Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-02-12
ECLI:NL:RBOVE:2024:720
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
13,857 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71-093445-22 (P)
Datum vonnis: 12 februari 2024
Verstekvonnis in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres 1] .
1Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 januari 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. P.F. Hoekstra.
2De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van april 2020 tot en met maart 2021 te Bali en/of in Nederland deelnam aan een criminele organisatie die verdovende middelen importeerde in Nederland en/of exporteerde naar andere Europese landen en/of die verdovende middelen verhandelde;
feit 2: in de periode van 11 februari 2021 tot en met 4 maart 2021 samen met anderen opzettelijk ongeveer 191 kilogram cocaïne vanuit Nederland exporteerde naar het Verenigd Koninkrijk, en/of die cocaïne verhandelde en/of aanwezig had;
feit 3: in de periode van 17 november 2020 tot en met 26 november 2020 samen met anderen opzettelijk ongeveer 30 kilogram cocaïne en 35 blokken cocaïne vanuit Nederland exporteerde naar het Verenigd Koninkrijk, en/of die cocaïne verhandelde en/of aanwezig had;
feit 4: in de periode van 8 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 vanuit Bali samen met anderen opzettelijk ongeveer 20 kilogram cocaïne exporteerde van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk, en/of die cocaïne verhandelde en/of aanwezig had.
Voluit en letterlijk weergegeven luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
Feit 1 (zaaksdossier 8;)
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van april 2020 tot en met maart 2021,
te Bali en/of in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere personen,
welke organisatie tot oogmerk had liet plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in
o artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of
o artikel 10a eerste lid Opiumwet en/of
o artikel 11, derde, vierde, vijfde lid en/of
o artikel 11a Opiumwet,
betreffende het binnen het grondgebied van Nederland brengen (invoeren) en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van
o harddrugs, te weten cocaïne en/of heroïne en/of speed (amfetamine) en/of mdma, althans harddrugs, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
o softdrugs, te weten hasjiesj en/of hennep en/of wiet en/of cannabis, althans softdrugs, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, vanuit Nederland naar Zweden en/of Denemarken en/of Noorwegen en/of het Verenigd Koninkrijk en/of Italië en/of Spanje, en/of vanuit Spanje naar Nederland, althans vanuit verschillende Europese landen naar Nederland en/of vanuit Nederland naar verschillende Europese landen;
2.
Feit 2 (zaaksdossier 4)
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2021 tot en met 4 maart 2021 te Rugby en/of Odijk en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of Spijkenisse en/of te Bali, althans (ook) elders in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk,
meermalen, althans eenmaal (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A) (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en/of
B) opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoert, en/of
C) althans in elke geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,
-ongeveer 60 kilogram cocaïne, en/of
-ongeveer 61 kilogram cocaïne, en/of
-ongeveer 70 kilogram cocaïne,
althans in elk geval (telkens) een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoel in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
Feit 3 (zaaksdossier 7)
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 17 november 2020 tot en met 26 november 2020, te Rugby en/of Ripley en/of Leeds en/of Tilburg en/of Moordrecht en/of te Bali, althans (ook) elders in Nederland,
meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en/of
B) opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoert, en/of
C) althans in elke geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,
-ongeveer 15 kilogram cocaïne, en/of
-ongeveer 15 kilogram cocaïne, en/of
-ongeveer 35 blokken cocaïne,
althans in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoel in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
Feit 4 (zaaksdossier 5)
hij (op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 8 mei 2020 tot en met 20 mei 2020,
te Dartford en/of Utrecht en/of te Bali, althans (ook) elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
A) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en/of
B) opzettelijk heeft/hebben bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoert, en/of
C) althans in elke geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad,
- 20,02 kilogram cocaïne,
althans in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoel in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3.
Beoordeling
De strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] zijn reeds afgerond. Zij zullen om die reden in dit vonnis steeds worden aangeduid als ‘veroordeelde’. Voor de leesbaarheid van het vonnis zullen de verdachten en de veroordeelden bij het bespreken van de feiten en omstandigheden bij naam worden genoemd.
Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen SkyECC-data, ANOM-data en Encrochat-data. De verdachten en de veroordeelden hebben gebruik gemaakt van telefoons waarop deze diensten geïnstalleerd waren. De accounts stonden niet op hun eigen naam geregistreerd maar onder een ‘nickname’ of een gebruikersnaam. Alvorens de rechtbank overgaat tot de bespreking van de feiten, zullen eerst de identificaties van de verschillende accounts worden besproken. Daarna zal de rechtbank feit 2, feit 3 en feit 4 bespreken alvorens zij ingaat op feit 1 (de criminele organisatie).
