Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-11-05
ECLI:NL:RBOVE:2024:7141
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,773 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11152822 \ CV EXPL 24-2250
Vonnis van 5 november 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. H.G. Meulmeester
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius.
1Inleiding en korte samenvatting
1.1.
[eiser] is als expat in dienst geweest bij [gedaagde]. In deze procedure vraagt [eiser] om nabetaling van loon, omdat [gedaagde] volgens [eiser] de tussen partijen afgesproken 30%-regeling niet goed is nagekomen. De 30%-regeling is een fiscale regeling voor (bepaalde) buitenlandse werknemers.
1.2.
De kantonrechter volgt [eiser] in zijn betoog met betrekking tot de toepassing van de 30% regeling, zoals deze tussen partijen is overeengekomen. Daarom zal een deskundige loonspecialist benoemd gaan worden, die het door [eiser] geleden nadeel, bestaande uit te weinig betaald brutosalaris en te weinig betaalde (onbelaste) netto kostenvergoedingen, zal moeten berekenen. Partijen kunnen een voorstel doen met betrekking tot de persoon van de te benoemen deskundige. In afwachting hiervan wordt in de hoofdzaak verder elke beslissing aangehouden. De provisionele vordering wordt afgewezen.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met daarin ook een vordering tot een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv, uitgebracht op 28 mei 2024,- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is aangekondigd,
- nadere producties aan de kant van [eiser],
- een nadere productie aan de kant van [gedaagde],
- de akte van [eiser] met daarin een voorwaardelijke vermeerdering van eis,
- de mondelinge behandeling van 27 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- spreekaantekeningen van [eiser].
2.2.
Bepaald is dat de kantonrechter vandaag vonnis wijst.
Feiten
3.1.
[gedaagde] is een bedrijf dat zich bezighoudt met innovatieve oplossing voor bouw en infrastructuur.
3.2.
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1983 in Turkije, is vanaf 1 augustus 2019 tot 1 maart 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst geweest bij [gedaagde], in de functie van IT servicedesk manager, laatstelijk tegen een bruto jaarsalaris van € 85.964, exclusief vakantiegeld en andere emolumenten.
3.3.
Hoogopgeleide buitenlandse werknemers (expats) kunnen via hun werkgever jaarlijks belastingvrij een vergoeding krijgen tot 30% van hun loon (hierna: de 30%-regeling).
3.4.
In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst staat onder meer de volgende bepaling:
“1. Function
Employee will he engaged by employer per 1 August 2019 as IT ServiceDesk Manager.
At the beginning of the employment agreement, the employee will be stationed at
[gedaagde] BV. [vestigingsplaats 1], the Netherlands (3 days per week) and at [gedaagde] BV. [vestigingsplaats 2], the Netherlands (2 days per week), but the employer reserves the right to change the l)lace of work.
The employment offered, as well as the starting date is subject to us acquiring a residence permit as highly skilled migrant which simultaneously allows the employee to work in the Netherlands. The process to collect the necessary documents to file the application on your behalf will be initiated by E&Y. The costs for acquiring the highly skilled migrant status are for the account of [gedaagde].
Additionally, this employment agreement will only enter into force provided the employee settles in the Netherlands prior to 1 January 2020.”
3.5.
Op 11 november 2019 zijn partijen een addendum bij de arbeidsovereenkomst overeengekomen. In dit addendum (hierna: het addendum) staat het volgende:
“With respect to the application of the 30%-facility, the following will be taken into
account:
1 If, and insofar, [eiser] is, based on article 10ea of the ‘Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965’, entitled to receive a tax-free cost reimbursement for extraterritorial costs, it has been agreed with [eiser] that his current employment income will be reduced according to labour law so that 100/70 of his current employment income equals the originally agreed employment income.
2 If, and insofar, article 1 is applicable, [eiser] receives a cost reimbursement for extraterritorial costs from [gedaagde] BV. equal to 30/70 of the current employment income as agreed in article 1.
