Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-12-23
ECLI:NL:RBOVE:2024:6930
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,638 tokens
Inleiding
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-952674-17
Datum vonnis: 23 december 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1953 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres],
bijgestaan door zijn raadsman mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem.
1De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 504.812,00.
Procesverloop
De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 5 november 2024, 7 november 2024 en 12 december 2024.
Standpunt van de officier van justitie
Op de zitting van 5 november 2024 heeft de officier van justitie verzocht om de vordering tot ontneming af te wijzen, omdat niet concreet is vast te stellen of en in welke mate sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op de zitting van 7 november 2024 op het volgende standpunt gesteld. Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming te worden verklaard, primair vanwege de omstandigheid dat [veroordeelde] gezien de inhoud van de e-mail van 9 november 2022 van een medewerker van de Verkeerstoren er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat door de officier van justitie geen ontneming meer zou worden gevorderd, dan wel subsidiair op grond van de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak dan wel meer subsidiair wegens de buitenproportionele overschrijding van de redelijke termijn. Indien de rechtbank van oordeel is dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming, moet de vordering worden afgewezen omdat niet concreet is vast te stellen of en in welke mate sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Beoordeling
3.1
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering
Op 16 januari 2021 is de vordering tot ontneming aan [veroordeelde] betekend en op de (regie) terechtzitting van 11 februari 2021 is het onderzoek, in het bijzijn van de raadsman van [veroordeelde], aangevangen. In de systematiek van het Wetboek van Strafvordering ligt besloten dat, nadat het onderzoek op de zitting is gestart, de procedure wordt voortgezet totdat een einduitspraak is gegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de inhoud van het e-mailbericht van 9 november 2022, van het wekken van een gerechtvaardigd vertrouwen dat die vordering tot ontneming niet meer door de officier van justitie zou worden gevorderd, geen sprake is. De door de officier van justitie verzonden e-mail over het opheffen van het conservatoir beslag maakt dit, om diezelfde reden, niet anders. Bovendien sluit het opheffen van het conservatoir beslag niet uit dat er in een later stadium alsnog wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden en verwerpt het primaire verweer van de raadsman.
De rechtbank verwerpt ook het subsidiaire verweer van de raadsman, nu [veroordeelde] in de hoofdzaak is veroordeeld voor strafbare feiten.
Tot slot overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag. De rechtbank verwerpt daarom ook het meer subsidiaire verweer van de raadsman.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel.
3.2
De vordering
De vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op voordeel dat zou zijn verkregen uit het medeplegen van de uitvoer van en handel in verdovende middelen (harddrugs) alsmede witwassen, zoals in de hoofdzaak onder feit 1 respectievelijk feit 2 is ten laste gelegd. [veroordeelde] is bij vonnis van 23 december 2024 vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Voor het onder feit 1 ten laste gelegde is [veroordeelde] veroordeeld, maar enkel voor wat betreft het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne.
De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat daadwerkelijk voordeel is verkregen uit het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld of uit andere strafbare feiten die door hem zijn begaan, zodat op grond van artikel 36e, tweede lid Sr, geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.G.J. Gehring en
mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Dit komt onder meer tot uitdrukking in het voorschrift van artikel 511b, vierde lid, juncto artikel 26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat ertoe strekt dat de officier van justitie de vordering tot ontneming niet meer kan intrekken zodra het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.21.