3.3.1
Feiten
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
3.3.1.1 Identificaties
De verdachten en de veroordeelden konden door middel van onderzoek door de politie als volgt geïdentificeerd worden:
- verdachte [verdachte] maakte gebruik van het Encrochat-account ‘ [alias 3] ’, van het SkyECC-account [alias 4] en van het ANOM-account [alias 5] . Uit zowel Encrochat-gesprekken als SkyECC-gesprekken blijkt dat [verdachte] zich ten tijde van de gesprekken op Bali bevond;
- verdachte [medeverdachte 3] maakte gebruik van het SkyECC-account [alias 6];
- verdachte [medeverdachte 4] maakte gebruik van het SkyECC-account [alias 7];
- verdachte [medeverdachte 6] maakte gebruik van het ANOM-account [alias 8];
- veroordeelde [medeverdachte 2] maakte gebruik van het Encrochat-account ‘ [alias 2] ’, van het SkyECC-account [alias 9] en van het ANOM-account [alias 10];
- veroordeelde [medeverdachte 5] maakte gebruik van het SkyECC-account [alias 11];
- veroordeelde [medeverdachte 1] maakte gebruik van de SkyECC-accounts [alias 12] en [alias 13].
3.3.1.2 Feit 2 (zaaksdossier 4)
Op 16 februari 2021, 21 februari 2021 en 4 maart 2021 hebben transporten van ‘blokken’ vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. Met een ‘blok/stuk’ wordt één kilo cocaïne bedoeld. De (chat)gesprekken met betrekking tot deze transporten hebben plaatsgevonden via SkyECC en ANOM.
Transport 16 februari 2021
De voorbereidende gesprekken
Tussen 11 en 14 februari 2021 werden er verschillende gesprekken gevoerd waaraan in wisselende samenstelling [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] deelnamen. Deze gesprekken hadden betrekking op de overdracht en het transport van 60 ‘blokken/stuks’ naar het Verenigd Koninkrijk. [verdachte] heeft op 11 februari 2021 contact gehad met [medeverdachte 4] met de vraag of deze 60 blokken op transport naar het Verenigd Koninkrijk konden. [medeverdachte 4] vroeg dit vervolgens aan [medeverdachte 5] , degene die de chauffeur regelt, die antwoordde dat dit geen probleem was. [medeverdachte 4] koppelde dit gesprek, direct na afloop daarvan, terug aan [medeverdachte 2] . Daarna zijn er nog een aantal chats gevolgd waarin [medeverdachte 4] vragen stelde aan [medeverdachte 5] over de wijze van het vervoer van de blokken en overige details omtrent het transport. Tussentijds rapporteerde [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] . [verdachte] stuurde [medeverdachte 2] het adres waar de cocaïne moest worden ‘aangepakt’, namelijk de [adres 2] . [medeverdachte 2] stuurde vervolgens een bericht naar [medeverdachte 4] dat de spullen op 15 februari 2021 aan de [adres 2] aangepakt moesten worden. [medeverdachte 4] gaf dit op zijn beurt weer door aan [medeverdachte 5] .
De overdracht in Nederland
Een niet nader geïdentificeerd contact van [verdachte] was verantwoordelijk voor het leveren van de cocaïne namens [verdachte] aan [medeverdachte 5] . Op 15 februari 2021 stelde [verdachte] zijn contact op de hoogte van het tijdstip waarop [medeverdachte 5] zou arriveren en de auto waarin hij zou rijden. Enige tijd later werd de locatie van de overdracht door het contact van [verdachte] gewijzigd naar het adres [adres 3] , omdat nabij de oorspronkelijke afspraakplek politie en ambulance aanwezig waren. Het adres werd door [verdachte] doorgestuurd aan [medeverdachte 2] . Het adres werd door [medeverdachte 4] (namens [medeverdachte 2] ) naar [medeverdachte 5] gestuurd. Korte tijd later werden de 60 blokken cocaïne aan [medeverdachte 5] overgedragen door het contact van [verdachte] . [medeverdachte 5] berichtte [medeverdachte 4] dat ‘het’ gebeurd was en dat hij de 60 stuks had ‘ingebouwd’.
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk
Op 16 februari 2021 reisde de chauffeur waarmee [medeverdachte 5] in contact stond met een vrachtwagen via de Kanaaltunnel naar het Verenigd Koninkrijk. De 60 blokken waren verstopt in de lading van de vrachtwagen. De chauffeur reed voor het bedrijf [bedrijf 2] . Op 17 februari 2021 werden de blokken overgedragen in de plaats Rugby (Verenigd Koninkrijk) aan een contact van [verdachte] . Voor deze overdracht werd gebruik gemaakt van een zogenoemde ‘token’. Dit betrof een code die op een bankbiljet stond. Dit bankbiljet is fysiek (door het contact van [verdachte] ) getoond gedurende de overdracht van de 60 blokken aan de chauffeur van [medeverdachte 5] . De chauffeur heeft dit biljet gecontroleerd.