3 [eiser] and [gedaagde] BV. acknowledge that applying a tax-free cost reimbursement for extraterritorial costs cannot lead to a taxable employment income lower than the amount stipulated in article 10eb of the ‘Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965’ and that the tax-free cost reimbursement for extraterritorial costs can be less than 30/70 of the current employment income as agreed.
4 [eiser] acknowledges the fact that an adjustment of the agreed remuneration of article 1 can influence all employment income related payments and benefits like pension and social security benefits.
Herewith, [gedaagde] BV. and [eiser] acknowledge the above.”
3.6.
Bij beschikking van 31 januari 2020 heeft de Belastingdienst kenbaar gemaakt dat [eiser] in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers.
3.7.
In januari 2020 heeft [gedaagde] haar beleid ten aanzien van de 30%-regeling gewijzigd. In het beleidsdocument, met als titel ‘30% Tax Ruling Policy as of January 1, 2020 (2)’, staat onder meer het volgende:
“Filing and application of the 30% Tax Ruling
The 30% Tax Ruling must be
jointly
filed by the employer and employee,
within 4 months after the start date
, whereby the employer asks the Tax Authorities for permission to apply the 30% Tax Ruling in the payroll.
[gedaagde] will apply the 30% Tax Ruling by providing 30% of the gross salary tax-free to the employee on basis of the Start- and End date as confirmed in the official 30% Tax Ruling Grant document issued by the Dutch Tax Authorities. (…)
(…)
Previous 30% Tax Ruling policy
The previous 30% Tax Ruling policy in place with [gedaagde], whereby the benefit of the 30% Tax Rule was for [gedaagde], remains in place for employees involved until the until the End Date of the 30% Tax Ruling, as stated in their official 30% Tax Ruling Grant document.”
3.8.
Uit de loonstroken van [eiser] blijkt dat [gedaagde] uitvoering heeft gegeven aan de afspraken in het addendum. Hierop is te zien dat [gedaagde] een bedrag van het brutoloon van [eiser] heeft afgetrokken, en dit bedrag vervolgens onbelast (netto) aan [eiser] heeft uitbetaald.
3.9.
[eiser] heeft navraag gedaan bij [gedaagde] over de (uitvoering van) de 30%-regeling ten aanzien van zijn loon.
3.10.
[eiser] heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen opgezegd per 1 maart 2024.
3.11.
Bij brief van 29 maart 2024 aan [gedaagde] heeft (de advocaat van) [eiser] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] de 30%-regeling niet goed heeft toegepast en aan [gedaagde] gevraagd om een reactie en om tot compensatie van het door [eiser] geleden nadeel over te gaan.
3.12.
Bij e-mail van 11 april 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde] gereageerd op de brief van [eiser] van 29 maart 2024. In deze e-mail heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] aan [eiser] de vergoedingen heeft betaald waar [eiser] op basis van de arbeidsovereenkomst recht op had.
Geschil
In de hoofdzaak
4.1.
In de bodemprocedure vordert [eiser] – samengevat en na voorwaardelijke vermeerdering van eis – een verklaring voor recht dat partijen geen nettoloonafspraak gemaakt hebben, veroordeling van [gedaagde] tot correcte nakoming van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst en addendum, benoeming van een deskundige loonspecialist die het aan [eiser] toegebrachte nadeel dient vast te stellen, veroordeling van [gedaagde] tot het door [eiser] gederfde loon, onder afgifte van correcte loonspecificaties en specificatie van de verder door [eiser] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In het incident
4.4.
[eiser] vordert als provisionele vordering veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot op het door [gedaagde] aan [eiser] toegebrachte nadeel van € 75.000,00, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.5.
[gedaagde] voert verweer.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
In de hoofdzaak
5.1.
Deze zaak gaat in de kern om de uitleg van de afspraken die partijen in het addendum van 11 november 2019 hebben gemaakt en of [gedaagde] die afspraken op de juiste manier heeft uitgevoerd.
Standpunten van partijen
5.2.
