Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-08-07
ECLI:NL:RBOVE:2024:7143
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,925 tokens
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/301159 / HA ZA 23-308
Vonnis van 7 augustus 2024
in de zaak van
[partij A] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. J.W. de Vries,
tegen
AZURE CENTER B.V.,
te Hengelo,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Azure,
advocaat: mr. H.J. Ligtenbarg.
1Inleiding en samenvatting
1.1.
[partij A] heeft in opdracht van Azure drie casco’s gebouwd voor luxe (speed)boten. [partij A] vordert in deze procedure betaling van de door haar verrichte werkzaamheden. Azure vindt dat de vorderingen van [partij A] afgewezen moeten worden omdat [partij A] volgens haar ondeugdelijk werk geleverd waardoor Azure schade heeft geleden. Zij vordert daarom in reconventie onder andere vergoeding van die schade. Ook vordert zij afgifte van de mallen die zij aan [partij A] ter beschikking heeft gesteld voor de bouw van de casco’s. [partij A] vindt dat de vorderingen van Azure afgewezen moeten worden omdat zij wel deugdelijk werk heeft geleverd en vindt dat zij de mallen onder zich mag houden totdat Azure aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.
1.2.
De rechtbank zal een tussenvonnis wijzen waarin zij [partij A] een bewijsopdracht geeft en waarin zij tot het oordeel komt dat een deskundige moet worden benoemd voor de beoordeling van de door Azure gestelde gebreken aan de casco’s. De rechtbank zal ten aanzien van de mallen in dit tussenvonnis tot het eindoordeel komen dat [partij A] die aan Azure moet afgeven.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie;
- de conclusie van antwoord in reconventie; - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van [partij A] met productie 39;
- het bericht van Azure met producties 19 t/m 22;
- het bericht van Azure met productie 23;
- het bericht van [partij A] met productie 40;
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij namens [partij A] en Azure spreekaantekeningen zijn overgelegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Azure is de bedenker van de Flynt, een luxe (speed)boot gericht op het hogere segment. Op 10 februari 2021 hebben [partij A] en Azure een overeenkomst gesloten voor de bouw van vijf polyester casco’s van de Flynt die na oplevering nog door Azure moeten worden afgebouwd.
3.2.
Voorafgaand aan de overeenkomst met [partij A] heeft Azure meerdere partijen ingeschakeld om de Flynt te ontwikkelen en realiseren. Azure heeft Vripack Design B.V. (hierna: ‘Vripack’) ingeschakeld als ‘naval architect’ om het ontwerp van Azure uit te werken en heeft daarnaast Solico Engineering B.V. (hierna: Solico) ingeschakeld om de constructie- en sterkteberekeningen te maken en de bouwtekeningen uit te werken. Azure heeft vervolgens Adel Polyester B.V. (hierna: Adel) in 2020 opdracht gegeven om de eerste twee casco’s van de Flynt te bouwen. Daarna heeft zij [partij A] ingeschakeld.
3.3.
[partij A] heeft op basis van de door Azure aangeleverde bouwtekeningen en met gebruikmaking van de door Azure aangeleverde mallen, drie casco’s van de Flynt gebouwd. [partij A] heeft het eerste casco in januari 2022 opgeleverd en het tweede in april 2022. Het derde casco is niet aan Azure opgeleverd en is nog in het bezit van [partij A]. In september 2022 is het eerste casco van [partij A] door Azure afgebouwd en afgeleverd aan de eindgebruiker, die nadien klachten had over de vaareigenschappen van de boot. Azure heeft de kosten voor herstel van de gebreken aan de boot vergoed en zal de boot mogelijk moeten terugnemen.
3.4.
Bij brief van 16 maart 2023 heeft Azure bij monde van haar advocaat [partij A] aansprakelijk gesteld voor de gebreken aan de casco’s en de schade die Azure daardoor lijdt. In de brief is onder andere het volgende opgenomen:
“(…) Aan u zijn tekeningen aangeleverd waarop gedetailleerd is weergegeven hoe de casco’s moeten worden geproduceerd. De tekeningen bevatten lamineerschema’s en geven exact de maatvoering en de diktes op de verschillende plekken van het casco weer. (…) Deze tekeningen luisteren zeer nauw en de boot moet ook exact volgens de tekeningen worden geproduceerd. (…)
Cliënte heeft vastgesteld dat u casco 1 niet overeenkomstig de aan u aangeleverde tekeningen heeft geproduceerd. De wanden van het casco zijn op verschillende plekken (aanzienlijk) dikker dan op de tekeningen is aangegeven. (…) Als gevolg van de afwijkende diktes is casco 1 aanzienlijk zwaarder geworden dan deze op grond van de tekeningen behoort te zijn, circa 1.000 kilogram te zwaar. Dit heeft direct gevolgen voor de vaarprestaties van de boot.
(…)
Met betrekking tot casco 2 geldt eveneens dat u deze niet overeenkomstig de aangeleverde tekeningen heeft geproduceerd. Op verschillende plekken wijkt de dikte van casco 2 (aanzienlijk) af van de maatvoering zoals die is vermeld op de aangeleverde tekeningen.
(…)
Casco 3 heeft u nog niet aan cliënte afgeleverd. Uit mededelingen en bezichtigingen is echter reeds duidelijk dat u ook bij casco 3 bent afgeweken van de aan u aangeleverde tekeningen (…)”.
3.5.
[partij A] heeft daarop, onder andere bij brief van 4 mei 2023, gereageerd dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Samengevat heeft [partij A] in die brief aangevoerd dat zij wel overeenkomstig de tekeningen en laminaatschema’s van Azure heeft gewerkt. Daarbij heeft zij aangevoerd dat er twee wijzen zijn van het bouwen van polyester casco’s, de ‘vacuüminjectie methode’ waarbij met een vacuüm de hars door het laminaat heengetrokken wordt en de ‘handlayup methode’ waarbij de hars handmatig wordt aangebracht. [partij A] heeft daarbij aangegeven dat de laminaatschema’s die zij van Azure heeft ontvangen gebaseerd zijn op de vacuüminjectie methode terwijl [partij A] de handlayup methode hanteert. [partij A] heeft verder in haar brief geschreven dat zij Azure erop gewezen heeft dat zij de handlayup methode hanteert, dat een toename in gewicht en dikte van het casco te verwachten is bij deze methode, en dat zij Azure heeft gevraagd of er andere tekeningen (die geschikt zijn voor de handlayup methode) gebruikt moesten worden, maar dat Azure [partij A] opdracht heeft gegeven volgens de aangeleverde tekeningen te werken. Tot slot heeft [partij A] Azure in de brief gesommeerd de openstaande facturen te voldoen.
3.6.