De financiële afwikkeling
[medeverdachte 2] kreeg een bedrag van € 2000,00 per getransporteerd blok van [verdachte] (in totaal € 120.000,00). [verdachte] hield de financiële administratie bij in een Excel-bestand. [medeverdachte 2] betaalde [medeverdachte 5] na het transport € 1.700,00 per blok (in totaal € 102.200,00).
Transport 21 februari 2021
De voorbereidende gesprekken
Tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] werden op 19 februari 2021 voorbereidende gesprekken gevoerd over het transport van 62 blokken cocaïne. Dit naar aanleiding van het gesprek op 19 februari 2021 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] door middel van de ANOM-chat, waarin [verdachte] als opdrachtgever aangaf graag weer mee te willen op het transport. Na het contact met [medeverdachte 5] , vroeg [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] of de overdracht op 20 februari 2021 om 15:00 uur kon plaatsvinden. [medeverdachte 2] bevestigde dit namens [verdachte] . De blokken moesten volgens [verdachte] op het adres [adres 4] worden overgedragen aan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 4] berichtte [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 5] met een zwarte Skoda met Belgisch kenteken zou komen op de locatie.
De overdracht in Nederland
Een niet nader geïdentificeerd contact van [verdachte] was namens hem verantwoordelijk voor het leveren van de blokken cocaïne aan [medeverdachte 5] . De blokken zijn uiteindelijk op 20 februari 2021 aan [medeverdachte 5] overgedragen. [medeverdachte 5] berichtte [medeverdachte 4] dat hij 61 blokken had ‘ingebouwd’. Onderling werd discussie gevoerd over of in totaal 61 of 62 blokken overgedragen zouden zijn. Door [verdachte] werd bevestigd dat het om 61 blokken ging.
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk
Op 21 februari 2021 reisde de chauffeur waarmee [medeverdachte 5] in contact stond met een vrachtwagen naar de Engelse plaats Rugby. De chauffeur reed wederom voor het bedrijf [bedrijf 2] . [medeverdachte 5] berichtte [medeverdachte 4] dat de chauffeur op 22 februari 2021 om 23:00 uur op de parkeerplaats in Rugby zou zijn. [medeverdachte 4] koppelde dit terug aan [medeverdachte 2] . Op 22 februari 2021 werden de 61 blokken overgedragen (op dezelfde parkeerplaats als tijdens de overdracht op 17 februari 2021) aan een contact van [verdachte] . [medeverdachte 2] wilde voor de overdracht wederom een token ontvangen van [verdachte] . De token betrof een code die op een bankbiljet stond. [medeverdachte 4] werd door [medeverdachte 5] geïnformeerd over de aankomst van de chauffeur.
Beoordeling
De rechtbank is, op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
3.3.2.1 Feit 2, feit 3 en feit 4
De uitvoer van cocaïne
Vast staat dat op verschillende hierboven genoemde data cocaïne van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk is vervoerd. De cocaïne is op deze manier buiten het grondgebied van Nederland gebracht.
De betrokkenheid van verdachte
De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de chatberichten van Encrochat, SkyECC en ANOM, een duidelijk beeld is ontstaan van de rol van iedere verdachte/veroordeelde bij de uitvoer, verkoop, aflevering en het vervoer van de cocaïne.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat onder meer verdachte behoort tot de hoofdrolspelers die de uitvoer van de cocaïne mogelijk hebben gemaakt. Verdachte was steeds degene die de opdracht tot de cocaïnetransporten gaf. Hij was ook degene die de cocaïne beschikbaar stelde en in Nederland liet afleveren bij de transporteur en de cocaïne vervolgens in het Verenigd Koninkrijk liet aanpakken. Bij de bespreking van de criminele organisatie (paragraaf 3.3.2.2) zal nader worden ingegaan op de specifieke rol van iedere verdachte/veroordeelde.
Medeplegen
Voor medeplegen is noodzakelijk dat er sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met anderen. Dit betreft een samenwerking die is gericht op het voltooien (gezamenlijk uitvoeren) van het delict. Verdachte dient daarvoor een materiële of intellectuele bijdrage te leveren die van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict. Het is niet nodig dat komt vast te staan dat een verdachte weet heeft van de (exacte) gedragingen die later of eerder in het traject door zijn medeverdachten worden verricht.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband, blijkt naar het oordeel van de rechtbank steeds van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen. Het gezamenlijke doel was het uitvoeren van cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk. Alle verdachten/veroordeelden hadden een cruciale rol binnen het geheel. Zij waren op de hoogte van elkaars rol en onderlinge communicatie. Als een van hen zou wegvallen, zou dat gevolgen hebben voor het al dan niet slagen van de transporten. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde voorhanden hebben van cocaïne én de uitvoer, de verkoop, de aflevering, de verstrekking en het vervoer daarvan.