[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op basis van het tussen partijen overeengekomen addendum maandelijks recht had op uitbetaling van een (onbelaste) netto kostenvergoeding van 30% van zijn bruto maandsalaris. Volgens [eiser] komt het belastingvoordeel van de 30%-regeling aan hem toe. Het belastingvoordeel kan ook aan de werkgever toekomen, maar in dat geval moeten werkgever en werknemer een nettoloonafspraak maken. Een dergelijk afspraak is tussen partijen niet gemaakt. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de 30%-regeling in de periode vanaf augustus 2019 tot en met februari 2020 niet toegepast, en in de periode vanaf maart 2020 tot en met februari 2024 wél, maar niet voor de volledige 30%. Uit de salarisspecificaties blijkt dat de door [gedaagde] in het kader van de 30%-regeling maandelijks in mindering op zijn brutosalaris gebrachte bedragen steeds van elkaar in hoogte verschillen, en dat die bedragen met veel lagere percentages overeenkomen dan het afgesproken percentage van 30%. Ook is er stelselmatig van een te laag bruto maandsalaris (voor aftrek van de 30 %-regeling) uitgegaan. De aan hem over de jaren 2020 tot en met 2023 toegekende loonsverhogingen zijn niet op de loonspecificaties en de jaaropgaves doorgevoerd en zijn nooit aan hem uitbetaald. Aldus heeft hij recht op vergoeding van schade, bestaande uit inkomstenderving. Naast te weinig betaald brutoloon en te weinig betaald nettoloon (de onbelaste netto kostenvergoeding van 30% van zijn brutoloon) heeft [eiser] waarschijnlijk inkomstenderving omdat over een te laag inkomen pensioenpremies zijn afgedragen. De schade dient geconcretiseerd en geïnventariseerd te worden door een loonspecialist, aldus [eiser].
Voorwaardelijk, voor het geval de kantonrechter oordeelt dat tussen partijen is overeengekomen dat het fiscale voordeel van de 30%-regeling niet aan [eiser] toekomt, maar aan [gedaagde], heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5.3.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen loon meer aan [eiser] verschuldigd is, en dat zij op de juiste manier uitvoering heeft gegeven aan de tussen partijen gemaakte afspraken. Volgens [gedaagde] geeft de 30%-regeling een werkgever de keuze om ofwel aan de werknemer voor de vergoeding van extraterritoriale kosten maximaal 30% van het loon onbelast te geven, ofwel maximaal 30% van het loon (inclusief de vergoeding van extraterritoriale kosten) onbelast uit te betalen. Volgens [gedaagde] hebben partijen, anders dan [eiser] stelt, dus niet afgesproken dat hem sowieso 30% van het loon netto zou worden uitgekeerd. Ook heeft [gedaagde] niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [gedaagde].
De inhoudelijke beoordeling
5.4.
Zoals overwogen, draait de kern van het geschil tussen partijen om de vraag wat partijen zijn overeengekomen over de wijze van uitvoering van de 30%-regeling. De betreffende afspraken zijn neergelegd in het addendum. Die afspraken moeten dus worden uitgelegd.
5.5.
Bij de uitleg van wat partijen zijn overeengekomen komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst, en aan hetgeen zij te dien aanzien tegenover elkaar hebben verklaard, mochten toekennen, alsook op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981 NJ 1981, 635 ‘Haviltex’). Beslissende betekenis komt dus toe aan alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
5.6.
