Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-01-17
ECLI:NL:RBOVE:2024:7172
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,034 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/302928 / ES RK 23-6052 (voorlopige voorziening)
C/08/302786 / ES RK 23/5986 (bodemzaak)
beschikking van 17 januari 2024
inzake
[de man]
,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker,
advocaat: mr. J.W. Post,
en
[de vrouw]
,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] (Bulgarije),
belanghebbende,
advocaat: mr. E.D. Radenovska.
1Het procesverloop
Het verzoek voorlopige voorzieningen
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 22 september 2023;
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 5 januari 2023;
- een op 9 januari 2024 binnengekomen brief van mr. Post van 5 januari 2024 met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 10 januari 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten;
- [naam], namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
Feiten
Het verzoek voorlopige voorzieningen en de bodemzaak
2.1.
Partijen zijn op 28 augustus 2021 te Nessebar (Bulgarije) met elkaar gehuwd onder het maken van Nederlandse huwelijkse voorwaarden.
2.2.
Partijen zijn ouders van het navolgende minderjarige kind:
[kind]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023.
2.3.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Bulgaarse nationaliteit. [kind] heeft de Nederlandse en de Bulgaarse nationaliteit.
3Het verzoek
Het verzoek voorlopige voorzieningen
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, als voorlopige voorziening:
de minderjarige aan de man toe te vertrouwen;
althans een zodanige beslissing zult nemen als uw rechtbank in goede justitie zult menen te behoren.
4Het verweer
Het verzoek voorlopige voorzieningen
De vrouw verzoekt de rechtbank zich onbevoegd te verklaren, subsidiair de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzochte af te wijzen.
Beoordeling
Het verzoek voorlopige voorzieningen: toevertrouwing [kind] aan de man
Bevoegdheid en litispendentie (aanhangigheid en onderling samenhangende procedures)
5.1.
Gezien het feit dat de vrouw en [kind] de Bulgaarse nationaliteit hebben en het feit dat door de vrouw op 11 september 2023 reeds een procedure tot echtscheiding met voorlopige voorzieningen in Bulgarije aanhangig is gemaakt, moet de rechtbank onderzoeken of zij bevoegd is om het verzoek te behandelen.
5.2.
In artikel 20, lid 2, van de Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (verordening Brussel II-ter), is bepaald dat wanneer bij gerechten van verschillende lidstaten procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind aanhangig worden gemaakt, welke hetzelfde kind betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waar de zaak als eerste is aangebracht, vaststaat, tenzij de bevoegdheid van een van de gerechten enkel is gebaseerd op artikel 15.
5.3.
Artikel 15, lid 1, van genoemde verordening bepaalt dat in spoedeisende gevallen, zelfs wanneer het gerecht van een andere lidstaat ten gronde bevoegd is, de gerechten van een lidstaat de bevoegdheid hebben om voorlopige en bewarende maatregelen te nemen voorzien in het recht van die lidstaat betreffende a) een kind dat zich in die lidstaat bevindt; of b) vermogensbestanddelen van een kind die zich in die lidstaat bevinden. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat de ter uitvoering van lid 1 genomen maatregelen ophouden van toepassing te zijn, zodra het gerecht van de lidstaat dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen, de maatregelen heeft genomen die het passend acht.
Echtscheidingsprocedure met voorlopige voorzieningen in Bulgarije
5.4.
De rechtbank in Yambol, Bulgarije, heeft op 11 oktober 2023 een tussenbeschikking gegeven (in appel) in de echtscheidingsprocedure met de voorlopige voorzieningen (kenmerk 2345/2023). De vrouw heeft een deel van deze beschikking laten vertalen en als productie 4 overgelegd. De rechtbank Overijssel leidt daaruit af dat de rechtbank in Yambol zich onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding en bevoegd ten aanzien van de voorlopige voorzieningen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, het gezag, de omgang en de kinderalimentatie. Dit is tussen partijen niet in geschil.
Terguggeleidingsprocedure in Bulgarije
5.5.
Ook is niet in geschil dat [kind] op dit moment in Bulgarije bij de vrouw verblijft en dat de man geen toestemming voor het verblijf (langer dan de vakantie) dan wel verhuizing van [kind] in Bulgarije heeft gegeven. In Bulgarije is een teruggeleidingsprocedure aanhangig gemaakt door de man. Deze is in behandeling bij de rechtbank in Sofia (kenmerk 12836/2023).
5.6.