3.3.2.2 Feit 1 (zaaksdossier 8) – de criminele organisatie
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie onder een organisatie in de zin
van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 11b van de Opiumwet (OW)
wordt bedoeld een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen
ten minste twee personen. Dit kan blijken uit een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. De samenstelling van het samenwerkingsverband hoeft niet steeds hetzelfde te zijn en niet is vereist dat de verdachte samenwerkte of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen of voorbereiden van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven door de organisatie wordt beoogd en dat de verdachte weet dat de organisatie dat oogmerk heeft. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie ligt tevens het opzet van verdachte besloten.
De rechtbank overweegt dat bij de hierboven genoemde drugstransporten telkens sprake was van dezelfde modus operandi. De handelswijze komt op essentiële punten overeen en steeds waren dezelfde personen erbij betrokken. De rechtbank concludeert op basis van de volgende omstandigheden dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . In dit samenwerkingsverband was sprake van een zekere structuur en hiërarchie.
[medeverdachte 2] was de coördinator van de transporten. Hij werd benaderd door opdrachtgever [verdachte] en zorgde er voor dat de cocaïne werd vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 2] benaderde namens [verdachte] de transporteurs ( [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] ) die het netwerk hadden om het transport te kunnen (laten) uitvoeren. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] namen het regelen van het daadwerkelijke transport voor hun rekening. Zij hadden in hun netwerk meerdere chauffeurs beschikbaar die de verdovende middelen (via een transportonderneming) konden en wilden transporteren van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Zij stonden in direct contact met de chauffeurs, stuurden hen aan en waren daarom op de hoogte van de route en de laad- en losplekken.
[verdachte] had in Nederland contacten die de cocaïne overdroegen aan [medeverdachte 5] of (contacten van) [medeverdachte 1] . In het Verenigd Koninkrijk had [verdachte] contacten die de cocaïne weer aanpakten. Daarnaast hield [verdachte] een uitgebreide financiële administratie bij in Excel van alle transporten die hij liet uitvoeren.
[medeverdachte 4] voerde allerlei hand- en spandiensten uit voor [medeverdachte 2] en nam in diens afwezigheid ook taken over. [medeverdachte 4] had hierdoor veel contact met [medeverdachte 2] en beiden zagen elkaar ook fysiek. [medeverdachte 4] onderhield, in opdracht van [medeverdachte 2] , contact met de transporteurs. Hij hield [medeverdachte 2] constant op de hoogte van de communicatie met de transporteurs, zodat [medeverdachte 2] deze informatie weer kon delen met opdrachtgever [verdachte] . [verdachte] betaalde [medeverdachte 2] voor zijn diensten. [medeverdachte 2] betaalde [medeverdachte 4] voor zijn diensten.
[medeverdachte 3] kwam in beeld wanneer het aankwam op de financiën. Hij nam, in opdracht van [medeverdachte 2] , het geld in ontvangst en hield dit onder zich in het kader van de financiële afwikkeling van de transporten. [medeverdachte 3] zorgde ervoor dat de transporteurs ( [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] ) werden betaald.
Binnen de organisatie werd er alles aan gedaan om te verhullen dat sprake was van drugstransporten van Nederland naar het buitenland. Er was sprake van versluierd taalgebruik en door het gebruik van cryptocommunicatie werd de onderlinge communicatie afgeschermd van de buitenwereld.
Deze organisatie heeft een drugslijn opgezet, waarbij cocaïne in vrachtwagens – verstopt tussen, met of bij allerlei legale goederen– van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk werd vervoerd. Er werd aldus gebruik gemaakt van legale (dek)lading. De organisatie had het oogmerk om de cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen.
Uit de inhoud van de chatberichten leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat de organisatie waar hij deel van uitmaakte tot oogmerk had het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne.
Dictum
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;
feit 2 en het feit 3, telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegdenmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegdenmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4, het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbodenmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbodenmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 135 (zegge: honderdvijfendertig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.J.A.L. Beljaars en mr. A.J. de Loor, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Gottemaker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2024.
