudigde WIA-beoordeling om een arbeidsconflict te voorkomen. 5.3 Daar komt bij dat ten tijde van het geven van de toestemming het voor eiseres nog niet duidelijk was en kon zijn dat ook bij weigering van haar toestemming het UWV de betaling van de uitkering voor haar rekening zou nemen. Dit is haar pas eind 2022 duidelijk geworden. Sindsdien heeft eiseres dan ook geen toestemming meer verleend in vergelijkbare gevallen. 5.4 Eiseres vindt voorts een conflict met haar ex-werkneemster onwenselijk met het oog op de re-integratieverplichtingen. Pas onlangs werd het eiseres duidelijk dat voor haar als eigenrisicodrager ook bij toepassing van de maatregel een re-integratieverplichting blijft bestaan. Deze geldt ook als sprake is van meerdere werkgevers. Omdat eiseres niet is ontheven van haar wettelijke re-integratieverplichting als eigenrisicodrager voor de WGA, vindt zij dat zij belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.5.5 Verder stelt eiseres dat de maatregel niet begunstigend is voor alle partijen. Volgens eiseres is de maatregel voor haar belastend omdat zij aan de wettelijke re-integratieverplichting moet blijven voldoen. Zij heeft ook daadwerkelijk aan deze verplichting invulling gegeven door maandelijks gesprekken met werkneemster te hebben en heeft aldus schade geleden. De maatregel moet daarom buiten toepassing blijven.5.6 Eiseres stelt dat de maatregel geen beleid is in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens eiseres gaat het om een richtlijn, die als vaste gedragslijn wordt toegepast.5.7 Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dat wordt vastgehouden aan de wettelijke re-integratieverplichting voor de eigenrisicodragende werkgever acht zij een onevenredig nadelig gevolg ten opzichte van het met het besluit te dienen doel. Zonder medische en arbeidskundige beoordeling kan immers niet van eiseres worden verwacht dat zij op een juiste wijze invulling geeft aan haar wettelijke re-integratieverplichting.5.8 Eiseres wijst verder op een rapport van de Onafhankelijke commissie toekomst arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS), waaruit volgens eiseres ook voortvloeit dat de vereenvoudigde WIA-beoordeling voor 60-plussers onrechtmatig, problematisch en in strijd met de grondgedachte van de Wet WIA is.5.9 Eiseres heeft tenslotte gewezen op de polis en de polisvoorwaarden van verzekeraar Acture Verzekeringen BV van de WGA-Hiaat Uitgebreid verzekering voor de VVT Sector overgelegd. Dit is een private verzekering voor aanvullende WGA-hiaatdekking voor de medewerkers van eiseres. Uit artikel 12 van deze polisvoorwaarden volgt dat eiseres ook jegens de verzekeraar een re-integratieplicht heeft. Indien eiseres deze verplichting niet nakomt, dan kan de verzekeraar besluiten om de aanvulling op de WIA-uitkering op eiseres te verhalen. Eiseres heeft niet alleen een publieke re-integratieplicht op grond van artikel 42 Wet WIA, maar tevens een private re-integratieplicht. Het UWV heeft dit onvoldoende betrokken bij toepassing van de maatregel. Overwegingen van de rechtbank 6.1 Deze rechtbank heeft eerder een vergelijkbaar geschil beslecht tussen eiseres en het UWV. Het betreft de uitspraak van deze rechtbank van 14 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1317. Tegen deze uitspraak is geen hoger geroep ingesteld. 7. In genoemde uitspraak heeft de rechtbank beslist dat eiseres procesbelang heeft bij haar beroep, omdat de toekenning van de WIA-uitkering aan haar ex-werkneemster voor eiseres rechtstreeks negatieve gevolgen heeft, omdat dit consequenties kan hebben voor de premie die eiseres voor de WGA-Hiaat Uitgebreid verzekering moet betalen. Dit doet zich ook voor in deze zaak en bovendien, anders dan in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 14 maart 2024, heeft eiseres nog steeds de verplichting de ex-werkneemster te re-integreren.
