Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-02-25
ECLI:NL:RBOVE:2025:1143
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,727 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11383324 \ CV EXPL 24-2166
Vonnis van 25 februari 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. G. Bakker,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] van 25 oktober 2024- de conclusie van antwoord van [gedaagde]- de conclusie van repliek van [eiseres].
1.2.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd op de conclusie van repliek van [eiseres].
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De samenvatting
[eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van een factuur voor de levering van een aantal zaken. [gedaagde] heeft gesteld dat zij niet alle bestelde zaken heeft ontvangen en daarom de geleverde zaken retour heeft gestuurd. [eiseres] heeft betwist dat de levering onvolledig was en heeft betwist dat zij de zaken retour heeft ontvangen. Daar heeft [gedaagde] niet op gereageerd. Daarom volgt de kantonrechter [eiseres] en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de factuur, de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres], met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten. De kantonrechter licht dit oordeel hierna toe.
Feiten
3.1.
In augustus 2022 heeft [gedaagde] een bestelling geplaatst bij [eiseres] tot levering van tweemaal een ‘starter kit Versaflo’ en tweemaal een ‘vizierhelm’ (hierna: de bestelde zaken) voor een bedrag van € 2.446,81 inclusief btw.
3.2.
Op 15 augustus 2022 heeft [gedaagde] goederen ontvangen.
3.3.
[gedaagde] heeft de factuur van [eiseres] niet betaald.
Geschil
4.1.
[eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.393,15 (bestaande uit € 2.446,81 aan hoofdsom, € 579,32 aan wettelijke handelsrente tot datum dagvaarding en € 367,02 aan incassokosten), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de datum van de dagvaarding en de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] is het niet eens met deze vordering. Volgens [gedaagde] is de bestelling incompleet geleverd. Er zouden twee vizierhelmen ontbreken. Om die reden heeft zij de ontvangen zaken retour gestuurd aan [eiseres] en verzocht om een creditfactuur. Die creditfactuur heeft [gedaagde] nooit ontvangen. Verder stelt [gedaagde] dat zij niet eerder wat van [eiseres] heeft gehoord ten aanzien van de openstaande factuur en dat zij hiervan pas begin april 2024 voor het eerst op de hoogte is gebracht door de deurwaarder.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Partijen zijn het erover eens dat tussen [eiseres] als verkoper en [gedaagde] als koper een koopovereenkomst is gesloten. [gedaagde] heeft namelijk een bestelling bij [eiseres] geplaatst tot levering van een aantal zaken.
5.2.
In geschil is in hoeverre [eiseres] heeft voldaan aan haar leveringsverplichting en in hoeverre [gedaagde] (alsnog) moet voldoen aan haar betalingsverplichting.
5.3.
Nu partijen het er over eens zijn dat er tussen hen een overeenkomst bestond, op grond waarvan [gedaagde] goederen heeft besteld, is het uitgangspunt dat [gedaagde] ook haar verplichting moet nakomen door de factuur daarvoor te betalen aan [eiseres].
5.4.
Echter, [gedaagde] heeft gesteld dat de levering niet compleet was en dat zij de ontvangen goederen daarom heeft teruggestuurd. Dat begrijpt de kantonrechter als een beroep op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [eiseres], gevolgd door een ontbinding van de overeenkomst door [gedaagde] (de artikelen 6:74 en 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Het is aan [gedaagde] om die stellingen te onderbouwen, op haar rust de stelplicht uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
5.5.
[eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij de bestelling niet volledig c.q. niet compleet zou hebben geleverd, aangezien zij heeft aangevoerd dat in de twee geleverde starter kits de twee vizierhelmen zitten. Op de factuur zijn de vizierhelmen separaat opgenomen tegen een nultarief, wat bij [gedaagde] wellicht tot een misverstand geleid zou kunnen hebben. Ook heeft [eiseres] weersproken dat de overeenkomst is ontbonden, omdat zij daarvan geen bericht heeft ontvangen en ook geen goederen retour heeft ontvangen.
5.6.
Hoewel [gedaagde] daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft zij hier niet meer op gereageerd. [gedaagde] heeft namelijk geen conclusie van dupliek ingediend. [gedaagde] heeft ook geen stukken ingediend, waaruit de kantonrechter kan afleiden dat de bestelling incompleet was, of door [gedaagde] is geretourneerd (ontbonden). [gedaagde] heeft in haar e-mailbericht van 31 mei 2024 ook erkend dat zij geen bewijs (meer) kan leveren van de gestelde retournering. Dat komt voor risico van [gedaagde]. Dit betekent dat de kantonrechter het verweer van [gedaagde] moet afwijzen, omdat het wordt tegengesproken door [eiseres] en [gedaagde] geen onderbouwing heeft overgelegd. Aan (verdere) bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.
Conclusie
5.7.
De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de factuur van [eiseres] moet betalen, omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de overeenkomst heeft ontbonden door de goederen te retourneren. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] tot betaling van de factuur van 15 augustus 2022 ter hoogte van € 2.446,81 inclusief btw toe.
Wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten
5.8.
[eiseres] vordert € 579,32 aan wettelijke handelsrente uit hoofde van artikel 6:119a BW over het factuurbedrag van € 2.446,81 tot de datum van de dagvaarding (25 oktober 2024). [gedaagde] heeft niets tegen dit deel van de vordering ingebracht en zal daarom worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
5.9.
Verder vordert [eiseres] een bedrag van € 367,02 ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering heeft zij enerzijds gegrond op haar algemene voorwaarden, anderzijds op de wet (met verwijzing naar artikel 6:96 BW). De vordering die is gegrond op de algemene voorwaarden kan niet worden toegewezen, omdat [eiseres] haar algemene voorwaarden niet in het geding heeft gebracht.
5.10.
Ten aanzien van de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten die is gegrond op de wet (artikel 6:96 BW), overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord weliswaar aangevoerd dat zij niets heeft gemerkt van het door [eiseres] gevoerde incassobeleid, maar [eiseres] heeft bij conclusie van repliek onderbouwd dat en wanneer zij [gedaagde] (herhaaldelijk) heeft aangemaand. Dat heeft [gedaagde] – bij gebreke van een conclusie van dupliek – niet weersproken. Bovendien leest de kantonrechter in productie 3 bij dagvaarding een reactie van een medewerker van [gedaagde] op een bericht van de incassogemachtigde van [eiseres], zodat de kantonrechter er vanuit gaat dat die berichten [gedaagde] hebben bereikt. Aan de wettelijke eisen van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is daarom voldaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bovendien conform het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is bepaald. Daarom wordt een bedrag van € 367,02 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.
Conclusie
5.11.
[gedaagde] moet de hoofdsom, de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen aan [eiseres]. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] in haar geheel wordt toegewezen.
Proceskosten
5.12.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,37
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.203,37
Dictum
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.393,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.446,81 vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.203,37 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025.