Indien hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie, team 2e Lijns Opsporing Noord-Oost, met nummer LEFCE20006-727, genaamd ‘26Kirtland’ d.d. 30 november 2021. Er wordt steeds verwezen naar documenten/bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Proces-verbaal ‘Algemeen dossier 26Kirtland’, p. 9.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 4] , zaaksdossier 7, p. 5-14.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 4] , zaaksdossier 7, p. 5 t/m 14.
Proces-verbaal van identificatie ANOM gebruiker [alias 5] , zaaksdossier 4, p. 36-46.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 4] , zaaksdossier 5, p. 10.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 6] , zaaksdossier 4, p. 27-30 en de bekennende verklaring van verdachte [medeverdachte 3] ter terechtzitting van 23 januari 2024.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 7] , zaaksdossier 4, p. 5-7.
Proces-verbaal van identificatie ANOM gebruiker [alias 8] , zaaksdossier 4, p. 47-54.
Proces-verbaal van identificatie Encrochat gebruiker [alias 2] , zaaksdossier 5, p. 1-4.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 9] , zaaksdossier 4, p. 1-4.
Proces-verbaal van identificatie ANOM gebruiker [alias 10] , zaaksdossier 4, p. 31-35.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 11] , zaaksdossier 4, p. 8-14.
Proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 12] , zaaksdossier 7, p. 41-45 en proces-verbaal van identificatie SkyECC gebruiker [alias 13] , zaaksdossier 7, p. 56-58.
Proces-verbaal van bevindingen, zaaksdossier 4, p. 83-86. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat cocaïne doorgaans na productie in blokken van een kilo per stuk wordt samengeperst, verpakt en vervoerd.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 83.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 203.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 86.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 204-206.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 87-90.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 208.
Een token betreft een controlemiddel zodat men weet dat met de juiste partij zaken wordt gedaan. Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 208 en proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 105.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 216-220.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 90-107.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 109.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 222.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 109.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 226.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 109.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 223 ev.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 110-112 en proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 234.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 232.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 229.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 113-118.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 237-238.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 118-121 en proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 239-241.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 109.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 243.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 125 en
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 247-248, proces-verbaal van observeren d.d. 3 maart 2021, zaaksdossier 4, p. 17-20 en proces-verbaal van bevindingen identificatie [medeverdachte 6] , zaaksdossier 4p. 296-297.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 127-128 en proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 254.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 134.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 271.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 272-273.
Proces-verbaal van observeren d.d. 6 maart 2021, zaaksdossier 4, p. 23-26.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2021, zaaksdossier 4, p. 319-320.
Proces-verbaal van bevindingen AMON gesprekken, zaaksdossier 4, p. 277-278.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 4, p. 143.
Proces-verbaal van bevindingen ‘ [omschrijving] ’, zaaksdossier 4, p. 186 i.c.m. proces-verbaal van bevindingen ANOM-gesprekken, zaaksdossier 4, p. 76-77.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 7, p. 106-114.
Proces-verbaal van bevindingen SkyECC gesprekken, zaaksdossier 7, p.
Feiten
Enige tijd later werden door [medeverdachte 5] duimpjes gestuurd naar [medeverdachte 4] en berichtte [medeverdachte 5] dat de derde persoon (het contact van [verdachte] ) weer ‘uit reed’.
De financiële afwikkeling
Op 23 februari 2023 werd door [verdachte] per getransporteerd blok € 2000,00 aan [medeverdachte 2] betaald (in totaal € 122.000,00). Dit bedrag werd in opdracht van [medeverdachte 2] in ontvangst genomen door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] haalde hier vervolgens in opdracht van [medeverdachte 2] een geldbedrag van € 18.300,00 uit. Het restant werd aan [medeverdachte 5] uitbetaald door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] kreeg per blok € 300,00 betaald voor zijn diensten (in totaal € 18.300,00). [verdachte] hield de financiële administratie bij in een Excel-bestand.
Transport 4 maart 2021
De voorbereidende gesprekken
Tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] werden tussen 26 februari 2021 en 2 maart 2021 voorbereidende gesprekken gevoerd over het transport van 70 blokken cocaïne. Dit naar aanleiding van het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarin [verdachte] als opdrachtgever vroeg hoeveel blokken er maximaal mee konden op transport. [medeverdachte 2] reageerde dat er 70 blokken mee konden. [medeverdachte 2] stelde [medeverdachte 4] er vervolgens (namens [verdachte] ) van op de hoogte dat de 70 stuks kon worden opgehaald in Spijkenisse. [medeverdachte 5] berichtte [medeverdachte 4] dat hij wederom met een zwarte Skoda zou komen.