De kantonrechter stelt bij de uitleg van het addendum het volgende voorop. Volgens [gedaagde], zo begrijpt de kantonrechter haar betoog, is [eiser] voorafgaand aan zijn indiensttreding uitvoerig geïnformeerd over de consequenties van de toepassing van de 30%-regeling. De uitvoering van de 30%-faciliteit is volgens [gedaagde] toegelicht in de toen geldende, aan hem verstrekte “Tax Ruling Policy”. Door [eiser] zijn daar volgens [gedaagde] toen geen vragen over gesteld, ook heeft hij daar niet tegen geprotesteerd. [eiser] heeft dat betoog van [gedaagde] echter gemotiveerd betwist, zodat het op de weg van [gedaagde] had gelegen dat betoog nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. Niet alleen heeft zij niet gesteld wie van [gedaagde] en wanneer precies dan wel [eiser] heeft geïnformeerd over de consequenties van de toepassing van de 30%-regeling voor [eiser], maar ook heeft zij geen stukken overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken. Uit de door [gedaagde] als productie 1 overgelegde “appointment letter” blijkt niet dat [eiser] voor zijn indiensttreding geïnformeerd is over de hiervoor genoemde consequenties. En de “Tax Ruling Policy”, zoals die gold ten tijde van de indiensttreding van [eiser], en die er volgens [eiser] helemaal niet is en die hij dan ook niet gezien heeft, is evenmin overgelegd; dit, omdat, naar [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft verklaard, zij daar niet meer over beschikt. Aan de stelling dat aan [eiser] de “Tax Ruling Policy” is verstrekt vóórdat hij bij [gedaagde] in dienst trad, wordt bij gebreke van een voldoende onderbouwing dan ook voorbijgegaan.
Bij de uitleg van het addendum staat daarom vast dat partijen voorafgaand aan de totstandkoming van het addendum niet hebben gesproken over de afspraken, zoals die daarin zijn neergelegd. Ook staat vast dat [gedaagde] voorafgaand daaraan geen schriftelijke informatie daarover aan [eiser] heeft gegeven.
5.7.
Dat betekent dat de kantonrechter bij de uitleg van het addendum met name is aangewezen op de bewoordingen van het addendum. Daarin staat, onder punt 1, dat wanneer [eiser] aanspraak maakt op toepassing van de 30%-regeling, zijn loon wordt verlaagd zodat 70/100ste deel van zijn inkomen gelijk is aan het oorspronkelijk overeengekomen inkomen. Vervolgens staat onder punt 2 van het addendum dat indien punt 1 van toepassing is, [eiser] van [gedaagde] een kostenvergoeding voor extraterritoriale kosten ontvangt gelijkt aan 30/70ste deel van het huidige arbeidsinkomen zoals overeengekomen onder punt 1. Hieruit volgt dus dat het loon van [eiser] verlaagd en opgesplitst wordt, zodat een deel daarvan (30% van zijn bruto salaris) bestaat uit een (onbelaste) netto kostenvergoeding en dat [eiser] die ontvangt. Ontvangen impliceert dat er betaald moet worden. [eiser] mocht er dus vanuit gaan, afgaande op het bepaalde onder de punten 1 en 2, dat aan hem 30% van zijn brutosalaris als netto kostenvergoeding wordt betaald. Anders dan [gedaagde] heeft gesteld, staat niet onder punt 2 dat de extraterritoriale kosten vergoed worden tot 30% van het oorspronkelijke arbeidsinkomen.
5.8.
Onder punt 3 van het addendum staat inderdaad, zoals [gedaagde] heeft gesteld, dat partijen erkennen dat de kostenvergoeding die [eiser] ontvangt lager kan zijn dan 30/70ste deel van het huidige arbeidsinkomen van [eiser]. Dat lijkt moeilijk te rijmen met het bepaalde onder 1 en 2, waaruit blijkt, zoals hiervoor is overwogen, dat aan [eiser] 30% van zijn brutosalaris als netto kostenvergoeding wordt betaald. Maar dat is het niet.