In de daaropvolgende maanden hebben partijen gecorrespondeerd over de vraag of de casco’s van [partij A] al dan niet gebrekkig zijn.
Geschil
4.1.
[partij A] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad Azure te veroordelen tot betaling aan [partij A] van een bedrag van € 85.591,77, te vermeerderen met de contractuele rente van 12% per jaar, dan wel de wettelijke handelsrente, Azure te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.630,92, Azure te veroordelen tot betaling van de stallingskosten en de kosten voor het uitoefenen van het retentierecht, welke kosten aan de zijde van [partij A] tot en met 21 juli 2023 zijn begroot op € 7.339,45, met veroordeling van Azure in de kosten van de procedure.
4.2.
Azure voert verweer. Azure concludeert in conventie tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure. Azure vordert in reconventie - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat [partij A] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 10 februari 2021 door de casco’s niet te bouwen overeenkomstig de specificaties in de Revisie C-tekeningen, [partij A] te veroordelen tot betaling aan Azure van een bedrag van € 851.000,- althans € 541.250,13 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en [partij A] te veroordelen tot afgifte aan Azure van de mallen van Azure, binnen vijf dagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000,- te vermeerderen met € 20.000,- per dag dat [partij A] in gebreke blijft, met een maximum van € 1.000.000,- met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
4.3.
[partij A] concludeert in reconventie tot niet-ontvankelijkheid van Azure, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Azure, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Azure in de kosten van de procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen op basis waarvan [partij A] voor Azure de casco’s van de Flynt zou bouwen. In conventie ligt de vraag voor of Azure tekort is geschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting voor de door [partij A] verrichte werkzaamheden en of Azure zich met betrekking tot haar betalingsverplichting op opschorting en/of verrekening kan beroepen. De beantwoording van deze vragen is (mede) afhankelijk van de beoordeling van het standpunt van Azure in conventie en reconventie dat [partij A] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat zij ondeugdelijke casco’s heeft geleverd en dat Azure daardoor schade heeft geleden. Ook ligt in reconventie de vraag voor of [partij A] de door Azure ter beschikking gestelde mallen aan Azure moet afgeven. Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen. De rechtbank ziet verder aanleiding om het beroep op het retentierecht op de mallen door [partij A] en de vordering tot afgifte van de mallen van Azure, als eerste te behandelen.
Afgifte mallen
5.2.
[partij A] beroept zich ten aanzien van de door Azure ter beschikking gestelde mallen voor de bouw van de casco’s op een retentierecht (artikel 3:290 BW) en stelt dat zij de mallen onder zich mag houden totdat Azure heeft voldaan aan haar betalingsverplichting. Azure is het daar niet mee eens. Azure vordert afgifte van de mallen omdat partijen in de ‘NJI Leveringsvoorwaarden’ behorende bij de overeenkomst van 10 februari 2021, een bijzondere bepaling hebben opgenomen waaruit volgt dat op de mallen (onder andere) geen retentierecht kan worden uitgeoefend. Azure betwist de stelling van [partij A] en voert aan dat zij op grond van artikel 17.4. van de betreffende algemene voorwaarden, juist een retentierecht heeft op alle zaken van Azure die zij uit welke hoofde dan ook onder zich krijgt.
5.3.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de ‘NJI Leveringsvoorwaarden’ op de overeenkomst van toepassing zijn. In artikel 17.4 en artikel 20 van deze voorwaarden is het volgende opgenomen:
“
Artikel 17: Zekerheden
(…)
17.4.
Opdrachtnemer heeft op alle zaken die hij uit welke hoofde ook onder zich heeft of zal krijgen en voor alle vorderingen die hij op opdrachtgever heeft of mocht krijgen ten opzichte van een ieder die daarvan afgifte verlangt een pandrecht en een retentierecht.
Artikel 20: Mallen
20. De mallen zijn eigendom van opdrachtgever. Ze kunnen geenszins door opdrachtnemer achtergehouden worden als borg. Opdrachtgever kan ze ten alleen tijde ophalen.”
5.4.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 20 van de NJI Leveringsvoorwaarden. Volgens Azure was artikel 17 standaard onderdeel van de NJI Leveringsvoorwaarden en zijn partijen ten aanzien van de mallen een speciale regeling overeengekomen die zij in artikel 20 hebben opgenomen. Volgens Azure hebben partijen met artikel 20 beoogd overeen te komen dat geen zekerheidsrechten uitgeoefend kunnen worden op de mallen. [partij A] betwist dat en stelt dat het woord ‘borg’ in artikel 20 beperkt moet worden uitgelegd en dus niet ziet op het uitoefenen van een retentierecht.
5.5.
De rechtbank stelt voorop dat het voor de uitleg van de rechten en verplichtingen van partijen op basis van een overeenkomst niet alleen aankomt op de letterlijke bewoordingen daarvan, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm).
5.6.
Hoewel in artikel 20 ten aanzien van de mallen alleen is opgenomen dat [partij A] deze niet als borg mag achterhouden, mocht Azure naar het oordeel van de rechtbank uit de alle omstandigheden van het geval afleiden dat [partij A] op basis van dit artikel, in afwijking van artikel 17.4., ook geen retentierecht mag uitoefenen op de mallen. In deze beoordeling heeft de rechtbank het volgende betrokken. Zoals Azure heeft aangevoerd is artikel 17.4. standaard onderdeel van de NJI Leveringsvoorwaarden en hebben partijen artikel 20 zelf toegevoegd omdat zij iets anders wilden regelen voor de mallen. Meer in het bijzonder wilden partijen met artikel 20 regelen dat [partij A] de mallen in geen geval mocht ‘achterhouden’ en dat Azure deze ‘te allen tijde mocht ophalen’. [partij A] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat artikel 20 bewust is opgenomen omdat Azure bezig was met een project om meerdere boten te bouwen, dat zij ook al meerdere boten op bestelling had verkocht en dat het daarom voor haar van groot belang was om over de mallen te kunnen beschikken omdat deze essentieel zijn voor de bouw van de casco’s. [partij A] heeft daarentegen over de uitleg van artikel 20 alleen aangevoerd dat artikel 17.4. het retentierecht van [partij A] regelt, dat het woord ‘retentierecht’ niet is opgenomen in artikel 20 en dat dit daarom niet onder het artikel valt. Wat partijen volgens [partij A] met de handmatige toevoeging van artikel 20 en met name het woord ‘borg’ dan wel beoogden te regelen heeft [partij A], ondanks de vragen van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling, onvoldoende toegelicht. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 20 van de NJI Leveringsvoorwaarden als bijzondere bepaling ten aanzien van de mallen is opgenomen en dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat [partij A] geen retentierecht kan uitoefenen op de mallen.