De overdracht in Nederland
De 70 blokken werden op 3 maart 2021 via medeverdachte [medeverdachte 6] overgedragen aan [medeverdachte 5] op de parkeerplaats van de Jumbo aan de [adres 5] in Spijkenisse. [medeverdachte 6] pakte drie bruine kartonnen dozen uit de kofferbank en zette deze dozen op de achterbank van de Skoda waar [medeverdachte 5] in reed. Bij de overdracht werd gebruikt gemaakt van een token. De token betrof een code die op een bankbiljet stond. [medeverdachte 5] stuurde diezelfde avond een foto naar [medeverdachte 4] waarop de 70 blokken te zien waren.
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk
Op 4 maart 2021 reisde de chauffeur waarmee [medeverdachte 5] in contact stond met een vrachtwagen via de Kanaaltunnel naar het Verenigd Koninkrijk. Diezelfde dag zijn de blokken overgedragen op de parkeerplaats in Rugby (dezelfde locatie als bij de vorige overdrachten) aan een contact van [verdachte] . [medeverdachte 4] werd er door [medeverdachte 5] van op de hoogte gesteld dat hij had gehoord dat het ‘geregeld’ was. [verdachte] berichtte [medeverdachte 2] vervolgens ook dat de blokken overgedragen waren.
De financiële afwikkeling
Op 5 maart 2023 werd door [verdachte] € 2000,00 per getransporteerd blok aan [medeverdachte 2] betaald (in totaal € 140.000,00). Dit geld is namens [medeverdachte 2] aangenomen door [medeverdachte 3] . Op 6 maart 2021 liet [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] ook een bedrag uitbetalen aan [medeverdachte 5] . Tijdens eerdere transporten verdiende [medeverdachte 5] € 1.700,00 per blok. Om die reden zou hij nu € 119.000,00 (70 x € 1.700,00) verdiend moeten hebben.
Op 6 maart 2021 is waargenomen dat [medeverdachte 3] met een kartonnen doosje uit zijn woning liep en dit overdroeg aan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] werd vervolgens in een zwarte Skoda met een Belgisch kenteken staande gehouden. In een verborgen ruimte van de auto werd een kartonnen doosje aangetroffen met exact € 119.000,00. [verdachte] hield de financiële administratie bij in een Excel-bestand. [medeverdachte 2] verdiende omgerekend € 300,00 per blok (in totaal € 21.000,00). [medeverdachte 3] mocht van [medeverdachte 2] een bedrag van € 1.500,00 voor zichzelf houden, waardoor er € 19.500,00 voor [medeverdachte 2] over bleef. Precies dit bedrag is tijdens een doorzoeking op 9 maart 2021 bij [medeverdachte 3] aangetroffen.
3.3.1.3 Feit 3 (zaaksdossier 7)
Op 18 november 2020, 25 november 2020 en 26 november 2020 hebben transporten van blokken cocaïne vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden. De (chat)gesprekken met betrekking tot de transporten hebben plaatsgevonden via SkyECC en ANOM.
Transport 18 november 2020
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk
Op 17 november 2020 vroeg [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 4] of een chauffeur van [medeverdachte 5] nog ging rijden naar het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 4] stond in direct contact met [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] antwoordde dat de chauffeur op 18 november 2020 in Rugby zou aankomen. [medeverdachte 4] hield [medeverdachte 2] op de hoogte van de stand van zaken omtrent het transport. Volgens [medeverdachte 4] waren de ‘15’ onderweg. Ondertussen had [medeverdachte 2] ook contact met [verdachte] , de opdrachtgever van het transport.
Op 18 november 2020 zijn 15 blokken cocaïne in Rugby door de chauffeur van [medeverdachte 5] overgedragen aan een contact van [verdachte] . Door het contact van [verdachte] moest het codewoord ‘rolex’ gebruikt worden. Na de overdracht werd op 19 november 2020 door [medeverdachte 2] aan [verdachte] gevraagd of hij weer blokken cocaïne wilde meesturen op transport met [medeverdachte 5] . [verdachte] antwoordde hier positief op en wilde weer 15 blokken meesturen.
De financiële afwikkeling
Op 19 november 2020 stuurde [medeverdachte 2] [medeverdachte 4] aan om de betaling aan [medeverdachte 5] te regelen. [medeverdachte 4] stuurde op zijn beurt [medeverdachte 3] aan. [medeverdachte 3] heeft het geld op 19 november 2020 op de parkeerplaats van de Plus supermarkt aan de [adres 6] in Soesterberg overgedragen aan [medeverdachte 5] . Bij de overdracht van het geld moest het codewoord ‘Barcelona’ gebruikt worden.