Volledig
De rechtbank volgt de motivering van de rechtbank in de genoemde zaak en volstaat hier met daarnaar te verwijzen. Toetsing van de maatregel 8.1 In genoemde uitspraak van 14 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen: “10.1.Het is evident dat het hier gaat om een buitenwettelijke maatregel. Deze is in strijd met de Wet WIA. Artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA schrijft immers voor dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, moet worden gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. De maatregel wijkt hier vanaf. Hiermee kent het Uwv zonder beoordeling een WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toe. In de brief van26 augustus 2022 heeft de Minister van SZW ook erkend dat de vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling afwijkt van het huidige wettelijke kader. 10.2.Een buitenwettelijke beleidsregel moet begunstigend van aard zijn. Een niet-begunstigende buitenwettelijke beleidsregel – waarin een burger of bedrijf verplicht wordt iets te doen of na te laten – die niet op een wettelijke grondslag berust, is in strijd met het legaliteitsbeginsel. Een buitenwettelijke beleidsregel mag dus slechts worden toegepast als deze voor alle partijen begunstigend is. 10.3.Uit wat de rechtbank onder 9.7. en 9.8. heeft overwogen blijkt dat de 60plus-maatregel voor werkgevers nadelige gevolgen kan hebben. Het is immers niet ongebruikelijk dat werkgevers verzekeringen afsluiten om het inkomensgat voor (ex)-werknemers bij de overgang naar een WIA-uitkering (deels) op te vullen. Dat is hier ook het geval. Het besluit om aan ex-werkneemster vanaf 28 november 2022 een WIA-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% kan evident nadelige gevolgen hebben voor eiseres. De verzekeraar kan immers de premie verhogen als het risico dat de verzekeraar een aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering moet uitbetalen toeneemt. Dit leidt er echter niet toe dat de maatregel reeds daarom niet langer als buitenwettelijk begunstigend kan worden gekwalificeerd. Immers, de 60plus-maatregel wordt enkel toegepast als zowel de werkgever als de werknemer daarmee akkoord gaan. De werkgever wordt in zoverre dus nergens toe verplicht. In zoverre is de maatregel jegens de werkgever ook begunstigend van aard. Hij krijgt immers keuzevrijheid: hij kan ervoor kiezen om jegens zijn werknemers een gunstige regeling toe te passen, of hiervan afzien en de werknemer het gebruikelijke WIA-traject laten volgen. Aldus is de maatregel voor zowel de werknemer als de werkgever begunstigend van aard, zodat de maatregel in zoverre als een buitenwettelijke begunstigende beleidsregel kan worden gekwalificeerd.” 8.2 De rechtbank volgt deze overwegingen ook in de onderhavige zaak. Het betoog van eiseres dat bovenstaande voor haar niet geldt, omdat zij ten tijde van het geven van de toestemming niet over alle benodigde informatie beschikte, wordt niet gevolgd. Eiseres heeft gesteld dat als zij ten tijde van het geven van toestemming ervan op de hoogte was geweest, dat ook bij een weigering van toestemming de uitkering niet bij haar in rekening zou worden gebracht, dat zij dan geen toestemming zou hebben gegeven. Dat eiseres nu achteraf gesproken een andere afweging zou hebben gemaakt, doet er niet aan af dat zij destijds wel bewust toestemming heeft gegeven. Dit leidt daarom niet tot de conclusie dat de toepassing van de maatregel in dit geding met drie partijen onevenredige gevolgen heeft. Dat hangt immers af van onzekere factoren, omdat ook na een volledige beoordeling ex-werkneemster mogelijk recht zou hebben gehad op een WIA-uitkering naar een zelfde mate van arbeidsongeschiktheid. Er bestaat geen aanleiding de maatregel buiten toepassing te laten. 8.3 De rechtbank volgt in deze zaak ook de volgende overwegingen van de rechtbank uit de uitspraak van 14 maart 2024: “10.4.Naar de huidige stand van het recht is de rechterlijke toetsing van buitenwettelijk (begunstigend) beleid beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan het beleid consistent heeft toegepast en of fundamentele rechten waarop de betrokkene zich heeft beroepen niet zijn geschonden. In het kader van deze toetsing is niet aan de orde of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 Awb. 10.5.Er zijn geen aanwijzingen dat het Uwv het beleid niet consistent toepast. Voor zover eiseres nog heeft aangevoerd dat toepassing van de maatregel strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en een verboden leeftijdsdiscriminatie inhoudt, stuit die beroepsgrond af op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb. Het gelijkheidsbeginsel strekt in dat verband immers tot waarborging van de rechten van werknemers die de leeftijd van 60 jaren nog niet hebben bereikt, maar strekt naar zijn aard niet tot bescherming van de werkgever. In zoverre kan de maatregel het huidige toetsingskader van de CRvB doorstaan. 10.6. Voor zover voor de toetsing van buitenwettelijk beleid aansluiting moet worden gezocht bij de conclusie van Raadsheer Advocaat-Generaal De Bock, hetgeen gelet op de motivering in die conclusie naar het oordeel van de rechtbank in de rede ligt, kan de 60plus-maatregel ook die toetsing doorstaan. Voor tegenwettelijk beleid, moet dan naast de huidige maatstaf van de CRvB, ook getoetst worden of de beleidsregel in het concrete geval een uitwerking heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In dat verband is relevant dat de maatregel enkel met instemming van de werkgever wordt toegepast. Als de werkgever, zoals in casu, na instemming met de toepassing van de maatregel vervolgens tot een ander inzicht komt, en hier niet langer aan wenst mee te werken, maakt dat de uitwerking van het beleid naar het oordeel van de rechtbank in het concrete geval niet onevenredig belastend. De nadelige gevolgen van de toepassing ervan zijn in dat geval immers een gevolg van de eerdere instemming van de werkgever met de toepassing van de maatregel. De gevolgen van die instemming dienen daarom ook in redelijkheid voor rekening en risico van de werkgever te blijven. Van onevenredig nadelige gevolgen van de toepassing van de maatregel kan, gelet op de uitdrukkelijke instemming die door de werkgever moet worden gegeven, niet worden gesproken, zodat ook in zoverre er geen aanleiding bestaat om de buitenwettelijke maatregel als strijdig met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. 10.7.Voor zover nog is aangevoerd dat de 60plus-maatregel als een vaste gedragslijn c.q. richtlijn moet worden gekwalificeerd, overweegt de rechtbank dat eiseres hieraan geen (zelfstandig) rechtsgevolg heeft verbonden in haar beroepsgronden. Niet is aangevoerd waarom dat zou moeten leiden tot een andere toetsingsmaatstaf dan hiervoor is gehanteerd, althans tot een toetsingsmaatstaf die tot een ander oordeel zou moeten leiden. 10.8.De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de 60plus-maatregel als buitenwettelijk (begunstigend) beleid moet worden aangemerkt, verder voldoet aan de criteria die aan buitenwettelijk begunstigend beleid worden gesteld, en dat de aangevoerde beroepsgronden geen aanleiding geven om deze beleidsregel in het concrete geval buiten toepassing te laten.” Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van mr.E.G.M. ten Kate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.