Dictum
De kantonrechter
in de hoofdzaak
6.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 3 december 2024 voor het nemen van een akte door beide partijen voor het geven van de in rechtsoverweging 5.15. verzochte informatie,
6.2.
houdt verder iedere beslissing aan,
6.3.
bepaalt dat partijen tegen dit tussenvonnis hoger beroep kunnen instellen,
in het incident
6.4.
wijst de vordering af,
6.5.
houdt de beslissing ten aanzien van de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak is beslist.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C.M. Manders en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
Beoordeling
Onder punt 3 staat immers niet alleen dat [eiser] en [gedaagde] erkennen dat de belastingvrije kostenvergoeding voor extraterritoriale kosten minder kan bedragen dan 30/70 van het huidige arbeidsinkomen zoals overeengekomen, maar daaraan voorafgaand staat ook dat zij erkennen dat toepassing van een onbelaste kostenvergoeding voor extraterritoriale kosten niet kan leiden tot een belastbaar inkomen lager dan het bedrag bepaald in artikel 10eb van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. De kantonrechter leidt hieruit af dat punt 3 van het addendum ziet op het voor de toepassing van de 30%-regeling vereiste minimumsalaris, zoals opgenomen in artikel 10ea Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Punt 3 van het addendum geeft dan ook slechts aan, zoals de 30%-regeling bepaalt, dat als het belastbare salaris onder dat minimum komt, de regeling niet voor de volle 30% kan worden toegepast. In dat geval zal de netto kostenvergoeding logischerwijs dus lager kunnen uitvallen.
5.9.
[gedaagde] heeft ter ondersteuning van haar standpunt dat [eiser] moest begrijpen dat hij niet sowieso aanspraak kon maken op een netto kostenvergoeding van 30% nog gesteld dat [eiser], indien hij extraterritoriale kosten zou maken hij die kon declareren bij [gedaagde], dat [gedaagde] die dan onbelast zou hebben vergoed, en dat [eiser] dat wist. Dit is door [eiser] betwist, en in het licht van die betwisting onvoldoende onderbouwd door [gedaagde]. Ten eerste blijkt nergens uit dat [eiser] extraterritoriale kosten kon declareren en dat hij dat wist. Dat kan niet worden opgemaakt uit de “appointment letter”. Daarin staat niet meer, voor zover hier van belang, dan dat [gedaagde] daarin specifiek genoemde kosten (voor zover hier relevant: verhuiskosten) betaalt. Ook in de schriftelijke arbeidsovereenkomst staat niet dat [eiser] gemaakte extraterritoriale kosten kan declareren bij [gedaagde]. Dat blijkt evenmin uit het addendum. Ook punt 3 van het addendum, waarin gesproken wordt van een kostenvergoeding, is, voor zover [gedaagde] dat heeft willen betogen, van geen betekenis in dit verband. Ook overigens zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] extraterritoriale kosten kon declareren bij [gedaagde] en dat hij dat wist. Daarbij komt dat de voormelde stelling van [gedaagde] niet te verenigen is met de overeengekomen toepassing van de 30%-regeling door partijen. Zoals door [eiser] onbetwist is gesteld (en ook blijkt uit het door hem aangehaalde citaat op de website van de Belastingdienst) moet er namelijk een keuze gemaakt worden tussen toepassing van 30%-regeling of vergoeding van de daadwerkelijke extraterritoriale kosten, en dat beide keuzes niet naast elkaar kunnen worden toegepast. Bovendien is de voormelde stelling van [gedaagde] niet te verenigen met het feit dat [gedaagde] een (steeds wisselend) deel van het salaris van [eiser] als netto onbelast heeft aangemerkt (als vallend onder de noemer van de 30% regeling).
5.10.
Voor zover [gedaagde] nog heeft willen stellen dat punt 4 van het addendum een tegenaanwijzing vormt voor het door [eiser] bepleite standpunt dat hem 30% van zijn brutosalaris als netto kostenvergoeding toekomt, wordt [gedaagde] daarin niet gevolgd door de kantonrechter. Het is logisch dat wanneer het brutosalaris met 70% wordt verlaagd, dit van invloed kan zijn op daarop gebaseerde betalingen en uitkeringen.
5.11.
Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat het addendum zo moet worden uitgelegd dat [eiser] (maandelijks, en zonder enig voorbehoud) recht had op de betaling van een netto kostenvergoeding ten belope van 30% van zijn brutosalaris
5.12.