Transport 25-26 november 2020
De voorbereidende gesprekken
Zoals hierboven is beschreven, werden vanaf 19 november 2020 al voorbereidende gesprekken gevoerd tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] over een nieuw transport van 15 blokken cocaïne. [medeverdachte 2] vroeg [medeverdachte 4] om aan [medeverdachte 5] te vragen of er ruimte voor 15 blokken gereserveerd kon worden voor de volgende rit naar het Verenigd Koninkrijk. De chauffeur van [medeverdachte 5] zou op 24 november 2020 weer naar het Verenigd Koninkrijk gaan. [medeverdachte 2] stelde [verdachte] ervan op de hoogte dat op 24 november 2020 weer 15 blokken aan [medeverdachte 5] gegeven moesten worden. [verdachte] antwoordde hier bevestigend op.
De overdracht in Nederland
Op 24 november 2020 heeft de overdracht van de 15 blokken plaatsgevonden in Tilburg. Een contact van [verdachte] was namens hem verantwoordelijk voor het overdragen van de blokken aan [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] moest de code ‘breitling’ gebruiken bij het aanpakken van de blokken. [medeverdachte 2] vroeg aan [medeverdachte 4] of er aangepakt was. Hierop antwoordde [medeverdachte 4] dat dit het geval was.
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk
Op 25 november 2020 reisde de chauffeur waarmee [medeverdachte 5] in contact stond naar het Verenigd Koninkrijk. [medeverdachte 2] had op de dag van de levering contact met [verdachte] en met [medeverdachte 4] .
Conclusie
Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte wetenschap had van het oogmerk van de organisatie, behoorde tot het samenwerkingsverband binnen de organisatie en met zijn handelen heeft bijgedragen aan het crimineel oogmerk van de organisatie gedurende de periode van april 2020 tot en met maart 2021.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van april 2020 tot en met maart 2021 te Bali en Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit het samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in
artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of
artikel 10a eerste lid Opiumwet,
betreffende het verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren van
harddrugs, te weten cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij omstreeks de periode van 11 februari 2021 tot en met 4 maart 2021 te Bali, in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk,
tezamen en in vereniging met anderen,
A) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet),
B) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en
C) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 60 kilogram cocaïne, en
- ongeveer 61 kilogram cocaïne, en
- ongeveer 70 kilogram cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij omstreeks de periode van 17 november 2020 tot en met 26 november 2020 te Rugby en/of Ripley en/of Leeds en/of Bali, en/of ook in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
A) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en
B) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en
C) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 15 kilogram cocaïne, en
- ongeveer 15 kilogram cocaïne, en
- ongeveer 35 blokken cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4.
hij in de periode van 8 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 te Dartford en/of te Bali, en/of ook in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
A) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), en
B) opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en
C) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- 20,02 kilogram cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder deze feiten meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid en artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet;
feit 2 en feit 3
telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en een geldboete ter hoogte van € 20.000,00 op te leggen.
6.2
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen en samen met anderen exporteren van grote hoeveelheden harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk. Hij maakte deel uit van een criminele organisatie die het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van harddrugs naar onder meer het Verenigd Koninkrijk als core business had. Verdachte was – als leverancier van de verdovende middelen – steeds de initiator van de drugstransporten. Hij zorgde er voor dat de verdovende middelen met tussenkomst van [medeverdachte 2] aan een contact van transporteur [medeverdachte 5] werden overgedragen. Verdachte had in Nederland contacten die de verdovende middelen overdroegen. In het Verenigd Koninkrijk had hij contacten die deze verdovende middelen weer aanpakten.
Feiten
[medeverdachte 4] onderhield op zijn beurt weer contact met [medeverdachte 5] . [medeverdachte 5] gaf de informatie van zijn chauffeur door aan [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] koppelde dit weer terug aan [medeverdachte 2] . Gedurende het traject nam [medeverdachte 4] (een deel van) de communicatie met [verdachte] over van [medeverdachte 2] .
De initiële planning was om de overdracht op 25 november 2020 te laten plaatsvinden. Dit lukte echter niet, omdat de chauffeur van [medeverdachte 5] en de ‘aanpakker’ van [verdachte] geen geschikt tijdstip en geen geschikte plaats konden vinden. Om die reden vond de overdracht van de 15 blokken uiteindelijk op 26 november 2020 plaats in de Engelse plaats Ripley. Na de geslaagde overdracht koppelde [medeverdachte 4] dit terug aan [medeverdachte 2] en aan [verdachte] . [medeverdachte 4] liet aan [verdachte] weten dat ‘die 15’ geregeld waren. [medeverdachte 4] liet aan [medeverdachte 2] weten dat ‘die 15’ in goede orde waren verlopen.