5.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat [partij A] zich ten onrechte op een retentierecht beroept en dat zij de mallen aan Azure moet afstaan. De vordering van Azure tot afgifte van de mallen zal dan ook in dit tussenvonnis worden toegewezen. Omdat door [partij A] geen verweer is gevoerd op de gevorderde dwangsom, zal de rechtbank aan de veroordeling ook een dwangsom verbinden. De rechtbank ziet wel aanleiding om de dwangsom te matigen. De rechtbank zal [partij A] daarom veroordelen tot afgifte van de mallen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [partij A] in gebreke blijft met afgifte van de mallen, met een maximum van 250.000,-.
Betalingsverplichting Azure
5.8.
[partij A] vordert in conventie betaling van de facturen voor de door haar geproduceerde casco’s, van in totaal € 85.591,77. Azure betwist de hoogte van de facturen niet, maar stelt dat de door [partij A] geproduceerde casco’s gebrekkig zijn waardoor zij schade heeft geleden. Volgens Azure heeft zij daarom een verrekenbare tegenvordering en kan zij haar betalingsverplichting bovendien opschorten. [partij A] stelt dat, gelet op artikel 16.4. van de NJI Leveringsvoorwaarden (“Het recht van opdrachtgever om zijn vorderingen op opdrachtnemer te verrekenen of om op te schorten is uitgesloten, tenzij er sprake is van faillissement van opdrachtnemer of de wettelijke schuldsanering op opdrachtnemer van toepassing is”), aan Azure geen recht op verrekening of opschorting toekomt en haar vordering daarom – ongeacht het verweer van Azure – toewijsbaar is.
5.9.
Naar het oordeel van de rechtbank komt aan Azure in beginsel geen recht op opschorting of verrekening toe op grond van artikel 16.4. Een beroep op dit artikel is, zoals Azure heeft aangevoerd, in de gegeven omstandigheden echter in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Dictum
De rechtbank
in reconventie
6.1.
veroordeelt [partij A] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de mallen die Azure aan haar ter beschikking heeft gesteld aan Azure af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [partij A] in gebreke blijft in de nakoming van de veroordeling onder 6.1. van dit vonnis met een maximum van € 250.000,-,
6.2.
verklaart de beslissing onder 6.1. uitvoerbaar bij voorraad;
in conventie en reconventie
6.3.
draagt [partij A] op te bewijzen dat zij met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen bij de gestelde tekortkomingen V (5.29), VI (5.32), X (5.41), XV (5.52) en XVI (5.54),
6.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 september 2024 voor uitlating door [partij A] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.5.
bepaalt dat, als [partij A] voor de bewijslevering slechts bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.6.
bepaalt dat, als [partij A] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2024 tot en met januari 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.7.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. C.A. de Beaufort, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5,
6.8.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
6.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
Beoordeling
Zoals Azure terecht heeft aangevoerd heeft zij – indien komt vast te staan dat [partij A] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en schadeplichtig is – een vordering op [partij A] die (mogelijk) aanzienlijk hoger is dan de vordering van [partij A] op Azure. Indien [partij A] veroordeeld wordt tot betaling van een schadevergoeding, zal zij Azure moeten betalen, hetgeen feitelijk (mede) neer zal komen op een verrekening van vorderingen. In hoeverre die verplichting voor [partij A] bestaat hangt af van de uitkomst van deze procedure. Het beroep op artikel 16.4. dient daarom geen of onvoldoende rechtens te respecteren doel, waardoor de rechtbank daaraan voorbij gaat.
5.10.
Omdat Azure de hoogte van de facturen niet heeft betwist, is de vordering tot betaling van een bedrag van € 85.591,77 toewijsbaar indien komt vast te staan dat [partij A] niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Omdat de vordering tot betaling in conventie afhankelijk is van de vraag of [partij A] al dan niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst (artikel 6:74 BW) en Azure op die grond een verrekenbare tegenvordering heeft, zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of [partij A] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.
Wanprestatie (6:74 BW)
5.11.
Azure stelt dat de drie door [partij A] gebouwde casco’s gebreken vertonen en dat [partij A] daarom tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst waardoor Azure schade heeft geleden. Volgens Azure vertonen alle drie de casco’s tekortkomingen op essentiële punten, te weten het gewicht en het zwaartemiddelpunt waardoor met de casco’s gebouwde boten niet de vereiste snelheid kunnen maken. Vanwege de problemen met het eerste (afgebouwde) casco dat door Azure is verkocht, heeft Azure met betrekking tot het tweede casco een deskundigenrapport op laten stellen door Solico. Met verwijzing naar dit rapport stelt Azure dat het tweede casco (inclusief de drie gebreken op de essentiële punten) 19 gebreken vertoont.
De overeenkomst
5.12.
De rechtbank overweegt dat tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen die inhoudt dat [partij A] casco’s voor Azure zou bouwen op basis van de door Azure aangeleverde specificaties (artikel 4.3. van de overeenkomst van 10 februari 2021) en dat Azure daarvoor zou betalen. In dat kader heeft [partij A] op 10 februari 2021 de bouwtekeningen met een laminaatschema voor de bouw van het casco van Solico ontvangen (hierna aangeduid als ‘de Revisie-C tekeningen’). Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] de casco’s op basis van de Revisie-C tekeningen en de door Azure aangeleverde mallen zou bouwen. De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen ook niet in geschil is dat de Revisie-C tekeningen uitgaan van een vacuüminjectie methode en dat [partij A] werkt op basis van een handlayup methode. Verder heeft [partij A] voldoende onderbouwd dat zij Azure er voor de bouw van de casco’s op heeft gewezen dat zij alleen volgens de handlayup methode werkt en dat er daarom bij het casco dat zij bouwt op basis van de Revisie-C tekeningen, een toename in gewicht en dikte van het casco te verwachten is. In onder andere randnummer 58 van haar conclusie van antwoord heeft Azure dit ook erkend.
Tekortkoming I
5.13.
Azure stelt dat de casco’s van [partij A] gebrekkig zijn omdat deze zwaarder zijn dan is overeengekomen. Azure voert daartoe aan dat partijen zijn overeengekomen dat de casco’s 2.270, althans 2.294 kilogram mochten wegen en dat [partij A] op grond van artikel 12.7. van de NJI Leveringsvoorwaarden maximaal 10% van dit gewicht mocht afwijken. Volgens Azure wijken alle drie de casco’s meer dan 10% van het overeengekomen gewicht af en is [partij A] daarom tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [partij A] betwist kort samengevat dat partijen een (maximaal) gewicht voor de casco’s zijn overeengekomen en stelt bovendien dat haar casco’s precies zijn wat verwacht mag worden van casco’s die volgens de Revisie-C tekeningen zijn gebouwd op basis van de handlayup methode.
5.14.