De rechtbank in Sofia heeft in die zaak op 23 november 2023 een tussenbeschikking afgegeven, waarvan de vrouw een vertaalde versie als productie 5 heeft overgelegd. Daaruit blijkt dat in die tussenbeschikking de rechtbank opdracht heeft gegeven aan:
- de Directie “Sociale Bijstand” te Yambol om een actueel sociaal rapport aan de rechtbank te verstrekken met daarin een advies over het belang van [kind] en rekening houdend met de jonge leeftijd van [kind], een mening te geven hoe de teruggeleiding van het kind naar Nederland (bij de mogelijke afwezigheid van zijn moeder), respectievelijk zijn verblijf in Bulgarije bij de afwezigheid van de vader, de psychische en emotionele ontwikkeling van [kind] zal beïnvloeden, en aan
- de regionale Directie “Sociale Bijstand” te Plovdiv om een actueel sociaal rapport uiterlijk op 12 augustus 2023 (bedoeld zal zijn 8 december 2023, gezien de originele Bulgaarse tekst) aan de rechtbank te verstrekken.
Bevoegdheid Nederlandse rechter ten aanzien van de voorlopige voorzieningen
5.7.
Gelet op het bepaalde in artikel 15 en 20 van de genoemde verordening is de rechtbank van oordeel dat, nu de rechtbank in Yambol zich bevoegd heeft verklaard (en mocht verklaren) ten aanzien van de voorlopige voorzieningen, de Nederlandse rechter zich onbevoegd moet verklaren ten aanzien van het verzoek voorlopige voorzieningen van de man ten aanzien van de toevertrouwing. De rechtbank gaat daarom inhoudelijk niet in op het verzoek van de man en de standpunten van partijen.
De bodemzaak
Bevoegdheid, litispendentie en toepasselijk recht
5.8.
De bodemzaak betreft het verzoek van de man tot echtscheiding met nevenvoorzieningen (niet zijnde voorlopige voorzieningen). De bodemzaak is niet behandeld ter zitting.
5.9.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling van de voorlopige voorziening echter wel aangekondigd dat de rechtbank overweegt om de raad in Nederland in de bodemzaak een onderzoek te laten doen naar de hoofdverblijfplaats van [kind]. De rechtbank beslist en overweegt hierover het volgende.
5.10.
De rechtbank geeft de raad in Nederland opdracht om een onderzoek te doen en advies uit te brengen over de meest wenselijke hoofdverblijfplaats van [kind]. Dit omdat de rechtbank in Nederland er, vooruitlopend op de nog te plannen mondelinge behandeling, vooralsnog vanuit gaat dat zij bevoegd is ten aanzien van de echtscheiding en ook ten aanzien van de nevenvoorzieningen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid (hoofdverblijfplaats en gezag en omgang) en in verband met de urgentie in deze zaak.
5.11.
Er is ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid geen bodemzaak aanhangig in Bulgarije, althans dat is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank in Bulgarije heeft zich enkel bevoegd verklaard om te beslissen over de gevraagde voorlopige voorzieningen ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid. De rechtbank in Bulgarije kan zich naar het voorlopig oordeel van de rechtbank ook enkel bevoegd verklaren ten aanzien van de voorlopige voorzieningen. In geval van ongeoorloofde overbrenging of niet terugkeer van een kind blijft immers het gerecht van een lidstaat waar een kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen (artikel 9 van de verordening). Vooralsnog is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [kind] niet is gewijzigd.
5.12.
De rechtbank gaat er vooralsnog bovendien vanuit dat in de bodemzaak met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid het Nederlands recht van toepassing is op grond van artikel 15, lid 1 en 17 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Raadsonderzoek
5.13.
Partijen kunnen in de bodemzaak nader reageren op de zienswijze van de rechtbank over de bevoegdheid en het toepasselijk recht in de bodemzaak, maar de rechtbank acht het nu alvast en onmiddellijk in het belang van [kind] noodzakelijk, dat de raad in Nederland ook gaat onderzoeken welke hoofdverblijfplaats het meest tegemoetkomt aan de belangen van [kind]. De rechtbank neemt bij die beslissing in aanmerking dat [kind] ernstig ziek is (waterhoofd) en spoedige behandeling nodig heeft, de moeizame verhouding en communicatie tussen de ouders en het feit dat de vrouw met [kind] in Bulgarije is gebleven en de man [kind] nauwelijks ziet.
Dictum
De rechtbank:
in het verzoek voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding
6.1.
verklaart zich onbevoegd inzake de verzochte voorlopige voorziening met betrekking tot de toevertrouwing van [kind];
in de bodemzaak
6.2.
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen en de rechtbank in de bodemzaak te rapporteren en te adviseren over welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [kind] wordt geacht en de rechtbank hierover uiterlijk op 10 april 2024 of zoveel eerder als mogelijk te berichten;
6.3.
bepaalt dat de bodemzaak zal worden behandeld tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de datum thans nog niet bekend is (de zaak staat nu voor indienen verweerschrift op 7 februari 2024);
6.4.
houdt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.