Transport 26 november 2020
De voorbereidende gesprekken
Tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vonden vanaf 21 november 2020 al voorbereidende gesprekken plaats. [verdachte] mengde zich, als opdrachtgever, ook in deze gesprekken. [medeverdachte 2] meldde aan [medeverdachte 1] dat [verdachte] 35 blokken cocaïne had die hij wilde vervoeren.
De overdracht in Nederland
Op 25 november 2020 vond aan de [adres 7] de overdracht plaats van de 35 blokken. [medeverdachte 1] berichtte [medeverdachte 2] dat er iemand met een bus kwam om de 35 blokken op te halen. Bij de overdracht moest de code ‘rolex’ gebruikt worden. Ook vroeg [verdachte] aan [medeverdachte 2] om een token. De blokken werden door een contact van [verdachte] overgedragen aan een contact van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] liet [medeverdachte 2] weten dat de blokken waren ‘aangepakt’.
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk
Het transport naar het Verenigd Koninkrijk vond op 26 november 2020 plaats. De chauffeur van de vrachtwagen was een contact van [medeverdachte 1] en werd aangeduid als ‘vee transport’, dan wel ‘vee’. In de Engelse plaats Leeds zijn de 35 blokken overgedragen aan een contact van [verdachte] . [medeverdachte 2] wilde van [verdachte] wederom een token ontvangen. [verdachte] liet aan [medeverdachte 2] weten dat ‘ze’ het aangepakt hadden. [medeverdachte 2] liet naar aanleiding van dit bericht aan [medeverdachte 1] weten dat er ‘aangepakt’ was.
De financiële afwikkeling van de transporten van 15 en 35 blokken
[verdachte] betaalde in totaal € 103.500,00 aan [medeverdachte 2] voor beide transporten. Dit geldbedrag werd door een contact van [verdachte] naar het adres [adres 8] gebracht. Daar werd het geld, in opdracht van [medeverdachte 2] , aangepakt door [medeverdachte 3] . Op 5 februari 2021 stuurde [verdachte] een afbeelding naar ANOM-gebruiker [alias 14] . Dit betrof een Excel-bestand met daarin bedragen, bijnamen en hoeveelheden, chronologisch op datum vermeld. Op de afbeelding waren bedragen van € 30.000,00 en € 73.500,00 weergegeven (bij elkaar opgeteld € 103.500,00).
[medeverdachte 5] kreeg voor het transport van de 15 blokken € 1.700,00 per blok (in totaal€ 25.500,00). Dit bedrag werd op 28 november 2020 door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 5] overhandigd. [medeverdachte 3] kreeg de opdracht van [medeverdachte 2] om een deel van € 63.000,00 te betalen aan [medeverdachte 1] voor het transport van 35 blokken. Dit geldbedrag werd door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] overhandigd. [medeverdachte 1] bracht dit geldbedrag weer naar de chauffeur die de 35 blokken daadwerkelijk vervoerd had. [medeverdachte 1] kreeg een vergoeding van € 100,00 per getransporteerd blok. [medeverdachte 2] verdiende hierdoor niet € 300,00, maar € 200,00 per getransporteerd blok. Met de chauffeur was afgesproken dat hij € 1.800,00 per getransporteerd blok zou ontvangen.
3.3.1.4 Feit 4 (zaaksdossier 5)
De (chat)gesprekken met betrekking tot het navolgende transport hebben plaatsgevonden via Encrochat.
Op 19 mei 2020 werd in een vestiging van TNT in de plaats Dartford (Verenigd Koninkrijk) een pallet met twaalf dozen door de Engelse autoriteiten onderzocht. Het zendingsnummer betrof [nummer] . In sommige dozen zaten (telefoon)kabels, in andere zaten blokken cocaïne. In totaal werden 20 blokken aangetroffen met een totaalgewicht van 20,68 kilogram. De pallet was geadresseerd aan [bedrijf 1] in [vestigingsplaats] .
[medeverdachte 2] deelde op 28 maart 2020 met [verdachte] het hierboven genoemde afleveradres. Op 8 mei 2020 verstuurde [verdachte] een foto aan [medeverdachte 2] met daarop ook dit adres. [medeverdachte 2] onderhield contact met [verdachte] en een persoon genaamd ‘ [alias 15] ’ over het op 19 mei 2020 onderschepte transport. [alias 15] onderhield ook uitvoerig contact met [medeverdachte 2] over de vertraging van het transport. [medeverdachte 2] stuurde alle informatie (over het onderschepte transport) die hij ontving van [alias 15] , door aan [verdachte] . Ook [verdachte] en [alias 15] hadden onderling contact over het onderschepte transport. Zo stuurde [alias 15] bijvoorbeeld een foto met het zendingsnummer [nummer] naar [verdachte] in een gesprek over het onderschepte transport.
3.3.2