Aan dit oordeel doet niet af de door [gedaagde] als productie 7 overgelegde e-mailcorrespondentie met haar accountant EY en waaruit volgens [gedaagde] blijkt dat zij de tussen partijen gemaakte afspraken over de 30%-regeling correct heeft uitgevoerd.
Dat [gedaagde] de 30% regeling, zoals die tussen partijen is afgesproken, juist heeft uitgevoerd, blijkt namelijk niet uit die e-mailcorrespondentie. De accountant verklaart daar niets over. Die verklaart alleen maar dat volgens het addendum geknipt mag worden in het brutosalaris en dat de bepaling wie recht heeft op het voordeel van de 30%-regeling in de arbeidsovereenkomst of in een separate overeenkomst vastgesteld kan worden. Ook de producties 8. en 9. (de brieven van de advocaat van [gedaagde] van 11 april 2024 en 8 mei 2024), waarin de uitvoering door [gedaagde] van de in het addendum neergelegde afspraken wordt uitgelegd, leggen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over hoe het addendum moet worden uitgelegd, geen gewicht in de schaal.
5.13.
[eiser] mocht er dus vanuit gaan dat hem maandelijks een netto kostenvergoeding ten belope van 30% van zijn bruto salaris zou worden betaald. Die netto kostenvergoeding heeft hij niet dan wel niet steeds volledig (voor de volle 30%) gehad. Verder heeft [eiser] voldoende onderbouwd met de door hem als productie 5 overgelegde salarisspecificaties, de door hem als productie 6 overgelegde jaaropgaven en de door hem als productie 4 overgelegde jaarlijkse toegekende salarisverhogingen over 2020 tot en met 2023 (“the annual compensation statements”) dat hem stelselmatig maandelijks te weinig brutoloon is betaald en daardoor ook een te geringe netto kostenvergoeding. Gelet op dit alles kan tot geen andere conclusie gekomen worden dan dat [eiser] inkomsten heeft gederfd, die door [gedaagde] vergoed moeten worden.
5.14.
Voor de precieze berekening van de inkomstenderving, bestaande dus uit stelselmatig te weinig betaald brutosalaris en te weinig betaalde netto kostenvergoedingen, en voor de beantwoording van de vraag of er mogelijk nog meer financieel nadeel is geleden door [eiser] (zoals te weinig afgedragen pensioenpremies) wordt de benoeming van een loondeskundige, met kennis van de 30%-regeling, aangewezen geacht.
5.15.
Partijen kunnen een (liefst eensluidend) voorstel doen ten aanzien van de persoon van de te benoemen deskundige. Daartoe wordt de zaak verwezen naar de rol van dinsdag 3 december 2024. Partijen kunnen dan bij akte een voorstel doen. Zij kunnen dan ook een voorstel doen met betrekking tot de aan de deskundige te stellen vragen.
5.16.
In afwachting van de benoeming van een deskundige, het door hem of haar te verrichten onderzoek en diens bevindingen zal verder iedere beslissing worden aangehouden.
5.17.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het voorwaardelijk door [eiser] ingenomen standpunt over ongelijke behandeling door [gedaagde].. De voorwaarde waaronder dit standpunt is ingenomen, is niet vervuld. Gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen kan namelijk niet geoordeeld worden dat het fiscale voordeel aan [gedaagde] toekomt.
5.18.
Tenslotte oordeelt de kantonrechter het van belang dat partijen, indien zij dat wenselijk achten, tegen dit tussenvonnis hoger beroep kunnen instellen. Daarom wordt bepaald dat partijen tegen dit vonnis hoger beroep kunnen instellen.
In het incident
5.19.
[eiser] heeft verzocht om betaling van een voorschot van de door hem geleden schade. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Wil een provisionele vordering zoals de deze toewijsbaar zijn, dan zal [eiser] daarbij tenminste van een belang moeten hebben, in die zin dat van hem niet gevergd kan worden dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. Daarvan is echter niet gebleken. [gedaagde] heeft de noodzakelijkheid van de toewijzing van het gevorderde voorschot betwist, terwijl [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat hem nu al een voorschot moet worden betaald.