Volgens Azure is casco 1 ruim 1000 kg zwaarder dan het overeengekomen gewicht. Azure stelt daartoe dat de afgebouwde boot 5.500 kg weegt, dat dit ruim 1000 kg meer is dan de afgebouwde casco’s van Adel en dat de overschrijding te wijten aan het zwaardere casco van [partij A]. [partij A] betwist dat. [partij A] voert aan dat er aan casco 1 van [partij A] een seakeeper inclusief toebehoren is toegevoegd en dat dit het nodige gewicht met zich meebrengt. Ook is volgens [partij A] onduidelijk hoe de boot beladen was ten tijde van de weging en of er brandstof in zat. De rechtbank overweegt dat casco 1 na aflevering door [partij A] aan Azure niet is gewogen en dat onvoldoende duidelijk is wat het gewicht van het casco op dat moment was. De rechtbank is van oordeel dat aan een onafhankelijk deskundige de vraag moet worden voorgelegd of het gewicht van casco 1 achteraf nog kan worden vastgesteld, en zo ja, wat dat gewicht dan is.
5.15.
De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat het gewicht van de casco’s volgens de NJI Leveringsvoorwaarden maximaal 10% mocht afwijken van het overeengekomen gewicht. Ook is niet in geschil dat het tweede casco 2.655 kilogram weegt en het derde casco 2.600 kilogram. Tussen partijen bestaat echter wel discussie over de vraag of zij een maximaal gewicht zijn overeengekomen voor de casco’s en zo ja, wat dat gewicht dan is. Het voorgaande houdt in dat – indien komt vast te staan dat partijen een gewicht zijn overeengekomen van 2.270 respectievelijk 2.294 kg zoals Azure stelt – [partij A] op dit punt tekort bij casco 2 en 3, is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank is vooralsnog onvoldoende komen vast te staan dat partijen een maximaal gewicht voor de casco’s zijn overeengekomen. De rechtbank legt dat als volgt uit. Ter onderbouwing van haar stelling dat een gewicht van 2.270 kg, respectievelijk 2.294 kg is overeengekomen verwijst Azure ten eerste naar een document van Vripack genaamd ‘Preliminary Weight Calculation & Weight Monitoring’ behorende bij de boot ‘Duc 30’, de voorganger van de Flynt. Volgens Azure volgt uit dat document dat het casco van de Flynt maximaal 2.270 kg mag wegen. De rechtbank kan zonder nadere toelichting – die ontbreekt – op basis van het overgelegde stuk niet vaststellen dat het gewicht van de Flynt, de opvolger van Duc 30, maximaal 2.270 kg mocht wegen. Zoals [partij A] aanvoert schrijft Solico in haar e-mail van 10 januari 2020 dat het door Vripack berekende gewicht van 2.270 kg een berekende schatting van het gewicht is en dat het verstandig is met een afwijking van ongeveer 20% rekening te houden. Bovendien betwist [partij A] dat zij het document voorafgaand aan de bouw van de drie casco’s heeft ontvangen. Ter onderbouwing verwijst [partij A] naar een e-mail waaruit volgt dat zij de betreffende berekening op 5 september 2022 – dus na de bouw van de casco’s – heeft opgevraagd bij Solico en van haar heeft ontvangen. Daar komt bij dat Azure vervolgens onvoldoende heeft onderbouwd dat [partij A] het document wél voor de bouw van de casco’s heeft ontvangen. Het enige wat zij daarover stelt is dat dit document ‘voor zover Azure bekend’ destijds ook aan [partij A] is gestuurd. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij A], is dat onvoldoende. De rechtbank volgt Azure daarom niet in haar stelling dat partijen door middel van de ‘Preliminary Weight Calculation & Weight Monitoring’ bij de Duc 30 een maximaal gewicht voor de casco’s van de Flynt door [partij A] zijn overeengekomen.
5.17.
Azure verwijst ter onderbouwing van haar stelling ten tweede naar de Revisie-C tekeningen.
Beoordeling
Azure heeft daarbij berekeningen van Solico van 13 januari 2023 overgelegd waaruit volgt dat het berekende gewicht van het casco op basis van de Revisie-C tekeningen 2.294 kilogram is. [partij A] mocht volgens Azure maximaal 10% van dit gewicht afwijken. [partij A] betwist dat dit gewicht vooraf overeen is gekomen. [partij A] wijst er in dat kader op dat er géén gewicht is opgenomen in de Revisie-C tekeningen en dat de berekening van het gewicht op basis van de Revisie-C tekeningen pas in 2023 door Solico is gemaakt, nadat alle casco’s gereed waren. [partij A] betwist verder dat zij dat gewicht had kunnen of moeten weten op basis van de tekeningen. Ook voert [partij A] aan dat laminaatschema’s (zoals de Revisie-C tekeningen) alleen iets zeggen over de hoeveelheid glasvezelmatten die moeten worden gebruikt om het casco voldoende sterk te maken en dus niet over het gewicht van het casco. De in het laminaatschema aangegeven diktes zijn verder volgens [partij A] minimale waarden en geen maximale diktes van de panelen. Ook stelt [partij A] dat het gewicht van het casco precies is wat verwacht mag worden als er gebouwd wordt volgens de Revisie-C tekeningen met gebruikmaking van de handlayup methode. Azure betwist dat en heeft aangevoerd dat Solico een testpaneel heeft gemaakt met de handlayup methode en dat volgens Solico eenzelfde gewicht en dikte kan worden gehaald als met de vacuüminjectie methode. De handlayup methode leidt dus volgens Azure niet noodzakelijkerwijs tot een hoger gewicht. [partij A] betwist dat.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat Azure met verwijzing naar het rapport van Solico haar stelling dat partijen met de Revisie-C tekeningen een (maximaal) gewicht voor het casco zijn overeengekomen voldoende heeft gemotiveerd en dat [partij A] die stelling voldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen om te rapporteren over de vraag wat de status is van een laminaatschema in de branche. De volgende vragen dient de deskundige te beantwoorden. Schrijft een laminaatschema alleen de minimale dikte en de sterkte van de panelen voor, of zegt een laminaatschema ook iets over het gewicht van het casco? Als een laminaatschema ook een voorschrift geeft voor het gewicht, kan op basis van de Revisie-C tekeningen berekend worden wat het gewicht van het casco is? En is dat ook voor een cascobouwer kenbaar? En zo ja, wat is dat gewicht? En wordt dat gewicht hoger als er gebruik wordt gemaakt van de handlayup methode? Is dat een specifiek gewicht of een marge?
Tekortkoming II
5.19.
Azure stelt dat het zwaartemiddelpunt van het casco 16,7 cm te ver naar achteren ligt, dat het casco daardoor teveel diepgang heeft en dat de constructie waterlijn daardoor afwijkt. [partij A] betwist niet dat het zwaartemiddelpunt te ver naar achteren ligt maar stelt dat zij niet verantwoordelijk is voor het zwaartemiddelpunt of de constructie waterlijn omdat partijen daar niets over zijn overeengekomen. Bovendien stelt [partij A] dat de verschuiving niet het gevolg is van haar werkzaamheden maar van keuzes van Azure. Daarvoor verwijst zij naar het rapport van Vripack, waaruit onder andere volgt dat in de berekeningen geen rekening is gehouden met de constructie van het later toegevoegde zwemplatform en dat dit mede veroorzaker is van de verschuiving van het zwaartemiddelpunt. Daarnaast voert [partij A] aan dat het zwaartemiddelpunt volgens het rapport van Vripack door de later geplaatste Seakeeper (stabilisator) al 8,1 cm naar achteren verschuift.
5.20.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Azure, gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij A], onvoldoende onderbouwd dat partijen zijn overeengekomen waar het zwaartemiddelpunt zou moeten liggen en dat de verschuiving van het zwaartemiddelpunt het gevolg is van de door [partij A] uitgevoerde werkzaamheden. Ter onderbouwing van haar stelling waar het zwaartemiddelpunt volgens haar zou moeten liggen en dat [partij A] dit ook zou moeten weten, verwijst Azure alleen naar het ‘Preliminary Weight Calculation & Weight Monitoring’ van Vripack, waarover de rechtbank hiervoor onder 5.16. al geoordeeld heeft dit document geen onderdeel is van de overeenkomst is tussen partijen. Daarbij komt dat Azure in zijn geheel niet heeft toegelicht waaruit volgt dat [partij A] verantwoordelijk is voor de verschuiving van het zwaartemiddelpunt. De rechtbank gaat daarom aan deze tekortkoming voorbij.
Tekortkoming III
5.21.
Azure stelt dat met de door [partij A] gebouwde casco’s, althans met het eerste door [partij A] gebouwde casco dat door Azure is afgebouwd, niet de berekende snelheid van 90 km per uur kan worden behaald. Volgens Azure is de afgebouwde boot voorzien van 600 PK Sterndrives-motoren en dat met deze motoren, bij een standaarduitrusting, 90 km per uur moet kunnen worden gehaald. Zij stelt verder dat deze snelheid met de (afgebouwde) casco’s van Adel is behaald, terwijl met het door Azure afgebouwde casco van [partij A] slechts een snelheid van 50 km per uur kan worden behaald omdat deze met de achterzijde ‘graaft’ in het water. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst Azure naar videomateriaal van de vaareigenschappen van de boot.
5.22.
[partij A] betwist dat de afgebouwde boot slechts een snelheid van 50 km per uur haalt. Bovendien betwist [partij A] dat zij voor de snelheid verantwoordelijk is omdat er bij een afgebouwde boot veel omstandigheden zijn die daar invloed op hebben. [partij A] voert aan dat uit het filmpje niet afgeleid kan worden of de boot de snelheid niet kan halen, dat het onduidelijk is hoe de boot beladen is en dat er niet voluit gevaren wordt. Ook voert [partij A] aan dat het aan Vripack is om de vaareigenschappen te berekenen en dat zij dat nagelaten heeft. Tot slot stelt [partij A] dat niet is aangetoond dat de afgebouwde casco’s van Adel de snelheid wel kunnen halen.
5.23.
De rechtbank overweegt op dit punt onderzoek door een deskundige te laten doen en de deskundige de vraag te stellen of de boot met de betreffende motoren 90 km per uur moet kunnen behalen, of de boot (het door Azure afgebouwde casco) die snelheid niet kan halen en, indien dat zo is, of dat (alleen) te wijten is aan de wijze waarop het casco gebouwd is en niet aan de berekeningen van Vripack, of aan de later door Azure toegevoegde zware elementen zoals [partij A] stelt. De rechtbank overweegt daarbij dat voor beoordeling van deze tekortkoming alleen het afgebouwde casco (dat door Azure is verkocht) kan worden onderzocht. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voorgenomen deskundigenonderzoek, waarbij zij zich ook kunnen uitlaten over de mogelijkheid om de afgebouwde boot te laten onderzoeken en wat de kosten daarvan zijn, aangezien de boot (zoals door Azure gesteld) in Zuid Frankrijk ligt.
Tekortkoming IV
5.24.
Azure stelt dat [partij A] niet zorgvuldig heeft gelamineerd. Ter onderbouwing van die stelling verwijst Azure naar het rapport van Solico waaruit volgt dat er samples zijn genomen van het casco en dat die samples een vezelvolume van 26,4% hadden waar 32% was begroot en dat dit betekent dat [partij A] verhoudingsgewijs teveel lijm/hars heeft gebruikt. Ook stelt Azure dat het laminaat onzorgvuldig is verlijmd, waardoor er nog rillen van de lijmkam te zien zijn. Het casco is hierdoor volgens Solico zwakker dan is berekend. Azure stelt tot slot dat er als gevolg van het niet voldoende laten drogen van de hars, lucht tussen de laminaatlagen is blijven zitten waardoor er luchtblazen ontstaan.
Beoordeling
5.25.
[partij A] betwist dat zij niet zorgvuldig heeft gelamineerd en voert onder andere aan dat de samples zijn genomen op plekken die [partij A] op verzoek van Azure heeft verstevigd (zoals ter plaatse van de kikkers) en die plekken daarom niet representatief zijn om de laminaten van het gehele casco te beoordelen. [partij A] betwist ook dat zij de hars niet goed heeft laten drogen omdat dat volgens [partij A] productietechnisch onmogelijk is. Over de luchtblazen voert [partij A] aan dat deze door Azure zelf zijn hersteld en [partij A] daarom niet tekortgeschoten is.
5.26.
De rechtbank ziet aanleiding om op dit onderdeel de vraag aan de deskundige voor te leggen of [partij A] zorgvuldig heeft gelamineerd en om in de beantwoording van die vraag te betrekken of het juiste percentage hars is gebruikt, of er luchtblazen zijn of kunnen ontstaan en zo ja, waardoor die dan zijn ontstaan.
Tekortkoming V
5.27.
Azure stelt dat het [partij A] het zwemplatform niet conform de tekeningen heeft geproduceerd omdat [partij A] een zwemplatform heeft gebouwd dat hol is, terwijl op de tekeningen is aangegeven dat het met schuim gevuld moest zijn. Volgens Azure is het zwemplatform daardoor minder sterk en minder stijf. Bovendien is [partij A] volgens Azure afgeweken van de maatvoering en heeft zij meer laminaat gebruikt. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst Azure naar het rapport van Solico.
5.28.
[partij A] betwist samengevat dat wat Azure stelt uit het rapport van Solico volgt. Volgens [partij A] geeft Solico in haar rapport aan dat het platform hol is en daardoor minder sterk en stijf óf dat aanzienlijk meer laminaat is gebruikt en het platform daardoor wel sterk en stijf is maar daardoor aanzienlijk zwaarder is geworden. Volgens Solico is extra (destructief) onderzoek nodig voor de beantwoording van die vraag. Ook voert [partij A] aan dat zij in overleg met Azure verbeteringen heeft doorgevoerd in het zwemplatform en verwijst in dat kader naar een e-mail met voorstellen die zij aan Azure heeft gedaan. Volgens [partij A] heeft Azure met de wijzigingen ingestemd en is [partij A] daarom niet tekortgeschoten. Azure betwist dat.
5.29.
De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat het zwemplatform hol is terwijl deze volgens de tekeningen gevuld zou moeten worden met schuim. Omdat [partij A] gemotiveerd heeft gesteld dat er met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen zal [partij A] in de gelegenheid gesteld worden bewijs te leveren van haar stelling. De rechtbank overweegt dat indien komt vast te staan dat in overleg met Azure is afgeweken van de tekeningen, geen sprake is van een tekortkoming. Wanneer [partij A] niet slaagt in de bewijslevering, staat vast dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. In dat geval ziet de rechtbank aanleiding om aan de deskundige voor te leggen wat de kosten van herstel van het zwemplatform zijn.
Tekortkoming VI
5.30.
Azure stelt dat [partij A] de luchtinlaat aan de achterzijde niet conform de tekeningen heeft uitgevoerd. Volgens Azure heeft [partij A], in afwijking van de tekeningen, openingen bij de luchtinlaat met ingedikt hars uitgevuld en leidt dat tot extra gewicht. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst Azure naar het rapport van Solico.
5.31.
[partij A] voert aan dat de luchtinlaat in overleg met Azure is aangepast. Volgens [partij A] was de wijziging nodig in verband met wateruitloop en heeft over de wijzigingen continu overleg plaatsgevonden. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst [partij A] naar foto’s en video’s van de luchtinlaat die zij tijdens de bouw van het casco naar Azure heeft gestuurd. Ook voert [partij A] aan dat Azure het casco geaccepteerd heeft en afgebouwd en dat zij daarover achteraf niet mag klagen.
5.32.
De rechtbank volgt [partij A] niet in haar stelling dat Azure het casco afgebouwd heeft en zij daarom de wijzigingen geaccepteerd heeft. Dat Azure het casco heeft afgebouwd betekent niet dat zij het gebrek kende of dat zij er ondubbelzinnig afstand van heeft gedaan daarover op een later moment nog te klagen. De rechtbank overweegt verder dat partijen het erover eens zijn dat de luchtinlaat niet conform de tekeningen is gebouwd. Omdat [partij A] gemotiveerd heeft aangevoerd dat met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen, zal [partij A] in de gelegenheid gesteld worden bewijs te leveren van die stelling. De rechtbank overweegt dat indien komt vast te staan dat in overleg met Azure is afgeweken van de tekeningen, geen sprake is van een tekortkoming. Wanneer [partij A] niet slaagt in de bewijslevering, staat vast dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. In dat geval ziet de rechtbank aanleiding om aan de deskundige voor te leggen wat de kosten van herstel van de luchtinlaat zijn.
Tekortkoming VII
5.33.
Azure stelt dat [partij A] de motorfundaties niet overeenkomstig de tekeningen heeft uitgevoerd. Ook stelt Azure dat [partij A] bij het eerste casco heeft erkend dat zij de motorfundatie niet conform de tekeningen had geproduceerd en dat de motoren daardoor niet geplaatst konden worden. [partij A] heeft daarom bij het eerste casco herstelwerkzaamheden uitgevoerd waardoor de motoren konden worden geplaatst. Volgens Azure zijn er echter nog steeds afwijkingen ten opzichte van de tekeningen en dat die afwijkingen gevolgen hebben voor de vaareigenschappen. Volgens Azure blijkt uit het rapport van Solico dat het tweede casco eveneens niet aan de tekeningen niet voldoet.
5.34.
[partij A] voert aan dat de motorfundaties in opdracht van Azure geproduceerd zijn zoals bij het eerste casco van Adel, dat enige tijd bij [partij A] lag. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [partij A] naar foto’s van het casco van Adel.
5.35.
De rechtbank volgt [partij A] niet in haar verweer. [partij A] heeft onvoldoende gemotiveerd dat zij voor de motorfundaties af moest wijken van de tekeningen en deze conform het casco van Adel moest bouwen. Bovendien heeft [partij A] geen verweer gevoerd op de stelling dat zij bij het eerste casco herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd omdat zij de motorfundatie niet conform de tekeningen had gebouwd, en dat zij de motorfundatie bij het tweede casco op dezelfde wijze heeft gebouwd. Dat betekent dat [partij A] in ieder geval bij de bouw van casco 2 en 3 (die nog niet hersteld zijn) op dit punt tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Omdat het eerste afgebouwde casco wel hersteld is, ziet de rechtbank ziet aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of de wijze waarop de motorfundatie hersteld is bij casco 1, gevolgen heeft voor de vaarkwaliteit van de boot. Ook wil de rechtbank aan de deskundige voorleggen of de gebreken aan de motorfundatie van casco’s 2 en 3 hersteld kunnen worden, en zo ja, wat de kosten daarvan zijn.
Tekortkoming VIII
5.36.
Azure stelt dat de overlap in de verbindingslaminaten niet overeenkomstig de tekeningen zijn uitgevoerd waardoor deze niet de juiste sterkte hebben. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] betwist dat en voert aan dat uit het rapport van Solico volgt dat het zonder erop lijkt dat de overlap van de verbindingslaminaten niet conform de tekeningen zijn gemaakt maar dat dit zonder destructief onderzoek niet is vast te stellen.
Beoordeling
5.37.
De rechtbank ziet aanleiding aan de deskundige de vraag voor te leggen of de overlap in de verbindingslaminaten overeenkomstig de tekeningen zijn gemaakt en zo niet, wat voor gevolgen dat heeft voor het casco.
Tekortkoming IX
5.38.
Azure stelt dat de verbindingslaminaten niet de juiste dikte hebben omdat deze volgens de tekeningen 8,9 mm dik moeten zijn en de door [partij A] gebouwde verbindingslaminaten 13 mm tot 20 mm zijn. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] stelt dat uit het rapport van Solico volgt dat zonder destructief onderzoek niet vast te stellen is wat de dikte van de verbindingslaminaten is. Bovendien stelt [partij A] dat de diktes in laminaatschema’s minimale diktes zijn en geen maximale diktes.
5.39.
De rechtbank ziet aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of laminaatschema’s alleen een minimale dikte voorschrijven zoals [partij A] stelt of ook een maximale dikte. Ook zal de rechtbank de deskundige de vraag stellen hoe dik de verbindingslaminaten zijn en wat van de dikte verwachten mag worden als de verbindingslaminaten gebouwd zijn op basis van de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
Tekortkoming X
5.40.
Azure stelt dat [partij A] de luchtinlaat van de machinekamer niet correct en volgens de tekeningen heeft uitgevoerd en afgewerkt. [partij A] stelt dat zij in overleg met Azure heeft afgeweken van de tekeningen en dat Azure bovendien het casco heeft afgebouwd en daarmee de wijzigingen heeft geaccepteerd. [partij A] verwijst daarvoor naar de foto’s en video’s die zij heeft overgelegd in het kader van tekortkoming VI.
5.41.
De rechtbank volgt [partij A] niet in haar stelling dat Azure het casco afgebouwd heeft en zij daarom de wijzigingen geaccepteerd heeft en verwijst naar wat zij hiervoor onder 5.32. heeft overwogen. De rechtbank overweegt verder dat partijen het erover eens zijn dat de luchtinlaat van de machinekamer niet conform de tekeningen is gebouwd. Omdat [partij A] gemotiveerd heeft aangevoerd dat met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen, zal [partij A] in de gelegenheid gesteld worden bewijs te leveren van die stelling. De rechtbank overweegt dat indien komt vast te staan dat in overleg met Azure is afgeweken van de tekeningen, geen sprake is van een tekortkoming. Wanneer [partij A] niet slaagt in de bewijslevering, staat vast dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. In dat geval ziet de rechtbank aanleiding om aan de deskundige voor te leggen wat de kosten van herstel van de luchtinlaat van de machinekamer zijn.
Tekortkoming XI
5.42.
Azure stelt dat de spiegeluitvoering van de casco’s niet overeenkomstig de tekeningen is. Volgens Azure moet de gehele spiegel minimaal 51,8 mm dik zijn maar varieert de door [partij A] geproduceerde spiegel in dikte en is het laminaat bij boringen ook uit elkaar gevallen, hetgeen niet hoort. Volgens Azure is de buigsterkte van de spiegel daardoor met 50% afgenomen. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. Volgens Azure was de spiegel van casco 1 40 mm dik en heeft [partij A] dit hersteld door extra laminaatlagen aan te brengen. Hoewel [partij A] herstel heeft uitgevoerd is het werk volgens Azure kwalitatief nog steeds onvoldoende, waardoor de vaareigenschappen van de boot negatief worden beïnvloed.
5.43.
[partij A] erkent dat zij de spiegel van casco 1 niet juist had uitgevoerd maar stelt dat zij dit heeft hersteld en dat Azure dat herstel geaccepteerd heeft waardoor zij daarover niet langer kan klagen. [partij A] betwist dat zij de spiegel van casco 2 onjuist heeft gebouwd.
5.44.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] voldoende gemotiveerd dat casco 1 hersteld is en dat het herstel door [partij A] is geaccepteerd. De rechtbank ziet wel aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of de spiegel van casco 2 conform de tekeningen is gemaakt.
Tekortkoming XII
5.45.
Azure stelt dat de dikte van het laminaat op de bodem niet conform de tekeningen is gebouwd omdat de dikte19,6 mm moet zijn en de door [partij A] geproduceerde bodem 22 mm dik is. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] betwist dat er een maximale dikte is overeengekomen en stelt dat het werken met de handlayup methode tot een dikker resultaat leidt en dat het gebouwde daarom is wat Azure daarvan mocht verwachten op basis van de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
5.46.
De rechtbank ziet aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of de afwijking van het aantal mm door [partij A] te verwachten is wanneer gebouwd wordt conform de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
Tekortkoming XIII
5.47.
Azure stelt dat het toegangsluik niet correct is uitgevoerd omdat dikte van het toegangsluik op verschillende plaatsen verschilt. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] betwist dat zij het toegangsluik niet correct heeft uitgevoerd. Volgens [partij A] heeft zij het luik conform de tekeningen gemaakt, met alleen de door Azure aangegeven toevoegingen.
5.48.
De rechtbank ziet aanleiding om de deskundige de vraag voor te leggen of het luik is wat daarvan verwacht mag worden op basis van de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
Tekortkoming XIV
5.49.
Azure stelt dat de flens van de romp ter plaatse van de beglazing niet overeenkomstig de tekeningen is uitgevoerd omdat deze 8,9 mm dik moet zijn en de door [partij A] gebouwde flens Azure 14 tot 17 mm dik is. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] voert aan dat de dikte inherent is aan het bouwproces van handlayup en dat zij daarom gebouwd heeft wat Azure daarvan mocht verwachten.
5.50.
De rechtbank ziet aanleiding op dit punt aan de deskundige voor te leggen of de dikte van de flens is wat daarvan verwacht mag worden op basis van de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
Tekortkoming XV
5.51.
Azure stelt dat de dek-rompverbinding ter plaatse van de kikker niet overeenkomstig de tekeningen is uitgevoerd omdat de dikte volgens de tekeningen 19,8 mm moet zijn en de door [partij A] uitgevoerde dikte 37 mm is ter hoogte van de kikker. De dek-rompverbinding in de boegsectie zou volgens de tekeningen 10,9 mm moeten zijn terwijl de door [partij A] uitgevoerde dikte 16 mm is. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] stelt dat zij ter plaatse van de kikkers extra verstevigingen heeft aangebracht op verzoek van Azure en zij daarom afgeweken is van de tekeningen. Volgens [partij A] is de bestuurder van Azure tijdens de bouw van het casco bij [partij A] langsgekomen om aan te wijzen waar [partij A] de verstevigingen moest aanbrengen.
5.52.
De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de dek-rompverbindingen niet conform de tekeningen zijn gebouwd. Omdat [partij A] gemotiveerd heeft aangevoerd dat met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen, zal [partij A] in de gelegenheid gesteld worden bewijs te leveren van haar stelling. De rechtbank overweegt dat indien komt vast te staan dat in overleg met Azure is afgeweken van de tekeningen, geen sprake is van een tekortkoming. Wanneer [partij A] niet slaagt in de bewijslevering, staat vast dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.
Beoordeling
In dat geval ziet de rechtbank aanleiding om aan de deskundige voor te leggen wat de kosten van herstel zijn.
Tekortkoming XVI
5.53.
Azure stelt dat het ankerbakluik niet overeenkomstig de tekeningen is uitgevoerd omdat er onder meer ruimtes zijn uitgevuld en onduidelijk is met welk materiaal dit is gedaan. Dat leidt tot volgens Azure tot extra gewicht van het casco. [partij A] betwist dat zij het luik niet goed uitgevoerd heeft. Volgens [partij A] heeft zij het luik gebouwd volgens de tekeningen met de door Azure verzochte wijzigingen. Zo heeft [partij A] harder polyester toegevoegd ter plaatse van de scharnieren zodat in hard materiaal kan worden geschroefd. Ook stelt [partij A] dat Azure tevreden was met de luiken.
5.54.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij A] de stelling dat Azure het luik heeft geaccepteerd onvoldoende gemotiveerd. Bovendien houdt een enkele mededeling dat Azure op het oog tevreden is met het luik nog geen afstand van recht in om later alsnog een tekortkoming te constateren. De rechtbank overweegt verder dat partijen het erover eens zijn dat het ankerbakluik niet conform de tekeningen is gebouwd. Omdat [partij A] gemotiveerd heeft aangevoerd dat met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen, zal [partij A] in de gelegenheid gesteld worden bewijs te leveren van haar stelling. De rechtbank overweegt dat indien komt vast te staan dat in overleg met Azure is afgeweken van de tekeningen, geen sprake is van een tekortkoming. Wanneer [partij A] niet slaagt in de bewijslevering, staat vast dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. In dat geval ziet de rechtbank aanleiding om aan de deskundige voor te leggen wat de kosten van herstel zijn.
Tekortkoming XVII
5.55.
Azure stelt dat het voordekluik niet conform de tekeningen is uitgevoerd omdat in de Revisie-C tekeningen een dikte is voorgeschreven van 8,9 mm en het door [partij A] gerealiseerde voordekluik meer dan 20 mm dik is en bovendien is voorzien van langs- en dwarsribben. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] voert aan dat Solico de dikte heeft gemeten op een plaats waar het laminaat van het dek en het laminaat van het spant samenkomen en op elkaar liggen, waardoor het op die plaats dikker is. Ook stelt [partij A] dat zij qua dikte heeft gebouwd wat verwacht mag worden op basis van de Revisie-C tekeningen met gebruikmaking van de handlayup methode.
5.56.
De rechtbank ziet aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of het voordekluik is wat daarvan verwacht mag worden op basis van de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
Tekortkoming XVIII
5.57.
Azure stelt dat de boeg door [partij A] niet overeenkomstig de tekeningen is gebouwd. In de tekeningen is voor de boeg een dikte van 8,9 mm voorgeschreven maar [partij A] heeft volgens Azure de boeg in wisselende diktes van 11 mm tot 21 mm gebouwd. [partij A] betwist dast zij niet overeenkomstig de tekeningen heeft gebouwd. Volgens [partij A] is de boeg een plaats waar glaslappen overlappen en dat die plaats altijd dikker zal zijn. Ook is er volgens [partij A] geen maximale dikte overeengekomen.
5.58.
De rechtbank ziet aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of de (dikte van) boeg is wat daarvan verwacht mag worden op basis van de Revisie-C tekeningen, uitgaande van de handlayup methode.
Tekortkoming XIX
5.59.
Azure stelt dat [partij A] de coating niet correct heeft aangebracht. Op verschillende plekken is de coating volgens Azure niet dekkend aangebracht waardoor de integriteit van de boot aangetast wordt en waardoor de boot niet goed beschermd is tegen water en weersinvloeden. Ter onderbouwing verwijst Azure naar het rapport van Solico. [partij A] betwist dat de coating niet overal dekkend is aangebracht en voor zover dat al het geval is, dat dit het polyester zal aantasten. Volgens [partij A] is de coating puur cosmetisch.
5.60.
De rechtbank ziet aanleiding om aan de deskundige de vraag voor te leggen of de coating niet overal dekkend is aangebracht en indien dat het geval is, wat de gevolgen daarvan zijn.
Bewijsopdracht
5.61.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank [partij A] opdragen bewijs te leveren van haar stelling dat zij met instemming van Azure is afgeweken van de tekeningen bij de (gestelde) tekortkomingen V (5.29), VI (5.32), X (5.41), XV (5.52) en XVI (5.54). De rechtbank zal [partij A] in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de wijze waarop zij dat bewijs wil leveren. De rechtbank overweegt daarbij dat, indien [partij A] bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken direct in het geding moet brengen. Wanneer [partij A] getuigen wil laten horen moet zij de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2024 tot en met januari 2025 opgeven.
Deskundigenonderzoek
5.62.
Uit het voorgaande volgt ook dat de rechtbank het voornemen heeft om een onderzoek door een door haar benoemde deskundige in te laten stellen. Voordat zij daartoe overgaat, zal zij partijen in de gelegenheid stellen bij akte een deskundige voor te dragen en zich uit te laten over de aan de deskundige te stellen vragen. Ook zullen partijen in de gelegenheid gesteld worden zich uit te laten over de mogelijkheid en de wenselijkheid van het deskundigenonderzoek naar casco 1, zoals hiervoor onder 5.23. is overwogen. In dit tussenvonnis geeft de rechtbank alleen voornoemde bewijsopdracht aan [partij A] en partijen zullen ná het oordeel van de rechtbank over de vraag of [partij A] is geslaagd in de bewijslevering, in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over het deskundigenonderzoek zoals hierna wordt overwogen. De rechtbank acht het echter raadzaam partijen nu al over het deskundigenonderzoek in te lichten op en wijze zoals hieronder omschreven.
5.63.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van scheepsbouw, meer in het bijzonder op het gebied van het bouwen van polyester casco’s en dat de volgende vragen moeten worden gesteld:
Tekortkoming I
Kan worden vastgesteld wat het gewicht van casco 1 was op het moment dat het casco door [partij A] aan Azure werd geleverd? Zo ja, wat was dat gewicht?
Wat is de status van een laminaatschema in de branche? Schrijft het laminaatschema alleen de minimale dikte en de sterkte van de panelen voor of schrijft het ook een (maximaal) gewicht voor?
Als een laminaatschema ook een gewicht voorschrijft, kan op basis van de Revisie-C tekeningen berekend worden wat het gewicht van het casco is? En is dat gewicht voor een cascobouwer kenbaar?
Zo ja, wat is dat gewicht? En wordt dat gewicht hoger wanneer uitgegaan wordt van een handlayup methode?
Als uitgegaan wordt van de handlayup methode, wat is dan het gewicht van het casco op basis van de Revisie-C tekeningen? Is dat berekende gewicht een specifiek gewicht of een marge?
Is het mogelijk om met de handlayup methode een casco te bouwen dat in gewicht en dikte niet afwijkt van een casco gebouwd volgens de vacuüminjectie methode?
Tekortkoming III
7. Zou de door Azure afgebouwde boot een snelheid van 90 km per uur moeten kunnen halen?
8. Kan de door Azure afgebouwde boot deze snelheid halen?
9.